search
top

Een pensioen is geen product. Maar een vage afspraak voor over zestig jaar.

Het nieuwste speeltje uit Brussel: de PEPP, Personal European Pension Plans. Of zoals ik het zie: Personal European Pension Products. Deze PEPP’s zijn, zoals ik het zie, geen welkome bijdrage aan de verdere complexisering van ons financiële bestaan. Het is niet meer dan het nieuwste verdienmodel voor de financiële sector. U weet wel, die sector die na 2008 in Duitsland, Griekenland, Nederland en Spanje met vele tientallen miljarden gesteund is. En die in Spanje mensen die hun spaarcenten er aan toe vertrouwden (inclusief mensen met Alzheimer) voor vele miljarden heeft opgelicht. Om de site Zero Hedge te citeren (8 juni 2016 ): “From Bankia’s doomed IPO in 2012 to the “misselling” of complex preferentes shares to “unsophisticated” retail bank customers, including children and Alzheimers sufferers, all of the scandals have had one thing in common: the banks have consistently and ruthlessly sacrificed the welfare and wealth of customers, investors, and taxpayers on the altar of short-term survival … Despite the untold billions of euros of public funds lavished on “cleaning up” their balance sheets and the roughly €240 billion of provisions booked against bad debt since December 2007, the banks are just as weak and disaster-prone as they were four years ago.”. En Zero Hedge had gelijk. Nauwelijks één jaar na dit alarmistische berichtje is de grote Spaanse bak Banco Popular failliet…
Die sector dus, en niet bijvoorbeeld een net fonds als het ABP, moet uw ‘pensioenproduct’ gaan aanbieden. Een citaat van de site van de pensioenfederatie: ‘De PEPP is een grensoverschrijdend individueel derde pijler product, dat verzekeraars, banken en asset managers zouden kunnen aanbieden’. De lobby is in volle gang. Banken zoals de DSB bank, Banco Popular in Spanje of de zieltogende Deutsche Bank in Duitsland zouden u een pensioenproduct mogen verkopen. Een slecht idee. De burgers als bank voor de banken…
Nu heeft de pensioenfederatie gelijk als ze op haar website stelt dat “in sommige EU- lidstaten een meerderheid van de werkenden geen toegang heeft tot aanvullend pensioen”. Dat is een probleem dat moet worden opgelost. Maar moet dat op Europees niveau? Moet dat via de markt? En moet dat neo-liberaal? Om deze vragen te kunnen beantwoorden zal ik eerst een definitie geven van neo-liberaal waarna ik een metafoor van ons pensioenstelsel introduceer. ‘Neoliberaal’ is een term die gebruikt wordt om het beleid dat door Margaret Thatcher en Ronald Reagan werd geïntroduceerd en dat de decennia daarna verder is uitgerold te beschrijven. Kenmerkend is dat mensen vooral worden gezien als individu en consument en niet als deel van een groep of burgers van een land (burgers zijn natuurlijk ook maar een groep). Problemen moeten worden opgelost via marktcoördinatie, waarbij een staat er is om de markt zo te structureren dat dit optimaal kan – optimaal dan voor de mens als individu en consument. Waarbij bijvoorbeeld, op de arbeidsmarkt, vakbonden zo’n vermaledijde groep zijn, die niet wenselijk zijn. Want dat verstoort het vrije spel van de maatschappelijk krachtigen. En het is extreem: in een typerend en succesvol neoliberaal lesboek als ‘Markten en Overheid’ van Nentjes en Eygelshoven wordt de Poll tax gepropageerd, het idee dat iedereen, rijk of arm, hetzelfde  bedrag aan belasting moet betalen. Want dat verstoort, uitgaande van de niet-sociale mens, de marktprijzen het minst. Ook pleit men voor een belasting op vrije tijd… Extremistische ideeën! Wellicht is dit in de nieuwste druk aangepast, maar het zou aardig zijn als de auteurs ook wat consumententheorie van na 1920 zouden gebruiken. Zie een fantastisch boek als dat van Peter en Olson, ‘Consumer behaviour and marketing strategy’. Op basis van wat werkt gebruiken ze daar geschiedenis, psychologie, neurologie, ideeën over armoede en inkomensverdeling, antropologie enzovoorts om de consument in beeld te brengen. Er is eigenlijk maar één gedachtengoed dat uit dit boek blijft: het neoliberale gedachtengoed over de niet-sociale mens. Want dat werkt niet.
Opmerkelijk bij dit neoliberale denken is dat met een zeer beperkt idee van ‘de markt’ wordt gewerkt: aanbieders zijn bij voorkeur N.V’s of B.V’s en niet bijvoorbeeld coöperaties, maatschappen, vennootschappen, publieke instellingen zoals Staatsbosbeheer dan wel stichtingen zoals het Wereldnatuurfonds of verenigingen zoals Natuurmonumenten. Of bijzondere instellingen zoals de Nederlandse pensioenfondsen. Eén van de redenen waarom veel beleid uit Brussel zo slecht werkt is dat de economen die het ontwerpen letterlijk geen idee hebben van de diversiteit van organisaties die samen de markt (laat staan de maatschappij) vormen – het staat niet in de neoliberale lesboekjes!

Neoliberaal is dus het idee dat u geen deelnemer bent van een pensioenfonds (wat is zo’n fonds voor iets raars?) maar een klant van een bank (Ha! Een N.V.!) die aan u als individu een pensioenproduct aanbiedt. Consumentensoevereiniteit heet dat: u kunt kiezen welke bank! Weg met die rare, on-neoliberale collectieve fondsen, leve de banken markt! Terzijde – er is een zeer uitgebreide literatuur over financiële producten en consumentenkeuze die meer dan duidelijk aangeeft dat het eenmalig aanbieden van zeer complexe producten met looptijden van vele decennia (denk hier tachtig jaar) fraude, zoals het verkopen van riskante beleggingen aan demente bejaarden in Spanje, in de hand werkt. In het boek van Peter en Olson kunt u dat soort ideeën vinden… Maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het over gaat is dat pensioenen geen spaarproducten zijn. Een spaarproduct is een bijeengespaarde pot met geld die in één of meer tranches wordt uitgekeerd, als er na alle beleggingskosten tenminste nog wat over is. Maar zo werken pensioenen niet. Mocht u 120 worden, dan krijgt u nog steeds pensioen uitgekeerd (tenminste, als u bij het ABP zit). Mocht u overlijden voor uw pensioenleeftijd – dan krijgt u niets (uw man of vrouw of jonge kinderen eventueel wel – de uitkering wordt dan overgedragen. Is dat ook zo bij de PEPP’s? Wat staat in de kleine lettertjes?). De logica achter dit systeem is simpel: als u individueel spaart moet u er rekening mee houden dat u 120 wordt. En dus bizar veel sparen. Wanneer we collectief sparen dan kunnen we het benodigde bedrag afkappen op de gemiddelde leeftijd waardoor het te sparen bedrag lager kan zijn.

Ik heb het hierboven over sparen. Eigenlijk is dat niet de goede term. Het tegoed van een pensioenfonds is geen spaartegoed. Het is een buffer. Vergelijk het met een stuwmeer. De pensioentegoeden zijn te vergelijken met het water in het stuwmeer, waarbij er twee ingaande stromen zijn: de premies aan de ene kant en de beleggingsresultaten aan de andere kant. De uitgaande stroom zijn uiteraard de pensioenen. Het stuwmeer moet een groot aantal tuintjes bevloeien: de huishoudens van de pensioengerechtigden. Nu is het zo dat bijvoorbeeld de beleggingsinkomsten zeer aanzienlijk kunnen fluctueren. Het peil van het pensioenmeer daalt dan, of het stijgt. Dit geeft niet: het meer is een buffer en de tuintjes kunnen, als de beleggingsresultaten een aantal jaren tegenvallen, gewoon worden bevloeid. Nu is het zo dat we er tegenwoordig van uitgaan dat wanneer de premies helemaal wegvallen er voldoende water in het meer moet zitten om alle tuintjes te blijven bevloeien totdat de laatste eigenaar onder de groene zoden ligt. Dat idee is ontleend aan (daar is het neoliberale denken weer) de metafoor van het individuele spaartegoed. Een individueel stuwmeertje, waarbij er maar één tuintje is en degene die het water in het meer laat vloeien dezelfde is die het, later, gebruikt. Het is het idee van iemand die een 200.000,– erft en het op de bank zet als individuele brandverzekering. Je hebt dan geen collectiviteit (de verzekering) nodig. Maar bij pensioenfondsen werkt dit niet zo. Ook als u geen premie meer betaalt dan nog blijven er wel andere premie-inkomsten binnen stromen. Wat betekent dat het niveau van het meer niet persé op 100% hoeft te staan, maar ook langdurig, zeg bijvoorbeeld vijftig jaar, op 80% kan staan, of op 50%. Als het geld dat binnenstroomt maar voldoende is om, samen met de buffer, de uitgaande stroom te garanderen. Voor bedrijfsfondsen is dit minder het geval, omdat bedrijven failliet kunnen gaan zodat het aantal nieuwe deelnemers naar nul gaat. Maar voor een overheidsfonds zoals het ABP werkt dit wel zo (u vind dat onrechtvaardig? Ten onrechte, kom ik zo op terug). Terzijde – 130 jaar geleden werd het pensioenfonds van Stork opgericht. Stork is nu failliet. Maar dat pensioenfonds is overgenomen door andere fondsen die wel weer nieuwe deelnemers hebben – collectieve solidariteit. Waar het om gaat: een pensioenfonds hoeft niet noodzakelijkerwijs 100% dekkingsgraad te hebben (en al helemaal niet de knotsikaanse dekkingsgraad van 128% die in Nederland verplicht is) om toch alle toezeggingen te kunnen waarmaken. Het idee dat dit wel zo is komt doordat individuele stuwmeertjes worden verward met collectieve stuwmeren. Collectieve stuwmeren werken anders. Wat op micro-gebied waar is, is dat op macro-gebied vaak niet
Nu kunt u zeggen: er blijft toch een risico! Of: het is niet eerlijk! Natuurlijk: er blijft een risico. En dat is de essentie van een buffer. Dat geeft de tijd met dat risico om te gaan. We worden onverwacht veel ouder dan we dachten en een gemiddelde leeftijd van boven de 90 voor vrouwen kan niet meer worden uitgesloten (hoewel in de VS en het VK recentelijk de gemiddelde sterfteleeftijd daalde…). Ook ligt gemiddelde kindertal in Duitsland en Nederland laag en toekomstige jonge generaties worden steeds kleiner (in Frankrijk, het VK en de VS is dat minder zo). Het is geen enkel probleem als voor dat soort problemen het stuwmeer wordt aangesproken. Het is zelfs onrechtvaardig als dat niet zo is. Daar is het stuwmeer juist voor! Ondertussen kan dan bijvoorbeeld, met flankerend beleid, de pensioenleeftijd worden verhoogd (gebeurt in Nederland zonder flankerend beleid in ijltempo – 3 tot 4 maanden per jaar!). En: ouders met kinderen onder de 18 krijgen stemrecht voor die kinderen, zodat de grijze dictatuur wat minder wordt. Dat soort dingen. We kunnen gebruik maken van het stuwmeer en van het feit dat individuele mensen wel dood gaan – maar bevolkingen niet.

Waarmee ik op het punt van de rechtvaardigheid komt. Het wordt als onrechtvaardig gezien dat mensen interen op de pensioenpot (overigens is het niveau van de pensioenpot nu 100%, ondanks de lage verwachte beleggingsopbrengsten). En dat we ons daarom suf moeten sparen voor de toekomst. Maar wanneer de jongere generaties steeds kleiner worden dan is het tegenovergestelde het geval. Het peil van het stuwmeer moet niet worden bepaald op wat eruit gaat, maar op basis van wat erin komt. Dat geeft de tijd om de uitgaande stroom aan te passen (en komt niet met verhalen dat u een gegarandeerd eindpensioen van 70% van het laatstverdiende loon heeft, dat is, letterlijk, al twintig jaar niet meer zo). Rechtvaardigheid naar de jonge generatie is uiteraard een punt. Maar dan moeten we meer denken aan studieschulden van de jonge generatie en de veel te hoge hypotheken, die opgenomen worden om veel geld aan de huizenverkopende oudere generatie over te dragen. Pensioenzekerheid hoeft dus niet neoliberaal, via de Europese markt. We kunnen beter deelnemer zijn van het ABP, en Nederlands burger, dan consumenten in een Europa met een nepparlement.

De rente moet laag blijven

(mijn maandelijkse stukje voor het vakbondsblaadje)

De beleidsrente van de Europese Centrale Bank is negatief. Wat een goede zaak is. Want het is goed voor bedrijven. En de overheid. En, laten we het hopen, binnenkort ook voor de huishoudens. Niet omdat het de investeringen opkrikt. Maar omdat we goedkoop kunnen herfinancieren. Natuurlijk: er is een levensgroot risico op woningprijszeepbellen? Maar dat is onze fout: aten we eerst de HRA en de verhuurdersheffing afschaffen en de LTV omlaag gooien en meer woningen bouwen in Amsterdam (met erfpacht, natuurlijk)!

draghi

Bron: Mario Draghi.

De reden daarvoor is simpel: (more…)

De pensioenfondsen hebben het best wel goed gedaan. Eigenlijk.

Inleiding.
De discussie over de pensioenen in volle gang. Er wordt daarbij kritisch gepraat over onze pensioenfondsen. Men spreekt zelfs over opheffing ervan en over privatisering en individualisering.
Dat moeten we niet doen.

Want de afgelopen jaren en met name na 2008, toe het er om ging, hebben de publieke fondsen het zo veel beter gedaan dan de private financiële sector. En ik snap natuurlijk dat de private sector juist daarom ageert tegen de fondsen. Dat maskeert je eigen falen. En ach, 2% beheersvergoeding van die 1,7 triljoen die nu nog in beheer is bij de publieke fondsen, dat is natuurlijk 34 miljard. Toch mooi meegenomen….
We dreigen dus het kind met het badwater weg te gooien.: organisaties die het goed gedaan hebben heffen we op en het werk dat ze deden moet uitgevoerd gaan worden door falende organisaties. Helaas wordt de discussie niet altijd even zuiver gevoerd. Er worden nogal wat mythes naar voren gebracht, om de fondsen in diskrediet te brengen. Daar moeten we ons niet door van de wijs laten brengen. Hieronder zal ik daarom een aantal van die mythes ontkrachten.

Mythe 1. De pensioenfondsen hebben het slecht gedaan. De waarheid: ze hebben het uitstekend gedaan.
In het bedrijfsleven ben je goed als je beter bent dan je concurrent. En toen het erom ging, tijdens de crisis, hebben de publieke fondsen het meer dan uitstekend gedaan (grafiek 1). Waar de private pensioenbeheerders meer dan een derde moesten afboeken op het vermogen van hun klanten daar steeg ons pensioenvermogen met maar liefst 15%. Een massief falen van de private. Er zou nu geen discussie moeten zijn over de fondsen – maar over de private uitvoerders! Waar is dat geld, dat van de deelnemers is, gebleven! Ook als je naar het lange termijn rendement van de fondsen kijkt dan is dat zonder meer hoog, terwijl uit de grafiek duidelijk blijkt dat ook na 2009 de private fondsen het ABP c.s. niet hebben kunnen bijbenen. De bedrijfskundige meetlat is duidelijk: juist de publieke fondsen deden het formidabel. En de private fondsen niet. En weer, net als in 2008, roept de private sector de overheid te hulp: die moet nu geen directe steun geven maar de publieke fondsen opheffen…

Naamloos

Mythe 2. We hebben DB pensioenen.

De waarheid: we hebben noch DB, noch DC pensioenen.
Een van de kritiekpunten is dat de pensioenfondsen hun beloftes niet nakomen. Zucht. Al sinds 1996 zijn er geen beloftes meer (verzelfstandiging ABP, wat nodig was in verband met de Euro en vrije kapitaalmarkten en zo). In het buitenland heb je vaak DB (defined benefit) of DC (defined contribution) pensioenen. Bij DB krijg je een gegarandeerd eindbedrag, bij DC leg je een vast bedrag (percentage van je inkomen) in en moet je maar afwachten wat de financiële sector met je centen doet. In Nederland hebben we geen van beide. De premies liggen niet vast en de uitkeringen liggen niet vast. Wie de jaarlijkse pensioenbrief van het ABP heeft bewaard en de contributiebedragen en geschatte uitkering naast elkaar legt ziet dat er al zeker sinds 2001 duidelijk is dat er sprake is van premiestijgingen en uitkeringsverlagingen (o.a. doordat men naar middelloon is overgestapt). Dit is allemaal reuze spijtig en het is ook schandalig dat de VUT vanuit de pensioenpot is gefinancierd en niet vanuit de belastingen, wat dit noodzakelijker maakte. Maar het is al sinds decennia de realiteit en staand beleid. Wie verwacht had een gegarandeerde uitkering te krijgen heeft zitten slapen. Maar die belofte is twintig jaar geleden dus al vervallen. Toen had u boos moeten zijn, het is nu (net als de VUT) geen argument meer in de discussie over hoeveel geld er in de toekomst is. En economen die de termen DC en DB gebruiken in de pensioendiscussie snappen het Nederlandse pensioenstelsel niet. Een ander punt is of er gekort moet worden, op dit moment. Dat kun je je afvragen. Banken mogen toe met 5% eigen vermogen. Pensioenfondsen worden geacht 28% eigen vermogen (eigenlijk: extra spaargelden van de deelnemers) te hebben. Die 5% is laag. Die 28% is weer aan de hoge kant. Dat mag wel een paar procentjes minder. Overigens zitten we nu een paar procent onder de 100% dekking, dat is wel een probleem. Maar we hoeven niet naar 128% toe. Dan spaart u zich nu helemaal suf – en als u dood bent dan profiteren anderen daarvan.

Mythe 3. De rendementen zijn tegenwoordig superlaag, zodat de pensioenen niet uitbetaald kunnen worden.
De waarheid is dat de rendementen op staatsobligaties erg laag zijn. En dat heeft een reden. Staatsobligaties zijn risicoarm. Als het mis gaat dan koopt de ECB ze op (als de ECB dat niet zou doen dan was de Euro al lang uit elkaar gespat, ze hebben geen andere keus). Daarom is de rente erop laag. En dat is schitterend voor het AOW gedeelte van onze pensioenen: voor zover dat gefinancierd wordt met staatsleningen (wat voor een deeltje zo is) is de rente die we daarvoor betalen fors gedaald. Zodat dat goedkoper is geworden. Het is minder mooi voor pensioenfondsen die veel obligaties hebben, althans wat betreft de inkomensstroom. Wel is het ook weer zo dat het vermogen sterk stijgt, omdat de vastrentende oude obligaties een stuk duurder worden. Maar het gaat niet enkel om de staatsobligatierente. Het gaat ook om dividenden op aandelen en huurrendement op vastgoed. Hieronder een grafiek met het totale rendement op beleggingen van Duitse huishoudens (vergelijkbare Nederlandse gegevens heb ik niet). En daar blijkt uit dat op de wat langere termijn bezien het totale rendement (inclusief dividend op aandelen en huuropbrengsten uit vastgoed) helemaal niet extreem laag is (let op: dit is de ‘real return’ i.e. gecorrigeerd voor geldontwaarding). Overigens is het totale rendement van de Nederlandse pensioenfondsen in de periode na 2008 nog aanzienlijk hoger geweest dan wat het in Duitsland voor huishoudens was. Daarnaast: het is voor pensioenfondsen natuurlijk mogelijk om (mits gewijzigde overheidsregels dat toestaan, uw langlopende hypotheek te herfinancieren tegen een percentage dat bijvoorbeeld 1% boven de rekenrente (het geschatte toekomstige rendement dat de pensioenfondsen de komende 60 jaar of zo zullen halen) ligt. Dan hebben de fondsen gegarandeerd een lange termijn rendement dat hoger is dan die rekenrente. Overigens kon ik op internet geen enkel ander land vinden dat met een dusdanig lage rekenrente als Nederland hanteert. Die rekenrente, dat is een geplande rente, vastgesteld door bureaucraten. In dit geval: bureaucraten bij De Nederlandsche Bank, een overheidsinstelling. Die om wat voor reden dan ook (willen ze de pensioendiscussie op scherp zetten?) een extreem lage rekenrente hanteren. In ieder geval: de rendementen die door de pensioenfondsen gehaald zijn blijken op de lange termijn fors boven die Nederlandse rekenrente te liggen…

pensioen2

Mythe 4. We gaan allemaal met 67 met pensioen…
De afgelopen 8 jaar is de de facto pensioenleeftijd gestegen van 61 jaar naar 65,5 nu en dit stijgt pijlsnel (met ongeveer 5 maanden per jaar) verder naar eerst 67 en dan vrijwel zeker 69. Als u nu dus 55 bent dan gaat u waarschijnlijk met 69 met pensioen. Dat scheelt acht jaren waarin extra pensioen wordt opgebouwd. En de hypotheek wordt afgelost. Maar ook 8 jaar minder waarin u pensioen trekt. Stel dat de gemiddelde levensverwachting van 61 jarigen destijds 87 was en dat die van 69 jarigen straks 90 is dan betekent dit dat er in plaats van 26 jaar pensioen slechts 21 jaar pensioen wordt opgestreken. Dat scheelt een kleine 20% in de kosten… En dat zit nog nietcompleet in de rekenmodellen verwerkt.We sparen voor een situatie waarin we met 67 met pensioen gaan. Dat wordt vrijwel zeker 69… en dan hebben we dus, voor een deel, voor niets gespaard.

Mythe 5. U heeft een pensioenpot
U heeft geen pot want ons pensioen is een verzekering. Als u alleenstaand bent en overlijdt – dan krijgen uw nabestaanden geen erfenis uit uw pensioenpot. Want die is er niet. Het grote voordeel hiervan: als u een pot met geld spaart dan moet u er rekening mee houden dat u 100 wordt en dus veel meer sparen dan bij een verzekering zoals wij die hebben. Een verzekering kan (wet grote getallen) namelijk rekening houden met de gemiddelde leeftijdsverwachting (het argument dat er helaas niets overblijft voor uw kinderen is niet correct – als u het geld dat overblijft doordat uw pensioen goedkoper is zelf spaart, dan kan dat naar uw kinderen. Overigens is mijn mening dat dat nergens goed voor is). De ‘ontmantel de fondsen’ lobby schermt vaak met ‘persoonlijke potjes’. Een probleem is natuurlijk wel die overdekking van 28%. Van wie is dat geld, als u overlijdt? U heeft er voor gespaard – maar er geen verzekeringsrechten mee opgebouwd. Die rechten gaan naar de jongeren, jongeren die als het aan de huidige plannen ligt ook nog een keer minder premie moeten gaan betalen… De huidige generatie heeft dan niet enkel de VUT betaalt maar financiert ook nog eens de pensioenen van de generatie na haar! Een onaangename situatie. En ook dit is een constructie van de bureaucratische planners die hierboven al genoemd zijn. En geen besluit van de pensioenfondsen zelf. Daar zou eens een parlementaire discussie over moeten komen.

De pensioenfondsen worden afgerekend op beloftes die ze niet gedaan hebben en vanwege regels die ze opgelegd hebben gekregen en die, zacht gezegd, ter discussie worden gesteld. Het is onjuist om dat de pensioenfondsen aan te regelen. Wel kan worden gedebateerd over de vraag of de generatie die de VUT al betaald heeft er nu ook nog eens voor moet zorgen dat er 28% eigen vermogen in de pensioenpotten moet worden opgebouwd, wat dan zal toevallen aan een volgende generatie…

Over Hans Wansink en het huishoudboekje van de overheid

1
Hans Wansink heeft, in De Volkskrant van 24 december, ongelijk. Dat is jammer want zijn ideeën klinken goed. Een overheid die veel uitgeeft aan nuttige zaken maar die tegelijkertijd ook ‘het huishoudboekje’ op orde heeft – dat is toch precies wat we willen?! En om dat te realiseren stelt Wansink dat niet alleen de lastenverlichting moet worden teruggedraaid maar dat de belastingen ook nogeris omoog moeten! Maar helaas. Dat gaat niet werken. In Denemarken doen ze precies dat – en het werkt niet. Ondanks dat de arbeidsmarkt daar reuze flexibel is, de beroemde Deense ‘flexicurity’.

Want Denemarken heeft een probleem. De particuliere schulden zijn erg hoog. En het zit nu, net als wij, in een ‘balansrecessie’. Geld moet rollen – maar als het geld dat we verdienen wordt besteed aan het aflossen van schulden dan verdwijnt het in een zwart gat, een bestedingslek. Zie de analyse van dergelijke situaties door Richard Koo. Ondertussen is er consensus onder economen dat een financiële crisis veel hardnekkiger is en veel meer schade achterlaat, zelfs als deze voorbij is, dan een gewone crisis. Zie grafiek 1: de afgelopen 23 jaar is de werkgelegenheidsgroei in Nederland veel hoger geweest dan in Scandinavië. Maar vrijwel het hele verschil werd veroorzaakt door de ontwikkelingen in het begin van de jaren negentig, tijdens de Scandinavische financiële crisis. En deze landen hebben dat verschil, ondanks alle flexicurity, nooit meer goedgemaakt. Dat zou nog een klein beetje te accepteren zijn wanneer dit terugbetalen van de schulden zou werken. Maar door de hierdoor veroorzaakte deflatie hoeft dat niet het geval te zijn omdat niet alleen de schulden maar ook het nominale inkomen daalt. De schuldenlast blijft dan gelijk. De jaren twintig van de twintigste eeuw in Engeland zijn hier momenteel, letterlijk, het schoolvoorbeeld van. Keynes heeft dit destijds overigens van te voren al aangegeven. Alle pogingen om de staatsschuld af te lossen draaiden, ondanks de aanzienlijke primaire overheidsoverschotten, op niets uit. Terzijde – in de jaren twintig werden de lonen in Engeland voortdurend verlaagd. Maar na tien jaar loonsverlagingen was de werkloosheid hoger dan ooit.

Dit alles betekent dat de overheid zelfs tegen een zeer hoge prijs moet voorkomen dat financiële crises plaats vinden. De gecumuleerde kosten van zo’n crisis zijn astronomisch. Denk ook aan de schuldencrisis van Zuid-Amerika, in de jaren tachtig. En de belangrijkste les van 2008 is: die crises kunnen ook bij ons plaats vinden! Maar ook heeft de overheid een cruciale rol bij het op peil houden van de bestedingen na een crisis, waarbij het huishoudboekje van de overheid weliswaar een overweging is – maar zeker niet de enige. Beleid gericht op het in de fles houden van de geest is niet altijd werkzaam om de geest weer terug in de fles te krijgen. Het op orde brengen van het huishoudboekje van de overheid ten koste van het huishoudboekje van de huishoudens zal niet gaan werken. Het op peil houden van de bestedingen kan via de overheidsbestedingen maar ook via het stimuleren van de particuliere bestedingen zoals de consumptie of de investeringen. Of door, middels de centrale bank, te hoge private en publieke schuldenlasten dragelijker te maken, bijvoorbeeld door een lagere rente (die op veel lang vastgezette Nederlandse hypotheken nog helemaal niet gedaald is, na 2008!)of door de inflatie proberen aan te jagen (wat niet eenvoudig is voor een centrale bank). Of zelfs door het opkopen en afschrijven van ‘bad loans’ met vers geperst geld. Dit laatste klinkt extreem maar (A) alles beter dan een balanscrisis en (B) bedenk dat de geldgroei in onze economie niet zozeer gekoppeld is aan de productie-economie (waar ook Wansink het over heeft) maar aan het verstrekken van hypotheken voor bestaande woningen, wat tot sterk inflatoire stijging van de woningprijzen en de daaraan gekoppelde leningen leidde, waarbij die leningen dan wel weer vanuit de niet geïnflateerde productie-economie moeten worden terugbetaald. Wat dus na sterke woningprijsstijgingen niet kan: woningprijsinflatie is heel wat giftiger dan consumentenprijzeninflatie waarbij zowel inkomens als prijzen stijgen! En waarbij tijdens maar ook voorafgaande aan een crisis veel van dit geld uit omloop kan verdwijnen doordat het dan wel opgepot wordt of op spaarrekeningen wordt gezet. En dan blijft er alweer niet genoeg geld meer over om de schulden (die tot de geldgroei hadden geleid!) af te betalen. Als je water uit een bron oppompt en het stroomt weg dan kun je de bron er niet meer mee aanvullen. Wel zal bij een dergelijk beleid uiteraard de Balkenendenorm moeten worden toegepast op het bankwezen.

Sweden2

Grafiek 2 is dezelfde grafiek als grafiek 1 maar dan met 2002 = 100 in plaats van 1992 = 100. Hier blijkt hetzelfde als uit grafiek 1. Door tijdelijk te devalueren wist Zweden de ontkomen aan de grootste klap van de financiële crisis. Zweden kon dit, anders dan Denemarken, doen doordat de Zweedse munt niet aan de Euro gekoppeld is. Het angstwekkende: het lijkt erop dat een paar maanden goed beleid in Zweden en slecht beleid in Denemarken het hele verschil in ontwikkeling kunnen verklaren, de economie sprong kennelijk in Denemarken van een ‘goed evenwicht’ naar een ‘slecht evenwicht’ – een balansrecessie.

Wat nogmaals aangeeft dat de overheid er preventief alles aan moet doen om de geest niet uit de fles te laten. De Zweedse overheid doet dat momenteel niet: er is een duidelijke, krediet gedreven zeepbel op de Zweedse woningmarkt. Maar één van de belangrijkste manieren om de geest in de fles te laten of om hem er (altijd lastig) weer in te krijgen is ervoor te zorgen dat mensen hun schulden kunnen terugbetalen. Wat juist betekent dat de inkomens niet afgeknepen moeten worden. Ook als dat betekent dat het huishoudboekje van de overheid niet direct op orde is. Terzijde: veel bedrijven kopen momenteel aandelen terug. Saai en niet bepaald ondernemend. Maar het betekent ook dat we ons niet echt zorgen hoeven te maken over de huishoudboekjes van dit soort bedrijven. En ons wel zorgen moeten maken over het disfunctioneren van de vakbonden.

De schulden zijn te hoog. Eigenlijk weten we niet goed hoe we dat probleem moeten oplossen. Maar het afknijpen van inkomens helpt ons enkel van de regen in de drup. Ook in de Scandinavische landen.

Seculaire stagnatie, een (niet zo) nieuw begrip

Ik schrijf ongeveer elke maand een stukje voor het vakbondsblad (UNIE/NFTO), ik zal ze voortaan ook hier plaatsen.

Van de week stond in de krant dat het Erasmusziekenhuis een nieuwe robotwasstraat voor ziekenhuisbedden heeft. Chirurgen experimenteren met 3-D printen tijdens operaties op ongeboren kinderen met een open ruggetje. Zelfs in de oerconservatieve bouwsector worden nieuwe woningen in toenemende mate standaard opgeleverd met zonnecellen of zonnecollectoren. De zelfsturende (vracht)auto is (eigenlijk al een paar jaar – die vrachtwagens rijden al, zij het nog met chauffeur) een feit. En de smartphone-revolutie, daar weet u alles van. De techniek schrijdt snel voort. Maar dat zien we niet terug in de economische groei. De jongste cijfers van het Bruto Binnenlands Product laten zien dat de productie terug is op het niveau van 2008. Maar dat is ongerekend de groei van de bevolking. En ondanks de technische vooruitgang. Voor een enigermate vergelijkbare situatie moeten we 80 jaar terug, naar de jaren dertig. En veertig. En vijftig. Pas in 1953 was de productie per capita weer terug op het niveau van 1929. Natuurlijk, de oorlog speelde een grote rol. Maar al in 1948 was de directe schade daarvan zo goed als hersteld – waarna het tot 1953 zou duren voordat de na-oorlogse groeigolf begon. In de jaren dertig werd voor zo’n situatie – stagnerende groei van inkomens, bestedingen en productie, ondanks voortschrijdende technische ontwikkelingen – de term ‘seculaire stagnatie’ bedacht. Die is nu weer uit de mottenballen gehaald. En niet voor niets. Veel economische modellen gaan ervan uit dat de vraag na een crisis altijd wel weer op gang komt, ‘vanzelf’. Zelfs als deze modellen sterk worden aangepast aan problemen met stijgende werkloosheid en een laag investeringsniveau dan nog zitten ze zo in elkaar dat we, na enige tijd, ‘vanzelf’ weer op het oude groeipad komen. Maar dat is nu dus niet zo, ondanks agressief monetair beleid en lage olieprijzen. Zie de grafiek. Het zwarte stippellijntje (de realiteit) wijkt aanzienlijk af van zelfs de aangepaste model-resultaten van de modellen van de Europese Centrale Bank (NAWM) en het model van de Europese Commissie (Quest). En dat komt omdat deze modellen er vanuit gaan dat aanbod zijn eigen vraag schept (voor economen: de wet van Say). Wat nu dus niet zo is. Net zomin als dat 80 jaar geleden het geval was. Werklozen (een aanbodfactor) komen kennelijk niet ‘vanzelf’ aan het werk. En nieuwe technieken worden kennelijk niet ‘vanzelf’ optimaal benut.

rotBron: Ansgar Rannenberg, Christian Schoder, Jan Strasky (11 november 2015) ‘The macroeconomic effects of the Eurozone’s fiscal consolidation’, http://www.voxeu.org/article/austerity-s-impact-ez-growth-2011-2013

De vraag is natuurlijk: hoe komt dat? Waarom was er, na 1953, bijna zestig jaar een situatie waarin het weliswaar af en toe wat minder ging maar waarbij er daarna toch weer een inhaalslag was, terwijl de trend betrouwbaar één kant uitging: omhoog? En waarom is dat nu niet meer zo? Economen wijzen dan op verschillende factoren zoals hoge private schulden in combinatie met gedaalde prijzen van woningen. En op toenemende ongelijkheid (rijke mensen sparen meer en besteden relatief minder). Ook negatieve terugkoppeling vindt plaats: extreme werkloosheid (zeg: meer dan 8%) leidt tot een groep van mensen die moeilijker aan het werk komt en daarmee ook op de lange termijn minder zal besteden. En lagere inkomens en meer onzekerheid (denk aan de pensioenen!) leidt er ook al toe dat mensen minder gaan besteden en meer gaan sparen. Daarnaast is (en dat is echt anders dan in de jaren zestig) sprake van vergrijzing, waarbij vooral de generatie tussen de 50 en de 70 relatief veel spaart en weinig uitgeeft. Momenteel is die generatie erg groot! Dit alles is een groot verschil met de jaren vijftig, zestig en zeventig, toen het schuldenniveau en de ongelijkheid laag waren, terwijl er veel jonge mensen waren. Maar hier valt uiteraard een boek over te schrijven. Opmerkelijk is wel dat er drie standaardvoorbeelden zijn van landen die, in de jaren dertig dan wel veertig, uit de situatie van ‘seculaire stagnatie’ wisten te komen. Duitsland, Japan en de VS. Daar kunnen we van leren. Maar dat moet dan wel de juiste les zijn. Duitsland in wezen door het invoeren van een nieuwe munt naast de oude, waardoor een parallelle economie kon ontstaan met lage schulden. En alle drie de landen door het opvoeren van de overheidsbestedingen. En dan in het bijzonder de bestedingen aan wapens (onderschat dat niet: tijdens het Ardennenoffensief was op een gegeven moment sprake van een file van Amerikaans oorlogsmaterieel van Metz tot bijna aan Bastogne!). Hoe dat afgelopen is weten we allemaal. De overheden wisten de nieuwe technieken wel in te zitten, waar dat ‘de markt’ niet voldoende lukte. Met als apotheose uiteraard de 200.000 mensen die in de VS in wezen in no-time de Atoombom in elkaar wisten te zetten. Het werkte: de seculaire stagnatie werd doorbroken. Mensen kwamen aan het werk, de productie nam sprongsgewijze toe, in de VS sneller dan ooit voor of na die tijd. Maar of het nou op die manier moet… Om een lang verhaal kort te maken: het is hoog tijd om te investeren in tientallen miljoenen vierkante meters aan zonnepanelen. En honderden robotwasstraten voor bedden. En 10.000 extra woningen in (niet om) Amsterdam. Dat lijkt me beter dan de oorlog in Syrië (waar ongeveer 40% van de bevolking al van huis en haard verdreven is) verder op te stoken. En dan kunnen, gek genoeg, de pensioenen eindelijk ook weer omhoog. En o ja, Griekenland, daar moet naast die Euro gewoon een nieuwe munt komen, die niet belast is met torenhoge schulden. Seculaire stagnatie valt te bestrijden. Maar niet elke oplossing is even goed. Het blijft mensenwerk.

 

Page 1 of 8812345...102030...Last »
top