search
top

Pensioen in Nederland: een poging de discussie te ontwarren.

Update: Naar aanleiding van twitterdiscussies enige aanvullingen:

@Jvanwensen (Jeroen van Wensen) had de zeer terechte opmerking dat de pensioenfondsen redelijk ruim de tijd krijgen de dekkingsgraad te herstellen. Dit betekent dat het gevaar van over- of undershooting dat je loopt als je lange termijn beleid gaat voeren op basis van korte termijn veranderingen in de rentetermijnstructuur wordt gemitigeerd. Je kunt natuurlijk discussiëren of die 28% overdekking wel nodig is, maar dat is een andere discussie. Het basispunt van Jeroen is helemaal terecht en is een duidelijke en noodzakelijke nuancering van de punten die ik hieronder had aangegeven.

Daarnaast is er uitbundige twitterdiscussie geweest met pensioendeskundigen. Ik zie geen reden om titel of jota van het onderstaande op basis daarvan te wijzigen. Moeizaam is wel dat ik schrijf dat de rentetermijnstructuur voor elk jaar een andere hoogte heeft en dat ontkend wordt dat ik dat schrijf. Of dat gesteld wordt ik het principe van salderen aangeef (je leent als het ware tegen 0% van deelnemers die nu inleggen om de huidige pensioenen te betalen, zodat je bestaande lange termijn beleggingen kunt laten staan) niet begrijp, terwijl het wordt uitgelegd in het onderstaande artikel. Of dat wordt aangegeven dat deze voorbeeldjaarrekening voor pensioenfondsen van KPMG (potverdikkeme: de huisaccountant van het ABP die daar in 2017 3,1 miljoen aan verdiende…) geen belangrijk document is en dat ik daar geen meningen op mag baseren maar dat ik mij moet baseren op de wet. Zucht. De voorbeeldjaarrekening is (o.a.) gebaseerd op JR 610 en JR 610 is weer gebaseerd op die wet, waarbij veel in de wet genoemde zaken geoperationaliseerd worden. Verder is er verwarring over het begrip ‘voorspelling’. De pensioenfondsen moeten (zie weer document JR 610) hun verplichtingen voor een lange periode vooruit bepalen, op basis van allerlei toezeggingen die zijn gedaan. Dat zijn ramingen en die noem ik voorspellingen. Dat die ramingen via wettelijke rekenregels exact bepaald kunnen worden betekent niet dat ze ook werkelijkheid zullen worden. De voorspelling is precies – maar daarmee niet zeker. En, zoals John Maynard Keynes ooit zei: “it is better to be roughly right than to be precisely wrong”. Al met al zie ik op basis van deze discussie geen aanleiding wat dan ook aan te passen. Ik heb ondertussen wel een Excelletje gemaakt met daarin de rentetermijnstructuur (oktober 2018), de daarop gebaseerde disconteringsfactoren en een ruwe schatting van de geraamde toekomstige verplichtingen van het ABP (gebaseerd op de jaarrekening, lang leven JR 610) waarmee ik eenvoudig het effect van bijvoorbeed een ondergrens van 0% voor de op de dekkingsgraad kan doorrekenen. 0,01. Volgen we de Duitsers en leggen we er een bodem in die gelijk is aan de inflatiedoelstelling van de ECB (1,9%) dan gaat de dekkingsgraad rond de 6 punten omhoog.

Een verontrustend punt is wel dat de deskundigen blijk geven van marktfundamentalisme. Maar markten hebben fundamentele problemen. Dat geldt ook voor pensioenen. Wat bedoel ik? Er zijn verschillende manieren om pensioenen te regelen die allemaal hun voor- en nadelen hebben, kijk hier voor een CPB document dat de institutionele structuur en de gevolgen daarvan voor prijsvorming en ‘pech’ en ‘geluk’ generaties in beeld brengt (vooral verschil tussen een puur ‘individueel financieel product’ gerichte premieovereenkomst en een meer collectieve uitkeringsovereenkomst. Kijk hier voor een ILO document dat het internationale drama van de privatisering van pensioenfondsen in beeld brengt: unrestrained moral hazard and agency problems galore”. Op zijn hollandsch: je wordt genaaid waar je bij staat. De ‘tucht van de markt’ werkt als er veel concurrentie is en mensen frequente aankopen van simpele producten doen op een markt. Daarbij is een fundamenteel aspect van een markt (en dit staat in tegenstelling tot al het voorgaande niet in de leerboekjes) is dat er voordat er een transactie plaats vindt overeenstemming is over de prijs (of op zijn minst over de wijze van prijsbepaling) en kwaliteiten, hoeveelheden en tijdstippen. Als er te weinig informatie over kwaliteiten, hoeveelheden en prijzen is of als er infrequente transacties zijn van complexe producten dan is het zowel lastig om duidelijke formele dan wel informele contracten te bepalen en de verkoper, die meer van de producten afweet dan de koper, kan de zaak flessen (dat staat dan allemaal wel weer in de leerboekjes, het zijn geen nieuwe dingen die ik naar voren breng). Markten werken dan niet en andere, meer op solidariteit dan op contracten gebaseerde, vormen van uitwisseling nemen over. Denk aan de huwelijksgelofte: “in goede en in kwade tijden”. Duidelijk is dat pensioenen niet voldoen aan de eisen voor een markt zonder uitbuiting. Duidelijk is ook, via het ILO rapport, dat dit in de praktijk ook blijkt. Er is te veel onzekerheid, de termijnen zijn te lang, de producten zijn te complex en er is te weinig concurrentie om de pensioenen in marktcontracten onder te brengen. Dan zullen we dus (en dat doen we ook, zie de opmerking aan het begin van Jeroen van Wensen) andere vormen van coördinatie en uitwisseling moeten toepassen. Het idee dat enkel marktcontracten gebaseerd op de rentetermijnstructuur ‘eerlijk’ zouden zijn is wat dat betreft onjuist. De rentetermijnstructuur is namelijk discutabel. Andere landen gebruiken bijvoorbeeld een andere rentetermijnstructuur. En de rentetermjnstructuur schiet alle kanten uit: het is geen goed kompas, zie het CPB document. En we kunnen wel contracten afsluiten waarbij alle statistische risico wordt afgewenteld op de pensioenontvanger maar dan nog zitten we met fundamentele onzekerheid. Misschien valt Rusland vandaag nog Oekraïne binnen (preciezer: het westelijk deel van de Oekraïne). Misschien gaat de rente wel weer omhoog. We weten het gewoon niet (Wat we wel weten is dat de ontwikkeling van de rente op de lange termijn een globaal en geen nationaal karakter heeft). Contractjes afsluiten en dan denken dat dat alle onzekerheid doet verdampen als rendement door ECB beleid lost dat probleem niet op.

Inleiding.
Er is nogal wat discussie over de liquiditeit en de solvabiliteit van de Nederlandse pensioenfondsen. Daarbij is er veel verwarring. men probeert zowel liquiditeit als solvabiliteit samen te vatten met het begrip ‘dekkingsgraad’. Mensen begrijpen elkaar daarbij niet terwijl ze hetzelfde zeggen. Onderstaand een poging daar verbetering in te brengen. Omdat ik van mening ben dat de verwarring deels komt doordat verschillende discussies tegelijkertijd worden gevoerd is de structuur van het onderstaande gebaseerd op een manier om (een deel van) de onderzoekscyclus in beeld te brengen:

* Methodiek : balans, overzicht van kosten en opbrengsten en de liquiditeitsrekening
* Het verzamelen van gegevens (‘resultaten’)
* Het bewerken van gegevens (met name het bepalen en gebruiken van de disconteringsrente)
* De discussie en interpretatie van de gegevens
# Technische discussie
#  Inhoudelijke discussie
# Interpretatie
* Conclusie

Bij de interpretatie en de inhoudelijke discussie ga ik ook in op de omgevingsbeschrijving, de vraagstelling, de onderzoeksdoelstelling en de beleidsdoelstelling. Die zijn allemaal redelijk bekend en hoeven hier niet te worden herhaald. Wel ga ik in op iets wat dusdanig bekend is dat het te weinig wordt bekend (‘de vis en het water’), namelijk dat de methodieken om de liquiditeit en de solvabiliteit van pensioenfondsen te beoordelen de belangrijkste en meest gebruikte economische modellen zijn die economen ontwikkeld hebben, namelijk de balans, het overzicht van opbrengsten en kosten en de liquiditeitsrekening. Deze methodieken dienen om inzicht te geven in de vragen naar de hoogte en samenstelling van activa, passiva, opbrengsten, kosten, ingaande geldstromen en uitgaande geldstromen zowel als korte en (vooral bij pensioenfondsen van belang) lange termijn veranderingen daarin. Uiteindelijk is de dekkingsgraad een simpele balansanalyse waarvoor, zoals voor alle technische balansanalyses, geldt: ‘garbage in – garbage out’. Liquiditeits- en sovabiliteitsmaatstaven gabseerd op balansanalyse geven een aanvullend inzicht in de betekenis van de cijfers maar zijn nooit beter en wellicht, omdat een additioneel instrument wordt gebruikt om de data te analyseren, soms zelfs slechter dan de gegevens die op de balans staan. Verder wijs ik hier op een recente column van Tyler Cowen over het verschil tussen historici en economen: relatief meer aandacht voor de realiteit versus het om verschillende sociale, economische maar ook inhoudelijke redenen vertrouwen op de modellen die worden gehanteerd.

  1. De basismethodiek: de balans, het overzicht van opbrengsten en kosten en de liquiditeitsrekening

Zoals vrijwel elke economische organistie moeten pensioenfondsen niet alleen een balans, een overzicht van opbrengsten en kosten en een liquiditeitsrekening maken maar moeten deze ook aan formele eisen voldoen. Deze eisen zijn te vinden in onder meer Jaarverslag richtlijn 610 en richtlijn 290. Bijzonder richtlijn 610 is dat deze de pensioenfondsen (uiteraard) verplicht om op de zeer lange termijn te kijken. Daarnaast – en daar beginnen de problemen – worden de bezittingen (activa) indien mogelijk gewaardeerd op marktwaarde terwijl de passiva (met name de toekomstige uitkeringen, die balansmatige een soort van achtergestelde schuld zijn in Nederland) berekend worden middels het disconteren van geschatte toekomstige uitkeringen. De disconteringsvoet is daarbij de bekende door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentetermijnstructuur, belangrijk is overigens ook dat De Nederlandsche Bank niet alleen de rentetermijnstructuur vaststelt maar ook nog eens toezichthouder is. Ingewikkelder dan dat is het niet. Men neme de beurswaarde van de aandelen, men neme de schatting van de toekomstige uitkeringen, men discontere deze uitkeringen met de rentetermijnstructuur en: klaar is uw balans! Niet alle activa kunnen op basis van marktwaarde worden gemeten (waarbij ‘marktwaarde’ hier, in navolging van richtlijn 610, wordt gedefinieerd als de verkoopwaarde op een beurs of andere liquide markt op een specifieke datum). In dergelijke gevallen moet er gebruik worden gemaakt van dan wel taxaties of, in het uiterste geval, van economische modellen zoals die onder meer in richtlijn 290 beschreven zijn (ik ken de modellen van de fondsen niet, het kan zijn dat ze enigermate afwijken van richtlijn 290 maar ze zullen zeker vergelijkbaar zijn). Volgens de gegevens in de jaarrekening van het ABP wordt verreweg het grootste deel van de activa echter gebaseerd op ‘marktwaarde’. Terzijde – kennelijk wordt in de pensioenwet ook de uitkomst van modelberekeningen ‘marktwaarde’ genoemd, in dit artikel zal een dergelijke uitkomst verder ‘modelmatige waarde’ worden genoemd. In het jaarverslag van het ABP zijn verder drie liquiditeitsrekeningen te vinden, een maandelijkse van het afgelopen jaar, een rekening die tientallen jaren vooruit voorspelt en een rekening van de afgelopen twee jaar. Belangrijk: liquiditeitsrekeningen geven nominale en geen gedisconteerde waardes aan.

2. Het verzamelen van de gegevens.

Hier kunnen we kort over zijn: de interne boekhouding zal de basisgegevens voor de activa zowel als de nominale passiva opleveren, terwijl informatie over beurskoersen en taxaties de benodigde externe informatie op zal leveren. Belangrijk zijn uiteraard gegevens over aantallen deelnemers, inkomende en uitgaande kasstromen en de (looptijd van) bezittingen en dergelijke.

3. Het bewerken van de meetgegevens

Hoe worden de ruwe gegevens bewerkt? De basismethode is om ze samen te vatten in een staat van baten en lasten, een balans en een liquiditeitsrekening. Daarbij is sprake van marktwaardering van de bezittingen en discontering van de verplichtingen: bezittingen moeten bij voorkeur worden gewaardeerd op basis van beursnoteringen en dergelijke. Een belangrijk aspect van de balans van de Nederlandse pensioenfondsen is dat deze, wanneer de bezittingen groter zijn dan de verplichtingen, dit aangeeft met ‘eigen vermogen’. De uit te keren pensioenen zijn daarmee geen eigen maar (achtergesteld) vreemd vermogen van de fondsen terwijl de door De Nederlandsche Bank gewenste 28% overdekking, kennelijk, bezit is van het pensioenfonds. Bij het ABP gaat het bij dat gewenste vermogen om 100 miljard, of zo. Dat geld is, kennelijk, niet van de deelnemers. Een belangrijk aspect van het disconteren van de verplichtingen is dat De Nederlandsche Bank het rentepercentage waarmee gedisconteerd moet worden bepaalt. Aardig is dat voor elk jaar een andere rente wordt gebruikt! Bijzonder is dat de gebruikte rente zoals vastgesteld door De Nederlandsche Bank door de tijd heen erg variabel is, wat noodzakelijkerwijs tot uiterst variabele voorspellingen leidt. Grafiek 1 laat zien dat de rente zowel op de korte als de lange termijn vele percentages kan dalen (en, zoals het verleden leert, ook kan stijgen). Zoals bekend is de korte (tot een jaar) en middellange termijnrente na 2014 nog verder gedaald (grafiek 2). Belangrijk is de variabele ‘dekkingsgraad’ wat niet ingewikkelder is dan de waarde van de bezittingen te delen door de waarde van de verplichtingen. Samengevat en slechts beperkt versimpeld wordt (1) op basis van voornamelijk beurskoersen en marktnoteringen de marktwaarde van de bezittingen vastgesteld, (2) de schatting van de toekomstige pensioenuitkeringen gedisconteerd met een door De Nederlandsche Bank bepaalde rentepercentage en worden (3) deze twee door elkaar gedeeld. Hieruit volgt de dekkingsgraad.

Grafiek 1. De rentetermijnstructuur zoals vastgesteld door DNB in 2001, 2002 en 2014
rts

Grafiek 2. De verdere daling van de rentetermijnstructuur na 31 december 2014, aangegeven met de korte termijn rente.

3. Risk free.

4. De technische en inhoudelijke discussie 

Wat is de waarde van de bewerkte gegevens? Om dat te bepalen zullen we te rade moeten bij de jaarrekening van het ABP. We kijken eerst naar de opbrengsten en de kosten volgens de jaarrekening van het ABP .

Tabel 1. Opbrengsten en kosten van het ABP, 2016 en 2017.

Longerm17

De blauwe vinvis in de goudvissenkom: de gevolgen van de ‘ontwikkeling van de marktrente’ (de verandering van de berekende waarde van de bezittingen die het gevolg is van een verandering van de door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentevoet die gebruikt moet worden om de geraamde uitkeringen te disconteren) zijn – gigantisch. Het ene jaar daalt de berekende waarde van de verplichtingen met 5 miljard en het andere jaar stijgt deze met 32 miljard. Het totale verschil tussen deze twee jaren is 37 miljard, oftewel ongeveer 18.500 Euro per deelnemer (werkenden en gepensioneerden bij elkaar opgeteld). Dat is ongeveer ongeveer 5% van het Nederlandse BBP.

De technische reden voor deze grote veranderingen is simpel. Er is een voorspelling voor de uitgaande kasstromen voor ongeveer 60 jaar vooruit. Wanneer vandaag de rente verandert dan wordt deze hele serie, omdat vandaag de rente anders is, aangepast en dus eigenlijk meet 60 vermenigvuldigd. je kunt je afvragen of dat wenselijk is. De rentes die gehanteerd worden om de disconteringsvoet te hanteren zijn (zeker voor een periode tot tien jaar vooruit) dagrentes: rentes die vandaag actueel zijn. Dat zijn zowel rentes voor korte termijn leningen als voor lange termijn leningen. Maar ook de rentes voor lange termijn leningen zijn geen voorspellingen voor de toekomstige rente op lange termijn leningen. Ze zijn gebaseerd op contracten die vandaag worden afgesloten, het zijn geen voorspellingen van de rente in de toekomst. Natuurlijk, je kunt ze vandaag gebruiken om dit soort leningen (in het geval van de rentetermijnstructuur: risicovrije rentes oftewel het rendement op staatsobligaties) te verhandelen. Maar die handel vindt plaats op basis van grotendeels korte termijn motivaties. Hoewel het dus geen voorspellingen van de toekomstige rente zijn worden ze wel gebruikt om een voorspelling te maken, namelijk voor het disconteren van de voorspelde nominale pensioenuitkering. Zodat je een gedisconteerde voorspelde toekomstige uitkering krijgt. Natuurlijk, de rentes voor de langere looptijden in de rentetermijnstructuur krijgen steeds sterker het karakter van een voorspelling. Ze worden namelijk naarmate de looptijd langer is in toenemende mate gekoppeld aan de ‘Ultimate Forward Rate’. Deze ‘UFR’ is wel een voorspelling van de toekomstige rente.

Desondanks is het gebruik van dagrentes discutabel, zie Wiemer Salverde daarover. Het leidt tot irrealistische en daarmee onacceptabele variabiliteit van de voorspellingen van de gedisconteerde waarde van de uitkeringen. Is het realistisch dat als vandaag de rente ietsje daalt, we daarom de waarde van de uitkeringen van over zestig jaar fors moeten opwaarderen? Je kunt je ook afvragen of de UFR juist is vastgesteld. Recentelijk is veel en veel meer informatie beschikbaar gekomen over historische rendementen van verschillende beleggingscategorieën. Daarbij kwamen zonneklaar twee feiten naar voren kwamen: (1) de verschillende categorieën (obligaties, aandelen, vastgoed, ‘equity’) waren slechts in beperkte mate met elkaar verbonden en (2) de historische rendementen tussen 1870 en 2015 waren veel hoger dan de nominale groeivoet van de economie. Ik kan het niet laten hier mijn bijdrage aan te geven:

Grafiek 3. Rente in Nederland, 1537-2017 (hypotheekrentes en rendement op staatsobligaties)

Longdutch

Duidelijk is dat het huidige lage renteniveau een historische anomalie is. Natuurlijk, in Japan is de rente al langere tijd laag. Wanneer dit wordt gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het prijsniveau dan blijkt de ontwikkeling in Japan echter niet wezenlijk te verschillen van die in andere landen, zoals aangetoond door  Jordà et all. Waarbij we bij de vraag komen of de inflatieverwachting mee moet worden genomen in de berekening van de UFR. De UFR is momenteel (Nederlandse berekening) 2,6%. Historisch gezien is dit aan de lage kant, in Duitsland berekenen ze momenteel echter een UFR van rond de 3,5% waarbij rekening wordt gehouden met de inflatiedoelstelling van de ECB. Persoonlijk vind ik een koppeling aan de ontwikkeling van het nominale BBP verstandiger – maar ook daar zit natuurlijk een prijscomponent in. Hoe dan ook: de rente is variabel, wat betekent dat het op basis van de dagrente zestig jaar vooruit voorspellen van de gedisconteerde waarde van de verplichtingen tot wat in het systeembeheer ‘overshooting’ heet kan leiden. Een tijdelijke lage (of hoge) waarde van een variabele leidt dan tot bijsturing van het systeem waardoor, wanneer de variabele zijn tijdelijke stand verlaat er juist een te hoge (of te lage) waarde gaat optreden. Vergelijk een oude campingdouche die dan weer heet en dan weer koud is. Wanneer de douche koud is en je de hete kraan verder opendraait loop je de kans dan het water alweer naar ‘heet’ gewisseld is en je doordat je het systeem naar boven hebt bijgesteld veel te heet water hebt.

Dit geeft ook aan dat de term ‘risicovrij’ goed geïnterpreteerd moet worden. De risicovrije rente is nogal variabel en dus riskant. ‘Risicovrij’geeft alleen maar aan welke rente je vandaag krijgt als je je geld ‘zeker’ vastzet, je hebt dan nog wel steeds het risico dat die rente morgen hoger of lager is. Verder is er een interpretatie van de waarde van de bezittingen die erop neerkomt dat die waarde bepaald wordt door de ‘in de markt’ verwachtte toekomstige stroom van nominale inkomsten van een bezitting (inclusief de eventuele verkoopwaarde op een bepaald moment), gedisconteerd met een rente die bestaat uit de risicovrije rente en een opslag voor risico. Dit gaat uit van een rationele financiële markt. De praktijk is dat vaak nog de toekomstige opbrengsten nog het risico bekend is. Belangrijk is dat deze manier van nadenken over de waarde van aandelen, obligaties en vastgoed een interpretatie van de marktnoteringen is. Er valt, zeker bij obligaties, iets te zeggen voor die interpretatie. Er valt ook wat tegenin te brengen. De belangrijkste factor die dit tegenspreekt is onzekerheid. Risico zoals financiële economen deze term hanteren is een statistisch begrip: je kijkt naar de variabiliteit in het verleden en berekent dan een risico-interval. Dit houdt geen rekening met fundamentele onzekerheid: we weten niet wat de toekomst brengt. Een pensioensysteem moet ook wat dat betreft robuust zijn.

Daarmee komen we bij een meta-aspect van het gebruik van de rekenrente. Een term die vaak terugkomt in de discussie is ‘eerlijk’. Een hoge rekenrente zorgt voor lage geschatte gedisconteerde toekomstige verplichtingen en daarmee voor hoge uitkeringen vandaag. Een lage rekenrente zorgt voor het omgekeerde: er moet worden gekort. Wat is dan de juiste rekenrente? De dagrente van 2001? Die van 20014? Of die van 2018? Daar komt nog een aspect bij. Ondanks dat er met de zogeheten risicovrije rente rekent moet er toch een buffer (‘eigen vermogen’, volgens de balans) van rond de 28% worden aangehouden door de Nederlandse fondsen. Voor elke gedisconteerde Euro die volgens de schattingen moet worden uitgekeerd moet er 1,28 Euro aan marktwaarde van het vermogen op de balans staan. Is dat ‘eerlijk’ voor de generaties die dit bedrag bijeen moeten sparen en moeten overdragen aan het pensioenfonds? Hiermee betreden wij, in Nederland, een moreel en conceptueel mijnenveld.

Want: wat is eerlijk. Het was volgens mij lange tijd zo dat iemand die een voltijdbaan had en 50.000,– inkomen had ongeveer evenveel inlegde als iemand die een halftijdse baan had en ook 50.000,– inlegde. Maar waarbij de persoon met de voltijdsbaan recht had op meer pensioen omdat dit gekoppeld was aan inkomen maar ook aan ‘pensioenjaren’ oftewel het aantal voltijdse jaren dat iemand gewerkt had. Ik vind dat wel eerlijk. Een ander vindt dat wellicht niet en is van mening dat de uitkering gebaseerd moet zijn op ingelegd geld en daadwerkelijk behaalde rendementen. Sociale eerlijkheid (iemand heeft 45 jaar voltijds gewerkt en verdient dus een voltijds pensioen) tegenover financiële eerlijkheid (iemand heeft de mazzel gehad dat tijdens zijn of haar looptijd de daadwerkelijke rendementen hoog waren en heeft dus recht op een hoog pensioen). En de derde vind het eerlijk als de huidige pensionado’s (en daarmee overigens ook de toekomstige) gekort worden omdat de dagrente vandaag gedaald is: modelmatige ‘eerlijkheid’ waarbij het erom gaat dat je kansen in het modelmatige pensioenspel dat gespeeld wordt worden gemaximeerd. Laten we proberen dit simpeler te maken.

Ten eerste is de disconteringsvoet, zoals Rauh ook aangeeft, niets meer dan een minimaal verwacht rendement op staatsobligaties. En die varieert nogal wat, omdat die variatie zestig jaar wordt doorgerekend (waarbij sprake is van samengestelde interest!), tot een enorme variatie in de berekende waarde van de verplichtingen leidt. In plaats van de verplichtingen te disconteren kunnen we daarom wellicht beter, of in ieder geval ook, naar de liquiditeitsrekeningen van de pensioenfondsen kijken waarbij toekomstige inkomsten en uitgaven met elkaar vergeleken worden. We kijken daarvoor eerst naar de tweejarige liquiditeitsrekening (tabel 2)

Tabel 2. Liquiditeitsrekening ABP 2016 en 2017

Kasstroom

Twee zaken springen direct in het oog. Het eerste is dat het ABP momenteel (!) functioneert als een soort PAYGO systeem: de uitkeringen zijn min of meer gelijk aan de premies (het blauwe vak). Dit gaat in de toekomst veranderen (meer pensionado’s) maar tussen 2016 en 2017 is dit, door de premieverhogingen, zelfs in sterkere mate het geval geweest. Daarnaast is het ABP in 2016 plus 2017 in staat geweest om 23 miljard extra te beleggen (inclusief mutatie kasmiddelen) wat letterlijk meer is dan de bruto ingelegde premies… De relevantie hiervan is duidelijk. De rentetermijnstructuur geeft aan dat de pensioenfondsen de geschatte uitkeringen de eerste jaren negatief moeten disconteren. Wat betekent dat ze met een hoger bedrag rekening moeten houden dan de schatting van de uitkering is. Echter, omdat de uitkeringen vrijwel geheel direct uit de premies betaald kunnen worden is hier geen noodzaak voor: negatieve rentes zijn voor pensioenfondsen (of in ieder geval voor het ABP) niet relevant. Vergelijk het met een bedrijf dat binnenkomende gelden niet gebruikt om op deposito te zetten maar om een banklening af te lossen. Dit geldt natuurlijk voor de korte termijn. Maar we kunnen ook naar de langere termijn kijken waarbij we niet naar de gedisconteerde waardes kijken maar naar de (hogere) nominale waardes.

Grafiek 4. Lange termijnschatting van de kasstromen van het ABP (let op: inkomende premies en aandelen worden niet weergegeven)

Lang abp

Bron: Jaarverslag ABP p. 99. Zie voor toelichting p. 97.

Wie goed naar deze grafiek kijkt en daar premieopbrengsten dalen van 9 miljard nu naar 0,00 na vijftig jaar aan toevoegt die ziet dat de komende vijftig jaar alles eigenlijk wel gedekt is. En dat zonder herbeleggingen. En zonder aandelen. Je kunt je dan toch afvragen of we onszelf niet arm rekenen, door zowel met een lage rekenrente als met ene gewenste buffer van ronde de 28% te werken. Hoe dan ook: er lijkt op basis van de liquiditeitsoverzichten geen reden te zijn om althans bij het ABP bij de rentetermijnstructuur met negatieve rentes te werken. en we kunnen de rentetermijnstructuur opvatten als het verwachte rendement van de beleggingen, waarbij duidelijk is dat onze vastgelegde verwachtingen, omdat ze gebaseerd zijn op een nogal variabele basisvariabele (dagrentes), kunnen leiden tot over- en undershooting. Wat is dan ‘eerlijk’? En in plaats van de rentetermijnstructuur zoals we die nu hebben hadden we ook de SWAP-rente kunnen gebruiken, zoals dat tot 2011 gebruikelijk was, waardoor er nog meer variabiliteit in de berekende dekkingsgraad zou zijn geweest. Wat dat betreft: zelfs de ‘normale’ rentetermijnstructuur leidde in één maand, tussen 4 november en 9 december 2016, tot een stijging van de dekkingsgraad met 7 punten (grafiek 5). Uit grafiek 5 blijkt ook dat het verstandig is geweest om de beleidsrente te introduceren (het 12-maands voortschrijdend gemiddelde van de rentetermijnstructuur). Maar waarom is die beleidsrente net gebaseerd op 24 maanden? En waarom wordt er geen rekening mee gehouden dat, zoals gesteld, aandelen en obligaties samen geen duidelijke samenhangende financiële markt vormen, zodat de op obligatierentes gebaseerde rentetermijnstructuur geen schatting kan zijn van een deel van het rendement op de aandelenmarkt of andersom, dat het dividendrendement slechts beperkt de rentevoet beïnvloedt. Wat is dan eerlijk? Bij sociale en financiële eerlijkheid kan ik me iets voorstellen. Maar modelmatige eerlijkheid waarbij de dagwaarde van de aandelen en obligaties wordt gedeeld door een schatting van de toekomstige pensi0enbetalingen die gedisconteerd is met een discutable en in ieder geval nogal variabele rentetermijnstructuur? Tsja. Je kunt ook verliefd worden op Lara Croft. Het is denk ik goed om nogmaals aan te geven dat de term ‘risicovrije rente’ niet betekent dat het hanteren van deze rente risico’s in de toekomst uitsluit maar alleen dat je als je je geld als pensioenfonds een jaar vastzet je die rente kunt krijgen, met daarbij ook een redelijke zekerheid dat je ook de hoofdsom terugkrijgt.

Grafiek 5. De dagelijkse dekkingsgraad volgens AON na 2014.

SWAP

Bron: AON

5. Interpretatie

Doordat bij het berekenen van de pensioenverplichtingen een historisch gezien nogal variabele ‘risicovrije rente’ wordt gebruikt die op basis van samengestelde rente zestig jaar wordt doorgerekend leiden betrekkelijk kleine veranderingen in de rente vandaag tot enorme schommelingen in de berekeningen van de verplichtingen morgen en over zestig jaar. Dit kan leiden tot over- of undershooting bij het beleid en een morele discussie die meer op de uitkomsten van discutabele lange termijnvoorspellingen is gericht dan op de noodzaak mensen in Nederland een, voor zover dat mogelijk is, onbezorgde oude dag te bezorgen. De discussie zal meer moeten worden gericht op de verdeling van de werklast over de generaties dan op de voorspellingen, relevant daarbij is dat de pensioenleeftijd in Nederland al jaren stijgt met drie tot vijf maanden per jaar.

Een pensioen is geen product. Maar een vage afspraak voor over zestig jaar.

Het nieuwste speeltje uit Brussel: de PEPP, Personal European Pension Plans. Of zoals ik het zie: Personal European Pension Products. Deze PEPP’s zijn, zoals ik het zie, geen welkome bijdrage aan de verdere complexisering van ons financiële bestaan. Het is niet meer dan het nieuwste verdienmodel voor de financiële sector. U weet wel, die sector die na 2008 in Duitsland, Griekenland, Nederland en Spanje met vele tientallen miljarden gesteund is. En die in Spanje mensen die hun spaarcenten er aan toe vertrouwden (inclusief mensen met Alzheimer) voor vele miljarden heeft opgelicht. Om de site Zero Hedge te citeren (8 juni 2016 ): “From Bankia’s doomed IPO in 2012 to the “misselling” of complex preferentes shares to “unsophisticated” retail bank customers, including children and Alzheimers sufferers, all of the scandals have had one thing in common: the banks have consistently and ruthlessly sacrificed the welfare and wealth of customers, investors, and taxpayers on the altar of short-term survival … Despite the untold billions of euros of public funds lavished on “cleaning up” their balance sheets and the roughly €240 billion of provisions booked against bad debt since December 2007, the banks are just as weak and disaster-prone as they were four years ago.”. En Zero Hedge had gelijk. Nauwelijks één jaar na dit alarmistische berichtje is de grote Spaanse bak Banco Popular failliet…
Die sector dus, en niet bijvoorbeeld een net fonds als het ABP, moet uw ‘pensioenproduct’ gaan aanbieden. Een citaat van de site van de pensioenfederatie: ‘De PEPP is een grensoverschrijdend individueel derde pijler product, dat verzekeraars, banken en asset managers zouden kunnen aanbieden’. De lobby is in volle gang. Banken zoals de DSB bank, Banco Popular in Spanje of de zieltogende Deutsche Bank in Duitsland zouden u een pensioenproduct mogen verkopen. Een slecht idee. De burgers als bank voor de banken…
Nu heeft de pensioenfederatie gelijk als ze op haar website stelt dat “in sommige EU- lidstaten een meerderheid van de werkenden geen toegang heeft tot aanvullend pensioen”. Dat is een probleem dat moet worden opgelost. Maar moet dat op Europees niveau? Moet dat via de markt? En moet dat neo-liberaal? Om deze vragen te kunnen beantwoorden zal ik eerst een definitie geven van neo-liberaal waarna ik een metafoor van ons pensioenstelsel introduceer. ‘Neoliberaal’ is een term die gebruikt wordt om het beleid dat door Margaret Thatcher en Ronald Reagan werd geïntroduceerd en dat de decennia daarna verder is uitgerold te beschrijven. Kenmerkend is dat mensen vooral worden gezien als individu en consument en niet als deel van een groep of burgers van een land (burgers zijn natuurlijk ook maar een groep). Problemen moeten worden opgelost via marktcoördinatie, waarbij een staat er is om de markt zo te structureren dat dit optimaal kan – optimaal dan voor de mens als individu en consument. Waarbij bijvoorbeeld, op de arbeidsmarkt, vakbonden zo’n vermaledijde groep zijn, die niet wenselijk zijn. Want dat verstoort het vrije spel van de maatschappelijk krachtigen. En het is extreem: in een typerend en succesvol neoliberaal lesboek als ‘Markten en Overheid’ van Nentjes en Eygelshoven wordt de Poll tax gepropageerd, het idee dat iedereen, rijk of arm, hetzelfde  bedrag aan belasting moet betalen. Want dat verstoort, uitgaande van de niet-sociale mens, de marktprijzen het minst. Ook pleit men voor een belasting op vrije tijd… Extremistische ideeën! Wellicht is dit in de nieuwste druk aangepast, maar het zou aardig zijn als de auteurs ook wat consumententheorie van na 1920 zouden gebruiken. Zie een fantastisch boek als dat van Peter en Olson, ‘Consumer behaviour and marketing strategy’. Op basis van wat werkt gebruiken ze daar geschiedenis, psychologie, neurologie, ideeën over armoede en inkomensverdeling, antropologie enzovoorts om de consument in beeld te brengen. Er is eigenlijk maar één gedachtengoed dat uit dit boek blijft: het neoliberale gedachtengoed over de niet-sociale mens. Want dat werkt niet.
Opmerkelijk bij dit neoliberale denken is dat met een zeer beperkt idee van ‘de markt’ wordt gewerkt: aanbieders zijn bij voorkeur N.V’s of B.V’s en niet bijvoorbeeld coöperaties, maatschappen, vennootschappen, publieke instellingen zoals Staatsbosbeheer dan wel stichtingen zoals het Wereldnatuurfonds of verenigingen zoals Natuurmonumenten. Of bijzondere instellingen zoals de Nederlandse pensioenfondsen. Eén van de redenen waarom veel beleid uit Brussel zo slecht werkt is dat de economen die het ontwerpen letterlijk geen idee hebben van de diversiteit van organisaties die samen de markt (laat staan de maatschappij) vormen – het staat niet in de neoliberale lesboekjes!

Neoliberaal is dus het idee dat u geen deelnemer bent van een pensioenfonds (wat is zo’n fonds voor iets raars?) maar een klant van een bank (Ha! Een N.V.!) die aan u als individu een pensioenproduct aanbiedt. Consumentensoevereiniteit heet dat: u kunt kiezen welke bank! Weg met die rare, on-neoliberale collectieve fondsen, leve de banken markt! Terzijde – er is een zeer uitgebreide literatuur over financiële producten en consumentenkeuze die meer dan duidelijk aangeeft dat het eenmalig aanbieden van zeer complexe producten met looptijden van vele decennia (denk hier tachtig jaar) fraude, zoals het verkopen van riskante beleggingen aan demente bejaarden in Spanje, in de hand werkt. In het boek van Peter en Olson kunt u dat soort ideeën vinden… Maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het over gaat is dat pensioenen geen spaarproducten zijn. Een spaarproduct is een bijeengespaarde pot met geld die in één of meer tranches wordt uitgekeerd, als er na alle beleggingskosten tenminste nog wat over is. Maar zo werken pensioenen niet. Mocht u 120 worden, dan krijgt u nog steeds pensioen uitgekeerd (tenminste, als u bij het ABP zit). Mocht u overlijden voor uw pensioenleeftijd – dan krijgt u niets (uw man of vrouw of jonge kinderen eventueel wel – de uitkering wordt dan overgedragen. Is dat ook zo bij de PEPP’s? Wat staat in de kleine lettertjes?). De logica achter dit systeem is simpel: als u individueel spaart moet u er rekening mee houden dat u 120 wordt. En dus bizar veel sparen. Wanneer we collectief sparen dan kunnen we het benodigde bedrag afkappen op de gemiddelde leeftijd waardoor het te sparen bedrag lager kan zijn.

Ik heb het hierboven over sparen. Eigenlijk is dat niet de goede term. Het tegoed van een pensioenfonds is geen spaartegoed. Het is een buffer. Vergelijk het met een stuwmeer. De pensioentegoeden zijn te vergelijken met het water in het stuwmeer, waarbij er twee ingaande stromen zijn: de premies aan de ene kant en de beleggingsresultaten aan de andere kant. De uitgaande stroom zijn uiteraard de pensioenen. Het stuwmeer moet een groot aantal tuintjes bevloeien: de huishoudens van de pensioengerechtigden. Nu is het zo dat bijvoorbeeld de beleggingsinkomsten zeer aanzienlijk kunnen fluctueren. Het peil van het pensioenmeer daalt dan, of het stijgt. Dit geeft niet: het meer is een buffer en de tuintjes kunnen, als de beleggingsresultaten een aantal jaren tegenvallen, gewoon worden bevloeid. Nu is het zo dat we er tegenwoordig van uitgaan dat wanneer de premies helemaal wegvallen er voldoende water in het meer moet zitten om alle tuintjes te blijven bevloeien totdat de laatste eigenaar onder de groene zoden ligt. Dat idee is ontleend aan (daar is het neoliberale denken weer) de metafoor van het individuele spaartegoed. Een individueel stuwmeertje, waarbij er maar één tuintje is en degene die het water in het meer laat vloeien dezelfde is die het, later, gebruikt. Het is het idee van iemand die een 200.000,– erft en het op de bank zet als individuele brandverzekering. Je hebt dan geen collectiviteit (de verzekering) nodig. Maar bij pensioenfondsen werkt dit niet zo. Ook als u geen premie meer betaalt dan nog blijven er wel andere premie-inkomsten binnen stromen. Wat betekent dat het niveau van het meer niet persé op 100% hoeft te staan, maar ook langdurig, zeg bijvoorbeeld vijftig jaar, op 80% kan staan, of op 50%. Als het geld dat binnenstroomt maar voldoende is om, samen met de buffer, de uitgaande stroom te garanderen. Voor bedrijfsfondsen is dit minder het geval, omdat bedrijven failliet kunnen gaan zodat het aantal nieuwe deelnemers naar nul gaat. Maar voor een overheidsfonds zoals het ABP werkt dit wel zo (u vind dat onrechtvaardig? Ten onrechte, kom ik zo op terug). Terzijde – 130 jaar geleden werd het pensioenfonds van Stork opgericht. Stork is nu failliet. Maar dat pensioenfonds is overgenomen door andere fondsen die wel weer nieuwe deelnemers hebben – collectieve solidariteit. Waar het om gaat: een pensioenfonds hoeft niet noodzakelijkerwijs 100% dekkingsgraad te hebben (en al helemaal niet de knotsikaanse dekkingsgraad van 128% die in Nederland verplicht is) om toch alle toezeggingen te kunnen waarmaken. Het idee dat dit wel zo is komt doordat individuele stuwmeertjes worden verward met collectieve stuwmeren. Collectieve stuwmeren werken anders. Wat op micro-gebied waar is, is dat op macro-gebied vaak niet
Nu kunt u zeggen: er blijft toch een risico! Of: het is niet eerlijk! Natuurlijk: er blijft een risico. En dat is de essentie van een buffer. Dat geeft de tijd met dat risico om te gaan. We worden onverwacht veel ouder dan we dachten en een gemiddelde leeftijd van boven de 90 voor vrouwen kan niet meer worden uitgesloten (hoewel in de VS en het VK recentelijk de gemiddelde sterfteleeftijd daalde…). Ook ligt gemiddelde kindertal in Duitsland en Nederland laag en toekomstige jonge generaties worden steeds kleiner (in Frankrijk, het VK en de VS is dat minder zo). Het is geen enkel probleem als voor dat soort problemen het stuwmeer wordt aangesproken. Het is zelfs onrechtvaardig als dat niet zo is. Daar is het stuwmeer juist voor! Ondertussen kan dan bijvoorbeeld, met flankerend beleid, de pensioenleeftijd worden verhoogd (gebeurt in Nederland zonder flankerend beleid in ijltempo – 3 tot 4 maanden per jaar!). En: ouders met kinderen onder de 18 krijgen stemrecht voor die kinderen, zodat de grijze dictatuur wat minder wordt. Dat soort dingen. We kunnen gebruik maken van het stuwmeer en van het feit dat individuele mensen wel dood gaan – maar bevolkingen niet.

Waarmee ik op het punt van de rechtvaardigheid komt. Het wordt als onrechtvaardig gezien dat mensen interen op de pensioenpot (overigens is het niveau van de pensioenpot nu 100%, ondanks de lage verwachte beleggingsopbrengsten). En dat we ons daarom suf moeten sparen voor de toekomst. Maar wanneer de jongere generaties steeds kleiner worden dan is het tegenovergestelde het geval. Het peil van het stuwmeer moet niet worden bepaald op wat eruit gaat, maar op basis van wat erin komt. Dat geeft de tijd om de uitgaande stroom aan te passen (en komt niet met verhalen dat u een gegarandeerd eindpensioen van 70% van het laatstverdiende loon heeft, dat is, letterlijk, al twintig jaar niet meer zo). Rechtvaardigheid naar de jonge generatie is uiteraard een punt. Maar dan moeten we meer denken aan studieschulden van de jonge generatie en de veel te hoge hypotheken, die opgenomen worden om veel geld aan de huizenverkopende oudere generatie over te dragen. Pensioenzekerheid hoeft dus niet neoliberaal, via de Europese markt. We kunnen beter deelnemer zijn van het ABP, en Nederlands burger, dan consumenten in een Europa met een nepparlement.

De rente moet laag blijven

(mijn maandelijkse stukje voor het vakbondsblaadje)

De beleidsrente van de Europese Centrale Bank is negatief. Wat een goede zaak is. Want het is goed voor bedrijven. En de overheid. En, laten we het hopen, binnenkort ook voor de huishoudens. Niet omdat het de investeringen opkrikt. Maar omdat we goedkoop kunnen herfinancieren. Natuurlijk: er is een levensgroot risico op woningprijszeepbellen? Maar dat is onze fout: aten we eerst de HRA en de verhuurdersheffing afschaffen en de LTV omlaag gooien en meer woningen bouwen in Amsterdam (met erfpacht, natuurlijk)!

draghi

Bron: Mario Draghi.

De reden daarvoor is simpel: (more…)

De pensioenfondsen hebben het best wel goed gedaan. Eigenlijk.

Inleiding.
De discussie over de pensioenen in volle gang. Er wordt daarbij kritisch gepraat over onze pensioenfondsen. Men spreekt zelfs over opheffing ervan en over privatisering en individualisering.
Dat moeten we niet doen.

Want de afgelopen jaren en met name na 2008, toe het er om ging, hebben de publieke fondsen het zo veel beter gedaan dan de private financiële sector. En ik snap natuurlijk dat de private sector juist daarom ageert tegen de fondsen. Dat maskeert je eigen falen. En ach, 2% beheersvergoeding van die 1,7 triljoen die nu nog in beheer is bij de publieke fondsen, dat is natuurlijk 34 miljard. Toch mooi meegenomen….
We dreigen dus het kind met het badwater weg te gooien.: organisaties die het goed gedaan hebben heffen we op en het werk dat ze deden moet uitgevoerd gaan worden door falende organisaties. Helaas wordt de discussie niet altijd even zuiver gevoerd. Er worden nogal wat mythes naar voren gebracht, om de fondsen in diskrediet te brengen. Daar moeten we ons niet door van de wijs laten brengen. Hieronder zal ik daarom een aantal van die mythes ontkrachten.

Mythe 1. De pensioenfondsen hebben het slecht gedaan. De waarheid: ze hebben het uitstekend gedaan.
In het bedrijfsleven ben je goed als je beter bent dan je concurrent. En toen het erom ging, tijdens de crisis, hebben de publieke fondsen het meer dan uitstekend gedaan (grafiek 1). Waar de private pensioenbeheerders meer dan een derde moesten afboeken op het vermogen van hun klanten daar steeg ons pensioenvermogen met maar liefst 15%. Een massief falen van de private. Er zou nu geen discussie moeten zijn over de fondsen – maar over de private uitvoerders! Waar is dat geld, dat van de deelnemers is, gebleven! Ook als je naar het lange termijn rendement van de fondsen kijkt dan is dat zonder meer hoog, terwijl uit de grafiek duidelijk blijkt dat ook na 2009 de private fondsen het ABP c.s. niet hebben kunnen bijbenen. De bedrijfskundige meetlat is duidelijk: juist de publieke fondsen deden het formidabel. En de private fondsen niet. En weer, net als in 2008, roept de private sector de overheid te hulp: die moet nu geen directe steun geven maar de publieke fondsen opheffen…

Naamloos

Mythe 2. We hebben DB pensioenen.

De waarheid: we hebben noch DB, noch DC pensioenen.
Een van de kritiekpunten is dat de pensioenfondsen hun beloftes niet nakomen. Zucht. Al sinds 1996 zijn er geen beloftes meer (verzelfstandiging ABP, wat nodig was in verband met de Euro en vrije kapitaalmarkten en zo). In het buitenland heb je vaak DB (defined benefit) of DC (defined contribution) pensioenen. Bij DB krijg je een gegarandeerd eindbedrag, bij DC leg je een vast bedrag (percentage van je inkomen) in en moet je maar afwachten wat de financiële sector met je centen doet. In Nederland hebben we geen van beide. De premies liggen niet vast en de uitkeringen liggen niet vast. Wie de jaarlijkse pensioenbrief van het ABP heeft bewaard en de contributiebedragen en geschatte uitkering naast elkaar legt ziet dat er al zeker sinds 2001 duidelijk is dat er sprake is van premiestijgingen en uitkeringsverlagingen (o.a. doordat men naar middelloon is overgestapt). Dit is allemaal reuze spijtig en het is ook schandalig dat de VUT vanuit de pensioenpot is gefinancierd en niet vanuit de belastingen, wat dit noodzakelijker maakte. Maar het is al sinds decennia de realiteit en staand beleid. Wie verwacht had een gegarandeerde uitkering te krijgen heeft zitten slapen. Maar die belofte is twintig jaar geleden dus al vervallen. Toen had u boos moeten zijn, het is nu (net als de VUT) geen argument meer in de discussie over hoeveel geld er in de toekomst is. En economen die de termen DC en DB gebruiken in de pensioendiscussie snappen het Nederlandse pensioenstelsel niet. Een ander punt is of er gekort moet worden, op dit moment. Dat kun je je afvragen. Banken mogen toe met 5% eigen vermogen. Pensioenfondsen worden geacht 28% eigen vermogen (eigenlijk: extra spaargelden van de deelnemers) te hebben. Die 5% is laag. Die 28% is weer aan de hoge kant. Dat mag wel een paar procentjes minder. Overigens zitten we nu een paar procent onder de 100% dekking, dat is wel een probleem. Maar we hoeven niet naar 128% toe. Dan spaart u zich nu helemaal suf – en als u dood bent dan profiteren anderen daarvan.

Mythe 3. De rendementen zijn tegenwoordig superlaag, zodat de pensioenen niet uitbetaald kunnen worden.
De waarheid is dat de rendementen op staatsobligaties erg laag zijn. En dat heeft een reden. Staatsobligaties zijn risicoarm. Als het mis gaat dan koopt de ECB ze op (als de ECB dat niet zou doen dan was de Euro al lang uit elkaar gespat, ze hebben geen andere keus). Daarom is de rente erop laag. En dat is schitterend voor het AOW gedeelte van onze pensioenen: voor zover dat gefinancierd wordt met staatsleningen (wat voor een deeltje zo is) is de rente die we daarvoor betalen fors gedaald. Zodat dat goedkoper is geworden. Het is minder mooi voor pensioenfondsen die veel obligaties hebben, althans wat betreft de inkomensstroom. Wel is het ook weer zo dat het vermogen sterk stijgt, omdat de vastrentende oude obligaties een stuk duurder worden. Maar het gaat niet enkel om de staatsobligatierente. Het gaat ook om dividenden op aandelen en huurrendement op vastgoed. Hieronder een grafiek met het totale rendement op beleggingen van Duitse huishoudens (vergelijkbare Nederlandse gegevens heb ik niet). En daar blijkt uit dat op de wat langere termijn bezien het totale rendement (inclusief dividend op aandelen en huuropbrengsten uit vastgoed) helemaal niet extreem laag is (let op: dit is de ‘real return’ i.e. gecorrigeerd voor geldontwaarding). Overigens is het totale rendement van de Nederlandse pensioenfondsen in de periode na 2008 nog aanzienlijk hoger geweest dan wat het in Duitsland voor huishoudens was. Daarnaast: het is voor pensioenfondsen natuurlijk mogelijk om (mits gewijzigde overheidsregels dat toestaan, uw langlopende hypotheek te herfinancieren tegen een percentage dat bijvoorbeeld 1% boven de rekenrente (het geschatte toekomstige rendement dat de pensioenfondsen de komende 60 jaar of zo zullen halen) ligt. Dan hebben de fondsen gegarandeerd een lange termijn rendement dat hoger is dan die rekenrente. Overigens kon ik op internet geen enkel ander land vinden dat met een dusdanig lage rekenrente als Nederland hanteert. Die rekenrente, dat is een geplande rente, vastgesteld door bureaucraten. In dit geval: bureaucraten bij De Nederlandsche Bank, een overheidsinstelling. Die om wat voor reden dan ook (willen ze de pensioendiscussie op scherp zetten?) een extreem lage rekenrente hanteren. In ieder geval: de rendementen die door de pensioenfondsen gehaald zijn blijken op de lange termijn fors boven die Nederlandse rekenrente te liggen…

pensioen2

Mythe 4. We gaan allemaal met 67 met pensioen…
De afgelopen 8 jaar is de de facto pensioenleeftijd gestegen van 61 jaar naar 65,5 nu en dit stijgt pijlsnel (met ongeveer 5 maanden per jaar) verder naar eerst 67 en dan vrijwel zeker 69. Als u nu dus 55 bent dan gaat u waarschijnlijk met 69 met pensioen. Dat scheelt acht jaren waarin extra pensioen wordt opgebouwd. En de hypotheek wordt afgelost. Maar ook 8 jaar minder waarin u pensioen trekt. Stel dat de gemiddelde levensverwachting van 61 jarigen destijds 87 was en dat die van 69 jarigen straks 90 is dan betekent dit dat er in plaats van 26 jaar pensioen slechts 21 jaar pensioen wordt opgestreken. Dat scheelt een kleine 20% in de kosten… En dat zit nog nietcompleet in de rekenmodellen verwerkt.We sparen voor een situatie waarin we met 67 met pensioen gaan. Dat wordt vrijwel zeker 69… en dan hebben we dus, voor een deel, voor niets gespaard.

Mythe 5. U heeft een pensioenpot
U heeft geen pot want ons pensioen is een verzekering. Als u alleenstaand bent en overlijdt – dan krijgen uw nabestaanden geen erfenis uit uw pensioenpot. Want die is er niet. Het grote voordeel hiervan: als u een pot met geld spaart dan moet u er rekening mee houden dat u 100 wordt en dus veel meer sparen dan bij een verzekering zoals wij die hebben. Een verzekering kan (wet grote getallen) namelijk rekening houden met de gemiddelde leeftijdsverwachting (het argument dat er helaas niets overblijft voor uw kinderen is niet correct – als u het geld dat overblijft doordat uw pensioen goedkoper is zelf spaart, dan kan dat naar uw kinderen. Overigens is mijn mening dat dat nergens goed voor is). De ‘ontmantel de fondsen’ lobby schermt vaak met ‘persoonlijke potjes’. Een probleem is natuurlijk wel die overdekking van 28%. Van wie is dat geld, als u overlijdt? U heeft er voor gespaard – maar er geen verzekeringsrechten mee opgebouwd. Die rechten gaan naar de jongeren, jongeren die als het aan de huidige plannen ligt ook nog een keer minder premie moeten gaan betalen… De huidige generatie heeft dan niet enkel de VUT betaalt maar financiert ook nog eens de pensioenen van de generatie na haar! Een onaangename situatie. En ook dit is een constructie van de bureaucratische planners die hierboven al genoemd zijn. En geen besluit van de pensioenfondsen zelf. Daar zou eens een parlementaire discussie over moeten komen.

De pensioenfondsen worden afgerekend op beloftes die ze niet gedaan hebben en vanwege regels die ze opgelegd hebben gekregen en die, zacht gezegd, ter discussie worden gesteld. Het is onjuist om dat de pensioenfondsen aan te regelen. Wel kan worden gedebateerd over de vraag of de generatie die de VUT al betaald heeft er nu ook nog eens voor moet zorgen dat er 28% eigen vermogen in de pensioenpotten moet worden opgebouwd, wat dan zal toevallen aan een volgende generatie…

Over Hans Wansink en het huishoudboekje van de overheid

1
Hans Wansink heeft, in De Volkskrant van 24 december, ongelijk. Dat is jammer want zijn ideeën klinken goed. Een overheid die veel uitgeeft aan nuttige zaken maar die tegelijkertijd ook ‘het huishoudboekje’ op orde heeft – dat is toch precies wat we willen?! En om dat te realiseren stelt Wansink dat niet alleen de lastenverlichting moet worden teruggedraaid maar dat de belastingen ook nogeris omoog moeten! Maar helaas. Dat gaat niet werken. In Denemarken doen ze precies dat – en het werkt niet. Ondanks dat de arbeidsmarkt daar reuze flexibel is, de beroemde Deense ‘flexicurity’.

Want Denemarken heeft een probleem. De particuliere schulden zijn erg hoog. En het zit nu, net als wij, in een ‘balansrecessie’. Geld moet rollen – maar als het geld dat we verdienen wordt besteed aan het aflossen van schulden dan verdwijnt het in een zwart gat, een bestedingslek. Zie de analyse van dergelijke situaties door Richard Koo. Ondertussen is er consensus onder economen dat een financiële crisis veel hardnekkiger is en veel meer schade achterlaat, zelfs als deze voorbij is, dan een gewone crisis. Zie grafiek 1: de afgelopen 23 jaar is de werkgelegenheidsgroei in Nederland veel hoger geweest dan in Scandinavië. Maar vrijwel het hele verschil werd veroorzaakt door de ontwikkelingen in het begin van de jaren negentig, tijdens de Scandinavische financiële crisis. En deze landen hebben dat verschil, ondanks alle flexicurity, nooit meer goedgemaakt. Dat zou nog een klein beetje te accepteren zijn wanneer dit terugbetalen van de schulden zou werken. Maar door de hierdoor veroorzaakte deflatie hoeft dat niet het geval te zijn omdat niet alleen de schulden maar ook het nominale inkomen daalt. De schuldenlast blijft dan gelijk. De jaren twintig van de twintigste eeuw in Engeland zijn hier momenteel, letterlijk, het schoolvoorbeeld van. Keynes heeft dit destijds overigens van te voren al aangegeven. Alle pogingen om de staatsschuld af te lossen draaiden, ondanks de aanzienlijke primaire overheidsoverschotten, op niets uit. Terzijde – in de jaren twintig werden de lonen in Engeland voortdurend verlaagd. Maar na tien jaar loonsverlagingen was de werkloosheid hoger dan ooit.

Dit alles betekent dat de overheid zelfs tegen een zeer hoge prijs moet voorkomen dat financiële crises plaats vinden. De gecumuleerde kosten van zo’n crisis zijn astronomisch. Denk ook aan de schuldencrisis van Zuid-Amerika, in de jaren tachtig. En de belangrijkste les van 2008 is: die crises kunnen ook bij ons plaats vinden! Maar ook heeft de overheid een cruciale rol bij het op peil houden van de bestedingen na een crisis, waarbij het huishoudboekje van de overheid weliswaar een overweging is – maar zeker niet de enige. Beleid gericht op het in de fles houden van de geest is niet altijd werkzaam om de geest weer terug in de fles te krijgen. Het op orde brengen van het huishoudboekje van de overheid ten koste van het huishoudboekje van de huishoudens zal niet gaan werken. Het op peil houden van de bestedingen kan via de overheidsbestedingen maar ook via het stimuleren van de particuliere bestedingen zoals de consumptie of de investeringen. Of door, middels de centrale bank, te hoge private en publieke schuldenlasten dragelijker te maken, bijvoorbeeld door een lagere rente (die op veel lang vastgezette Nederlandse hypotheken nog helemaal niet gedaald is, na 2008!)of door de inflatie proberen aan te jagen (wat niet eenvoudig is voor een centrale bank). Of zelfs door het opkopen en afschrijven van ‘bad loans’ met vers geperst geld. Dit laatste klinkt extreem maar (A) alles beter dan een balanscrisis en (B) bedenk dat de geldgroei in onze economie niet zozeer gekoppeld is aan de productie-economie (waar ook Wansink het over heeft) maar aan het verstrekken van hypotheken voor bestaande woningen, wat tot sterk inflatoire stijging van de woningprijzen en de daaraan gekoppelde leningen leidde, waarbij die leningen dan wel weer vanuit de niet geïnflateerde productie-economie moeten worden terugbetaald. Wat dus na sterke woningprijsstijgingen niet kan: woningprijsinflatie is heel wat giftiger dan consumentenprijzeninflatie waarbij zowel inkomens als prijzen stijgen! En waarbij tijdens maar ook voorafgaande aan een crisis veel van dit geld uit omloop kan verdwijnen doordat het dan wel opgepot wordt of op spaarrekeningen wordt gezet. En dan blijft er alweer niet genoeg geld meer over om de schulden (die tot de geldgroei hadden geleid!) af te betalen. Als je water uit een bron oppompt en het stroomt weg dan kun je de bron er niet meer mee aanvullen. Wel zal bij een dergelijk beleid uiteraard de Balkenendenorm moeten worden toegepast op het bankwezen.

Sweden2

Grafiek 2 is dezelfde grafiek als grafiek 1 maar dan met 2002 = 100 in plaats van 1992 = 100. Hier blijkt hetzelfde als uit grafiek 1. Door tijdelijk te devalueren wist Zweden de ontkomen aan de grootste klap van de financiële crisis. Zweden kon dit, anders dan Denemarken, doen doordat de Zweedse munt niet aan de Euro gekoppeld is. Het angstwekkende: het lijkt erop dat een paar maanden goed beleid in Zweden en slecht beleid in Denemarken het hele verschil in ontwikkeling kunnen verklaren, de economie sprong kennelijk in Denemarken van een ‘goed evenwicht’ naar een ‘slecht evenwicht’ – een balansrecessie.

Wat nogmaals aangeeft dat de overheid er preventief alles aan moet doen om de geest niet uit de fles te laten. De Zweedse overheid doet dat momenteel niet: er is een duidelijke, krediet gedreven zeepbel op de Zweedse woningmarkt. Maar één van de belangrijkste manieren om de geest in de fles te laten of om hem er (altijd lastig) weer in te krijgen is ervoor te zorgen dat mensen hun schulden kunnen terugbetalen. Wat juist betekent dat de inkomens niet afgeknepen moeten worden. Ook als dat betekent dat het huishoudboekje van de overheid niet direct op orde is. Terzijde: veel bedrijven kopen momenteel aandelen terug. Saai en niet bepaald ondernemend. Maar het betekent ook dat we ons niet echt zorgen hoeven te maken over de huishoudboekjes van dit soort bedrijven. En ons wel zorgen moeten maken over het disfunctioneren van de vakbonden.

De schulden zijn te hoog. Eigenlijk weten we niet goed hoe we dat probleem moeten oplossen. Maar het afknijpen van inkomens helpt ons enkel van de regen in de drup. Ook in de Scandinavische landen.

Page 1 of 8812345...102030...Last »
top