search
top

Het concurrentievermogen van de EU – een poging tot verheldering

Onderdeel van het recente accoord over de Griekse schulden is dat de EU landen elkaar plechtig beloofd hebben alles te doen om hun economie ‘competitive’ te houden. Wat bedoelt men daarmee? Waarschijnlijk gaat het om lage ‘Unit Labor Costs’ (ULC), oftewel de arbeidskosten per eenheid product (AEP) – een begrip dat de afgelopen tijd veel aandacht heeft gekregen omdat de AEP in Duitsland, waar het nu economisch vrij goed gaat, gedaald zijn terwijl ze in veel andere landen zijn gestegen.Deze feiten worden alhier niet betwist – maar de interpretatie ervan behoeft enige nuancering. De cijfers waar men mee aan de haal gaat zijn van Eurostat. En hoe definieert Eurostat ‘AEP’? Op de site van Eurostat wordt de volgende definitie gevonden:

This derived indicator compares remuneration (compensation per employee) and productivity (gross domestic product (GDP) per employment) to show how the remuneration of employees is related to the productivity of their labour. It is the relationship between how much each “worker” is paid and the value he/she produces by their work….Please note that the variables used in the numerator (compensation, employees) refer to employed labour only, while those in the denominator (GDP, employment) refer to all labour, including self-employed.”

Oeps. Dat is dus het arbeidsaandeel in de productie. Of, nou ja, niet het hele arbeidsaandeel maar het aandeel exclusief toegerekend loon van boeren en ZZP-ers (zelfstandigen zonder personeel). Dus als ZZP-ers minder gaan verdienen en dus goedkoper worden (wat in 2009 gebeurde) dan stijgen de AEP…? Ja, zoals het hier staat wel. En als er een verschuiving plaats vindt van loonarbeid naar (duurdere?) ZZP-arbeid dan dalen de AEP…? Ja, zoals het hier staat wel. En als de overheid snijdt in de lonen van ambtenaren, dan wordt een economie dus competitiever? Ja, zoals het hier staat wel. Er valt dus sowieso wel wat af te dingen op het gebruik van de Eurostat-AEP als indicator voor concurrentievermogen. Het is een vage variabele (fuzzy variable).

En dat is niet het enige wat schort aan het klakkeloos gebruik van de AEP om te ‘bewijzen’ waarom Duitsland het nu zo goed doet. Nou ja, goed, ongeveer net zo goed als vroeger, lang geleden, dus voor 2008 ‘normaal’ was, na een economische inzinking. Nu weten wel allemaal (hoop ik) dat deze inzinking niet normaal is, en dat ook het herstel waarschijnlijk wat langer zal duren dan ‘normaal’. Na een financiële crisis als die van 2008 tot nu toe hebben huishoudens en banken veel tijd nodig om hun onder andere door huizenprijsdalingen aangetaste balansen te herstellen, waardoor de vraag achterblijft: mensen kopen ‘vermogen’ in plaats van ‘productie’, wat neerkomt op het aflossen van leningen en daarmee het vernietigen van ‘geld in omloop’. En dat leidt niet tot meer werk en inkomen… Integendeel. En dit is precies wat er in veel landen gebeurt – en ook in ons land in toenemende mate aan het gebeuren is.

Maar in Duitsland ligt dat anders. Daar was de afgelopen twintig jaar – om wat voor reden dan ook – geen sprake van een huizencrisis. En nu dus ook veel minder van een vermogenscrisis (althans bij de huishoudens, bij de internationaal opererende banken ligt dat anders). Misschien dat het dus niet enkel de verlaging van het arbeidsaandeel in de Duitse productie is, die daar tot het ‘normale’ herstel leidt – een gedachte die nog wordt versterkt door het feit dat de lonen in de Duitse industrie, aanjager van het herstel, hoger liggen dan de gemiddelde lonen in Duitsland (bron: Eurostat). Misschien heeft Duitsland gewoon goede producten voor een hoge prijs: het Mercedes effect (in 2010 begon Mercedes ook in Azie eindelijk fatsoenlijke aantallen auto’s te verkopen…). En misschien heeft Duitsland geen of minder last van een vermogenscrisis. Of misschien is daar, net als in Nederland, het aantal ZZP-ers gestegen. Al met al is het te simpel om enkel met een beroep op de AEP het relatieve Duitse succes te verklaren.

 

Ik wil daar hier het definitieve antwoord niet op geven. Wel wil ik, om dit soort nationale verschillen wat zorgvuldiger in beeld te brengen dan met een composiete, slecht gedefinieerde variabele als de AEP mogelijk is, wat meer licht laten schijnen op de ontwikkeling van de werkelijke productiviteit van de Europese naties. Een eerste stap daarvoor om  is om naar de productiviteit per uur te kijken. We kijken dan dus niet naar de arbeidskosten per eenheid product, maar naar de arbeid (en dit keer dus wel alle arbeid) per eenheid product. In grafiek 1 en 2 wordt dit voor een aantal landen weergegeven ten opzichte van het EU gemiddelde (EU 27).

Opvallende punten:

* Duitsland doet het niet zo best (duidelijk slechter dan het gemiddelde) en heeft nu ongeveer het relatieve niveau van Italië in 1995

* Spanje doet het relatief heel goed en heeft ondertussen Italië en het Verenigd Koninkrijk ingehaald. Overigens komt de snelle groei van de afgelopen jaren deels door de ineenstorting van de bouwnijverheid, een wat ambachtelijke sector met een relatief lage productiviteit. Dit geeft aan dat een hoge gemiddelde productiviteitsgroei niet altijd een zegen is – klein maar fijn doet geen opgeld als het om de economie gaat. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat de Nederlandse Spaanse overheid de vastgoedzeepbel nog langer had moeten opblazen.

* De Italiaanse ontwikkeling is werkelijk zorgwekkend. Ik zie persoonlijk weinig heil in een politiek gericht op een geforceerde toename van de productiviteit maar als economisch historicus moet ik te berde brengen dat het onwaarschijnlijk is – maar dus wel de realiteit – dat een land bijna twintig jaar lang de productiviteit niet weet te verhogen (wanneer we niet naar het relatieve maar naar het absolute niveau kijken is dat voor Italië namelijk het geval). Er komen continu nieuwe, productievere technieken beschikbaar, van betere wegen en vrachtwagens en grotere containerschepen tot streepjescodeskassa’s, melkrobots en gebruiksvriendelijker grafische computerprogramma’s. Dit veroorzaakt overal ter wereld een stijging van de productiviteit, de door paarden getrokken karren in Afghanistan hebben, in tegenstelling tot de Nederlandse die nog in de jaren vijftig gebruikt werden, wielen met luchtbanden en kogellagers – maar Italië ontrekt zich hieraan.

* Het sterk neo-liberale Verenigd Koninkrijk begint ook aardig achterop te raken.

* Nederland staat bovenaan. Vergeet daarbij niet dat het in Nederland een socialist, Joop den Uyl, was die als minister van economische zaken, vijftien jaar voor de ‘winter of discontent’ in het Verenigd Koninkrijk, de Limburgse mijnen sloot. Het denken in termen van economische efficiency is, vergeleken met de Anglosaxische overburen, kennelijk diep in het Nederlandse gemoed gegroefd! Voor zover mij bekend worden er vlak over de grens in Duistsland met behulp van aanzienlijke subsidies nog steeds kolen gewonnen uit deze lagen…  Nederland is wellicht wat minder ‘soft’ dan weleens wordt aangenomen, vooral door Nederlanders zelf. Er is hier, de afgelopen vijftig jaar, warm maar keihard gesaneerd. Arbeid moet nuttig zijn, is ons devies. Maar tegelijkertijd doet Duitsland het goed, ondanks die subsidies voor de kolenmijnen. En Nederland geeft wel weer grote directe en indirecte subsidies aan de banken… waardoor we nu dus, in tegenstelling tot die Duitsers, in de problemen zitten. De ene subsidie is kennelijk toch de andere niet.

De gegevens kunnen ook vergeleken worden met andere Europese landen, in dit geval enkele transitielanden en Griekenland (grafiek 2).

 

*Griekenland deed het min of meer gemiddeld en dus beter dan Duitsland en (de afgelopen jaren) het Verenigd Koninkrijk. Maar ondertussen is het ingehaald door Slowakije…

* En de transitielanden doen het allemaal relatief goed: ze halen de achterstand in, hoewel de terugval in de groei ook de uiterst dynamische ontwikkeling van de economie lijkt te vertragen.

Wat betekent dit alles voor de probleemstelling van dit artikel: welke informatie komt naar voren wanneer we de tamelijk vage ‘AEP’ ontleden en een beter gedefinieerde variabele, de ‘productie per arbeidsuur’, onder de loep nemen? Het blijkt dan dat een land dat het qua productiviteit erg slecht gedaan heeft maar dat geen zeepbel kende, zoals Italië, er momenteel aanzienlijk beter (hoewel niet goed) voorstaat dan landen waar de productiviteit zich wel gemiddeld (Spanje) of zelfs uitmuntend (Ierland, niet in deze grafieken) heeft ontwikkeld maar die wel zeepbellen kenden. Een vergelijkbaar maar minder sterk effect zien we als we Nederland met Duitsland vergelijken. Het met private schulden overladen Nederland vaart mee op het Duitse herstel, en niet andersom, ondanks de relatief zeer gunstige ontwikkeling van de Nederlandse productiviteit.

Voorlopig lijkt het dus verstandig (misschien met uitzondering van Italië) om meer aandacht te geven aan financiële stabiliteit en preventief optreden tegen zeepbellen (bijvoorbeeld door speculatiewinsten op vastgoed af te romen en ‘Duitse’ hypotheekverschaffing) dan aan het concurrentievermogen van landen.

 

2 Responses to “Het concurrentievermogen van de EU – een poging tot verheldering”

  1. Ontzettend wetenswaardig bericht! Ik kan zeggen dat ik dit niet zag aankomen met deze lastige tijden! Is er een manier om me te abonneren op deze onderwerpen?

  2. Lakisha zegt:

    Tonuodhwc! That’s a really cool way of putting it!

Leave a Reply

top