search
top

De ‘Real Unit Labour Costs’ – een methodenkritiek

Naar aanleiding van een aantal vragen van correspondent H. de G. over de ´Real Unit Labor Costs´ (RULC) besloot ik alsnog dit stukje, dat ik al zeker twee jaar ´in de pen´ heb maar waar ik wat tegenop zag, te schrijven. Vooral zijn opmerking dat het zo lastig is absolute niveaus van deze variabele te vinden was inspirerend. Die opmerking is namelijk correct. En dat is het hem juist. De RULC wordt vaak gezien als een absolute maatstaf van productiviteit en concurrentievermogen. Maar dat is het dus niet. Er zijn geen ´absolute niveaus´ van deze variabele, anders dan bij conceptueel directere maatstaven van productiviteit, zoals bijvoorbeeld de productie per arbeidsuur of per werknemer. Wel wordt de maatstaf vaak gebruikt. Het is, met de geldgroei, de werkloosheid, de inflatie en nog een aantal andere maatstaven zelfs een van de kernstatistieken op de site van de ECB. Zie hier, en let daarbij op de 6% groei in 2009 – ik kom daar op terug. En in heel veel discussies en stukken wordt de variabele te pas en te onpas gebruikt on de ontwikkeling van de concurrentiekracht van landen (bestaat zoiets, overigens?) weer te geven. Een stijging (pas op: ik schrijf niet: ‘een hoge’) van de RULC zou aangeven dat de lonen te hoog zijn en dat die omlaag moeten. Merkwaardig, want zodra economen serieus naar concurrentiekracht gaan kijken, zoals een taakgroep van (alweer) de ECB, maar dan niet de politici maar de economen, dan blijken lonen slechts een van de variabelen te zijn die de concurrentiepositie van bedrijven bepalen. En uit de literatuur is bekend dat juist succesvolle exportlanden vaak hoge loonstijgingen kennen. Maar het gebruik van deze variabele zal hier niet ter discussie staan, de variabele zelf zal aan een ‘Methodenkritiek’ onderworpen worden. Wat geeft de RULC eigenlijk weer en waar kun je deze indicator (niet) voor gebruiken.

Eerst een simpel voorbeeld. Stel dat een land enkel olie produceert (en exporteert). De olieprijs verdubbelt en het algemene prijspeil stijgt navenant, zodat de inflatie 100% bedraagt. De gestegen opbrengst van de olie komt echter vooral ten goede aan de factor kapitaal (winst, grondrente), waardoor de lonen ‘slechts’ met 50% stijgen. In dit geval stijgen, zonder dat de arbeidsproductiviteit veranderd is en terwijl er sprake is van een groot koopkrachtverlies van de loontrekkenden, de ‘RULC’ met 50%. Deze ‘Real unit labour costs’ worden namelijk gedefinieerd als de nominale loonsom in lopende prijzen  gedeeld door de waarde van de productie in vaste prijzen (Felip en Utsav, 2011). Maar is er in dit geval ook sprake geweest van een verlies van concurrentiekracht? De nominale loonkosten per eenheid vat olie (uitgedrukt in de prijs van een vat) zijn juist gedaald omdat een vat olie twee keer zo duur is geworden!

Hoe zit dat allemaal? Laten we, om dit nader te bekijken, een wetenschappelijke insteek nemen en eerst op de Eurostat-definitie van de moeder van de RULC, de ULC (Unit Labour Costs, dus zonder ‘Real’ ervoor) ingaan, vet toegevoegd:

This derived indicator compares remuneration (compensation per employee in current prices) and productivity (Gross Domestic Product (GDP) in current prices per employment) to show how the remuneration of employees is related to the productivity of their labor. It is the relationship between how much each ‘worker’ is paid and the value he/she produces with her work. It’s growth rate is intended to give an impression of the dynamics of the participation of the production factor labour in output value created. Please note that the variables used in the numerator (compensation, employees) relate to employed labour only while those in the denominator (GDP, employment) refer to all labour, including self-employed”.

Ehm… juist. Dat is dus heel gewoon het arbeidsaandeel in de economische koek. Dat gedefinieerd kan worden als: {(totale loon)/(totale loon + totale winst (inclusief arbeidsinkomen van zelfstandigen)+ totale pacht en huurinkomen)}. Waarbij de laatste term weer gelijk is aan het Bruto Binnenlands Product (BBP), omdat volgens de metingen van de nationale rekeningen het totale inkomen nou eenmaal net zo groot is als de totale productie (je kunt alleen verdienen wat je produceert en verkoopt). De vraag is nu hoe we van de ULC naar de RULC komen. Daarvoor worden, voor de teller, de nominale lonen te nemen en voor de noemer de prijs gecorrigeerde productie (dus de productie in vaste prijzen)! Zie Felip en Kumar, 2011. De lonen worden dus niet gecorrigeerd voor prijsstijging, de productie wel. Dit is dus de reden waarom die ´RULC´ in het algemeen de neiging hebben om te stijgen en te stijgen en te stijgen. Zolang er zowel loonstijgingen zijn als een fysieke productiegroei die lager is dan de nominale loonstijging stijgen de ´Real Unit Labor Cost´… Wat dus betekent dat als een Eurozonië, zoals in 2009, 2% loonstijging kent en 4% reële productiedaling (-2% nominaal) de RULC 6% stijgt. En waren we in 2009 nou echt minder concurrentiekrachtig dan in 2008?  

Maar is het dan wel een probleem in een situatie met vaste wisselkoersen, zoals de Eurozone? Kun je dan met de kromme stok die de RULC is toch een rechte slag slaan?  Geeft een stijging van de RULC , ondanks het conceptuele ongemak van het dooreenhalen van nominale en reële variabelen dan toch een daling van de concurrentiekracht  weer? Hadden die loonstijgingen dan toch niet moeten worden ingeperkt, gezien de stijging van de RULC? Niet echt. De volgende redenen kunnen worden ingebracht om dit te ontkennen:

1)      Het Eurostatcaveat: ´Please note that the variables used in the numerator (compensation, employees) relate to employed labour only while those in the denominator (GDP, employment) refer to all labour, including self-employed´. Self-employed, dat zijn de Zelfstandigen zonder personeel, de kleine boeren in Griekenland of de klussers en de grote boeren in Nederland. Wanneer zo iemand ophoudt met zelfstandige te zijn en werk gaat doen dan stijgt de RULC! Zeker in Griekenland met al die kleine boeren is dit de afgelopen vijftien jaar van groot belang geweest. Nog meer conceptueel ongemak, dus.

2)      In een situatie met positieve inflatie (zeg:de 1,8% die de ECB graag wil) moeten, voor een evenwichtige ontwikkeling van de economie, de lonen een normaliter een prijscompensatie kennen (sorry, dit is niet louter vakbondstaal maar ook bijvoorbeeld de mening van Milton Friedman). Dit betekent, bij een gelijkblijvend arbeidsaandeel in de economische koek, dus automatisch een stijging van de RULC.

3)      Het ´niet verhandelbare goederen´ probleem. De afgelopen tien jaar zijn de lonen in Duitsland slechts beperkt gestegen met als gevolg, ondanks de al twintig jaar lage groei in Duitsland (check de data), inderdaad een stabiele RULC. Maar die geringe stijging van de gemiddelde lonen werd voor een niet onaanzienlijk veroorzaakt doordat de lonen van docenten niet stegen – en lonen van andere groepen meer. Maar of het aantasten van de koopkracht van docenten de concurrentiekracht van het Duitse bedrijfsleven nou ten goede komt doordat het een kostendaling van die bedrijven veroorzaakt? De loonkosten bij de bedrijven stegen juist sterker dan het Duitse gemiddelde!De RULC is een macro-maatstaf, een gemiddelde. En achter een gemiddelde kunnen verschillen schuil gaan. Op zijn minst betekent dit dat je de RULC zou moeten berekenen per sector van de economie. Of zelfs per subsector. Een bekend voorbeeld is de Ierse nijverheid. De RULC is daar enorm gedaald doordat veel aan de bouwnijverheid gelieerde bedrijven, met een voor deze sector kenmerkende hoge ULC, failliet gingen terwijl bedrijven met een lage ULC, zoals de farmacie overbleven.

4)      Wat ons bij een ander probleem brengt. De sectoren waaruit een economie is opgebouwd vertonen per land grote verschillen. Dit geldt ook voor de exportsectoren (diepgaander hierover: Felip en Kumar, 2011). Een hogere loonstijging in de farmaceutische industrie in een land als Spanje dan in de auto-industrie in Duitsland hoeft de concurrentiekracht van Spanje niet per definitie aan te tasten. Terzijde: de Zuid-Europese lonen zijn ook nog eens aanzienlijk lager dan de Duitse, hoewel overal de financiële sector disproportioneel hoge lonen lijkt te betalen, ondanks de slechte kapitaalspositie van de banken.

5)      Ook empirisch is de maatstaf geen solide voorspeller, Felip en Kumar (2011) noemen zelfs dat een stijging van de RULC vaak kenmerkend is voor succesvolle exportlanden. Dit heeft zelfs een naam: de Kaldor-paradox.het tegenovergestelde vaak het geval is: succesvolle exportlanden kennen hoge loonstijgingen.

6)      Daarnaast is er een macro-vraagcompositieprobleem wanneer een land probeert de macro-RULC te verlagen (wat gewenst is, volgens de Troika). Dat kan dus slechts door nominale loonstijgingen cq. loonsverlagingen die onder dan de groei dan wel krimp van de reële productie (dat zou in Griekenland dus loondalingen van 6%, jaar in jaar uit, betekenen). Echter, de totale loonsom is een belangrijke factor achter de totale afzet van de bedrijven zowel als van de belastinginkomsten van de overheid (en ook belangrijk voor de rentebetalingen en aflossingen aan de banken!). Voor een individueel bedrijf kan het wenselijk zijn de loonkosten te verlagen omdat de verlaging van de loonvoet de afzet van het individuele bedrijf niet noemenswaardig verminderd. Voor een land als geheel is dat laatste beslist niet zo. Lagere lonen leiden dan niet in hun totaliteit tot een lagere RULC maar tot een daling van zowel de noemer als de teller, omdat de productie nou eenmaal afneemt wanneer de binnenlandse vraag sterk terugvalt.

7)      Verder kan in een land met een relatief lage productiviteit wanneer er een productiviteitsinhaalslag wordt gemaakt een deel van de loonstijging verklaard worden uit deze productiviteitsstijging. Rekenkundig leidt dit echter tot een stijging van de RULC.

Al met al geven veranderingen in de RULC dus eerder veranderingen in het inflatieniveau en het arbeidsaandeel in de economie aan dan veranderingen in de concurrentiekracht van bedrijven, een concurrentiekracht die, zoals eerder gesteld, volgens een ECB werkgroep, eigenlijk meer afhangt van goede producten dan van lage lonen. De ECB is het daarmee dus totaal eens met kritiese economen als Felip en Kumar die net als de ECB werkgroep (maar anders dan ECB-politici zoals Asmussen en Weidmann) hun literatuur gelezen hebben en de cijfers kennen.

Slechts wanneer zeer vergelijkbare sectoren in zeer vergelijkbare landen worden vergeleken (toerisme in Portugal en Spanje) is het aanvaardbaar om deze maatstaf te gebruiken. Maar zelfs dan spelen de conceptuele problemen een rol. Wanneer de gebruikte BBP-deflator die van het BBP tegen markt prijzen is (inclusief bijvoorbeeld sigarettenaccijns) en niet die tegen basisprijzen (exclusief o.a. deze accijns) dan nog kunnen er niet relevante verschillen optreden, net zoals wanneer in een van deze landen zo ongeveer de grootste huizenzeepbel uit de geschiedenis optreed en in het andere niet. Bovendien – zelfs in het geval van een prijssensitieve sector als het toerisme is de prijs van de arbeid slechts een van de vele factoren die de keus van de consument bepalen.

Al met al zijn er dus veel redenen om voorzichtig te zijn met de RULC als indicator. En om op het probleem van H. de G. terug te komen: de reden dat het lastig is om absolute maatstaven voor de RULC te vinden is dat die er eigenlijk niet zijn. Basis voor de RULC is uiteindelijk de ULC. Echter, een hogere of lagere ULC zegt niet zoveel over een economie, omdat het erg afhankelijk is van de structuur van de economie (Griekenland had een lage ULC door al die kleine boeren). Daarnaast moet voor de prijscorrecties een willekeurig basisjaar worden genomen van waaruit de RULC wordt berekend. Daarom wordt met indices gewerkt, en de ontwikkeling daarvan (hoewel daarbij dus weer geen rekening werd gehouden met waarom die Griekse RULC zo snel toename, vanaf dat lage niveau).

Terzijde: de echte productiviteit wordt door Eurostat als volgt gedefinieerd: ´ Eurostat produces the structural indicators b1 (productie per arbeidskracht, MK) and b2 (productie per uur, MK) from the ratio between GDP expressed in purchasing power standards and the number of persons employed (b1) or the hours actually worked in the economy (b2). For the EU and its Member States, Eurostat uses National Accounts labour data for both total persons employed and hours worked. However, hours actually worked data do not always reach the same standard of reliability as other national accounts data. This problem is currently addressed within the European Statistical System, and hours worked data is expected to achieve a higher degree of harmonisation in the mid-term future´.

Literatuur:

Felip, J. and Kumar, Utsav,  (February 2011) ‘Unit labor costs in the Eurozone: the competitiveness debte again’, Levy Institute working paper no 651

 

‘Inflation protected bonds’ en de huursverhoging…

Ik bedacht net het volgende:

A) De huren wegen zwaar mee in de consumentenprijsindex. Om precies te zijn: de werkelijke huren wegen 6,1% mee en de toegerekende huren in verband met eigen woningbezit wegen 11,1% mee, samen 17,2%.

B) Stel nu dat de overheid voor 200 miljard aan ‘ inflation protected bonds’ uitgeeft, waarbij er op de rente een opslag zit gelijk aan de consumentenprijsinflatie

C) Tegelijkertijd verhoogt de overheid de huren met 4,5%.

D) Dat betekent dat er een extra stijging van de inflatie is van 0,172*4,5 = 0,8%

E) Wat betekent dat de rente op de uitgegeven obligaties met 0,8% stijgt, ofwel (eenmalig overigens) met een bedrag van 0,008*200.000.000,– = 1,6 miljard

F) Wat weer betekent dat de huurdersheffing in dit geval geheel aan de obligatiehouders wordt doorgegeven…

waarmee een voordeel van de ”inflation protected bonds’ dus is dat de overheid een reden heeft de huren niet of slechts weinig te verhogen. Overigens blijf ik het merkwaardig vinden dat de toegerekende huren ook in het inflatiecijfer zitten. Voor de nationale rekeningen is dit correct omdat toegerekende huur daar ook een inkomenscategorie is. Bij de werkelijke bestedingen is dat niet zo en moet van de werkelijke prijzen en kosten van een eigen woning worden uitgegaan, waarbij de rente natuurlijk een prijs is.

“Inflation protected bonds”: welke inflatiemaatstaf is de juiste?

In de rente die we betalen zit een inflatie-opslag. Zie bijvoorbeeld de 12% rente die de overheid rond 1980 (een tijd van hoge inflatie, vooral in de VS en het VK) moest betalen. Het is wellicht verstandig om die opslag expliciet te maken en de rente te splitsen in een vast deel en een deel dat is gebonden aan de inflatie. In Griekenland zouden ze daar nu blij mee zijn: daar dalen de prijzen! Maar een belangrijke vraag daarbij is: welke inflatie rekenen we? Er zijn namelijk verschillende inflatiemaatstaven. En de verschillen daartussen kunnen aanzienlijk zijn! In Griekenland dalen de consumptieprijzen momenteel met 0,4%. Maar het algemene prijspeil, inclusief overheidsbestedingen en investeringen, daalt er met 2,6%. Dat maakt nogal wat uit, zowel voor degene die het geld heeft uitgeleend als voor degene die het heeft geleend. En het verschil is niet alleen groot in Griekenland. De grafiek vergelijkt de inflatie van de binnenlandse vraag  (het gemiddelde van de consumptieprijzen, de investeringen en de overheidsuitgaven) met de consumptieprijsstijging voor de hele Eurozone. Er zijn duidelijke en langdurige verschillen! Overigens is het prijspeil van de totale binnenlandse vraag weer wat anders is dan de BBP-deflator, waarbij impliciet ook rekening gehouden wordt met inkomens die stijgen door bijvoorbeeld dalingen van de prijzen van geïmporteerde goederen.
aa1

Welke maatstaf moeten we kiezen? Moeten we uitgaan van de geldverschaffer? Dan is wellicht de consumptie-inflatie beter. Moeten we uitgaan van degene die moet betalen? Dan is, in het geval van de overheid en omdat de belastinginkomsten niet enkel op de consumptie maar ook op de andere delen van de economie gebaseerd zijn, wellicht de BBP deflator het beste. In ieder geval:

Er moet goed nagedacht worden over welke maatstaf gebruikt wordt, als we overgaan op ‘inflation protected bonds’! Het gaat bij 0,5% verschil en 500 miljard aan overheidsschuld maximaal om 2,5 miljard per jaar. Niet niks. En we moeten er rekening mee houden dat prijzen ook kunnen dalen.

Wordt vervolgd.

 

Waarom de macro-economische inkomens noodzakelijkerwijs meestijgen met de inflatie

De inflatie is, wanneer we naar het Euro-gebied kijken, lager dan deze in vele decennia geweest is. Rekening houdend met de woningprijzen is er wellicht zelfs een stijging van de koopkracht van het geld. Is dat prettig, meer kunnen kopen voor een Euro? Die vraag is tamelijk zinloos. Het gaat erom of je meer kunt kopen voor je inkomen. En dat bedoel ik niet alleen als simpele, banale waarheid. Want de inkomens veranderen noodzakelijkerwijs mee met de prijsstijging. Wanneer het brood duurder wordt – dan stijgt de omzet van de Albert Heijn. En wellicht is het zo dat de AH dit extra inkomen als hogere inkoopsprijs moet doorgeven aan de broodfabrikant, die het weer als hogere meelprijs doorgeeft aan de meelfabriek die het weer als een hogere graanprijs doorgeeft aan de boer, die het weer doorgeeft aan de eigenaar van het land dat hij pacht. Maar ergens in deze keten leidt een hogere prijs tot een hoger inkomen. Waarbij het er natuurlijk ook om gaat wie dat inkomen krijgt (tip: in dit geval belandt het, als de graanprijs hoog blijft, niet bij de AH of bij de broodfabrikant of bij de meelfabrikant of bij de boer, tenzij de overheid de pachtprijzen reguleert).

Macro-economisch wordt deze hele keten kortgesloten. Dan kijken we, in de nationale rekeningen, enkel naar de netto-inkomens en bestedingen en niet naar alle tussenliggende schakels. En dan geldt

Inkomen = productie = bestedingen

Als u 100,– besteedt dan leidt dat tot 100,– meer aan verkopen en productie wat tot 100,– meer aan inkomen leidt, gerekend over de hele productiekolom. U kunt dit nalezen op p. 16 van de nationale rekeningen van Nederland van 2011. Het statistisch aardige van dit verhaal is dat je alle drie de kanten apart kunt meten – en dan klopt het dus (ongerekend wat meetfoutjes en dergelijke). Terzijde en als verdediging van de economen: soms is de macro-economie wel degelijk een wetenschappelijk vak, met duidelijke concepten, definities, meetmethodes en complete consistente modellen.

Wat gebeurt er dus als de prijzen van de goederen die u koopt stijgen? Dan stijgen de (nominale) bestedingen. En dan stijgt dus de (nominale) productie. De reële productie (het aantal kilogrammen graan) hoeft niet te stijgen, maar de geldelijke waarde ervan stijgt, per definitie, want u betaalt er meer voor. En dus stijgt, noodzakelijkerwijs, ergens in de keten het inkomen. Inkomens stijgen dus mee met de inflatie.

De vraag is natuurlijk ‘welke inkomens’? De inkomens van spaarders die hun centen in aandelen, obligaties en andere antiquiteiten te steken? Of de avontuurlijke ondernemers? Terzijde – ik ben nu allerlei verslagen van studenten aan het lezen, over bacteriën die plastic maken, planten die vervuiling uit de grond halen, biest-immuunglobulinen die als een soort antibioticum kunnen worden gebruikt en alternatief gebruik van braakliggende terreinen en wat dat allemaal kost en opbrengt. Veel spannender dan die pensioendiscussie! Maar goed – wellicht komt het bij die saaie spaarders terecht. Of de landeigenaren. Of, als we zo verstandig zijn om de lonen weer aan de inflatie te koppelen, bij de lonen. Dat is een sociale/juridische/economische strijd tussen de loontrekkers (loonindexatie), de spaarders (obligaties met inflatiebescherming, dank aan Lex Hoogduin voor de tweet dat je die besparingen in geval van verplichte pensioenen ook als uitgesteld loon kunt zien), de grondeigenaren (de heffing op de huren en de woningcorporaties!), de banken (Vestia…) en de ondernemers. Daar gaat dit niet over. Maar het komt bij de inkomens, linksom of rechtsom. Waardevermindering van het geld leidt dus niet tot waardvermindering van het totale (!) inkomen. Inclusief overigens het inkomen van bijvoorbeeld de oliesjeiks in Saoudi-Arabië.

Genoeg getreuzeld, ik ga verder met nakijken.

 

Oeps. Ewoud Jansen heeft Minsky niet gelezen… (2 grafieken)

Ewoud Jansen wil in de Volkskrant van vandaag (5 juli 2013) het verbieden verbieden. Het gaat om het verbod op aflossingsvrije hypotheken. Dat moet niet mogen. Want tegenover zo’n lening staat dat je anders toch huur had moeten betalen terwijl je het geld dat je aflost ook kunt beleggen, waardoor je de rente op de lening weer terugverdient. We laten hier even terzijde dat de rente op de lening zwaar gesubsidieerd wordt door de hypotheekrente-aftrek. Want ook zonder dat merkwaardige fenomeen valt er wat af te dingen op de redenering van Jansen.

In zijn stuk laat hij zien dat hij de (micro-)economieboekjes gelezen heeft: hij behandelt geld als ruilmiddel, rekeneenheid en oppotmiddel waarbij hij ingaat op het transactiemotief, het voorzorgsmotief en het speculatiemotief. Daarbij gebruikt hij, onderliggend, de theorie van de rationele markten: “een hypothecaire schuld is eigenlijk niets anders dan de contant gemaakte toekomstige woonlasten”. Alsof je nu de informatie hebt waarmee je die realistisch contant zou kunnen maken… die heb je dus niet. De Grieken hadden drie jaar geleden ook niet gedacht dat het prijspeil, zoals nu het geval is, met 3% op jaarbasis zou dalen, zodat de reële lasten van hun schulden aanzienlijk toenemen. En ik had ook niet gedacht dat mijn netto nominale inkomen in 2015 wel eens lager zou kunnen zijn dan in 2005. Waarbij ik het nog niet eens heb over mijn koopkracht… Zodra je de woonlasten ‘reëel’ gaat maken gaan zulke sommetjes niet meer op. En hoe zit dat met dergelijke disconteringssommen en de HRA (sorry, nou noem ik die toch…)?

Daarnaast: hij vergeet het stukje ‘macht’ – ondertussen zijn er 350.000 Spaanse gezinnen uit hun huis gezet, door de banken. Waarbij die banken, als die in de betalingsproblemen komen, anders dan de Spaanse huishoudens opeens niet meer aan hun verplichtingen hoeven te voldoen en anderen daarvoor kunnen laten opdraaien, zie Cyprus, zie Ierland, zie SNS. En waarbij zeker geen 350.000 Spaanse bankiers hun baan verloren hebben… Terzijde – maakt u zich geen enkele illusie over hoe dat er allemaal aan toegaat, je wordt zoals uit recent opgedoken audio-opnames uit Ierland blijkt en tot groot plezier van de zwendelaars bankiers belogen en bedrogen en bezwendeld waar je bij staat.

Maar eigenlijk ben ik het niet helemaal met Jansen oneens. Een hypotheek hoeft niet helemaal afgelost (hoewel je ook uit je huis gezet kunt worden als je nog maar 5.000,– schuld hebt!). En het is zoals hij zegt handig om naast een hypothecaire schuld toch een spaarcentje achter de hand te hebben, voor onverwachte uitgaven (het voorzorgsmotief).  Of om van buitenkansjes gebruik te maken (het speculatiemotief). Jansen noemt dit (nood)gevallen. Dat zijn ‘geldige’ argumenten. Toch was het verstandig geweest als Jansen ook de (macro-)economieboekjes gelezen had. Want dan doemt opeens een totaal ander, duister en bedreigend beeld op.

Het blijkt namelijk dat de hypothecaire schuld van de Nederlandse huishoudens de afgelopen twintig jaar explosief gestegen is (letterlijk explosief tot en met 1999, daarna lineair tot en met 2008). We hadden 100 miljard schuld, in 1990. In 2012 was dat gestegen tot meer dan 700 miljard. Oei. En dat terwijl de werkloosheid oploopt en de inkomens van huishoudens snel dalen.

aa3

Bron: CBS, nationale rekeningen, sectorrekeningen huishoudens.

Hoe verhoudt deze verzevenvoudiging van de macro-schuld zich tot het idee dat “hypothecaire schuld niets anders (is) dan de [middels een zwaar gesubsidieerde rente?, M.K.] contant gemaakte toekomstige woonlasten”? Zijn die woonlasten ook ineens verzevenvoudigd? Of, rekening houdend met een lagere rente, verdrievoudigd of zo? Heeft een rationele markt op basis van een lagere rente en dergelijke zijn werk gedaan en geleid tot een hogere gedisconteerde waarde van alle toekomstige woonlasten?

Natuurlijk niet. Als banken geld uitlenen op basis van een hypotheek dan hebben ze anders dan bijvoorbeeld pensioenfondsen het recht om daar nieuw geld voor te scheppen. Er moeten daar reserves tegenover staan – maar die konden ze makkelijk krijgen door hypotheken te securitiseren en door te verkopen. bovendien werden dat soort regels voortdurend versoepeld. Banken konden dus bakken met rente-inkomsten verkrijgen door bakken met nieuw geld te scheppen. Daar hadden ze echter wel iemand voor nodig dit dat geld wilde lenen. Banken hebben de geldpers in bezit – maar de lener zet hem aan. Waarbij sprake was van het perverse effect dat de hypotheek niet enkel gebaseerd was op het inkomen van de lener maar op op de toekomstige waarde van de woning. En die waarde nam toe en toe en toe, omdat mensen, onder meer omdat ze van de banken niet meer terug hoefden te betalen, steeds meer konden lenen waardoor ze meer voor de woningen konden betalen. Wat vervolgens weer tot hogere leningen leidde. Niets nieuws overigens. In lijn met het denken van Minsky was er sprake van een overgang van ‘hedge borrowing’ naar ‘speculative borrowing’ en ten dele zelfs naar ‘Ponzi borrowing’, Jansen zelf is duidelijk van het speculatieve type:

The “hedge borrower” can make debt payments (covering interest and principal) from current cash flows from investments. For the “speculative borrower”, the cash flow from investments can service the debt, i.e., cover the interest due, but the borrower must regularly roll over, or re-borrow, the principal. The “Ponzi borrower” (named for Charles Ponzi, see also Ponzi scheme) borrows based on the belief that the appreciation of the value of the asset will be sufficient to refinance the debt but could not make sufficient payments on interest or principal with the cash flow from investments; only the appreciating asset value can keep the Ponzi borrower afloat.

Elk jaar werd er op deze manier meer en meer geld in de economie gepompt. En dat ging niet om kattepis (grafiek 2).

aaa4

Tussen 1990 en 2008 werd er elk jaar rond de 45 miljard aan nieuw geld in de Nederlandse economie gepompt. Wat dus, omdat de woningmarkt nu eenmaal vooral bestaande objecten betreft, tot woningprijsinflatie leidde. Er was sprake van meer dan een verdubbeling van de voor geldontwaarding gecorrigeerde prijzen van woningen. Ondertussen is er al weer aardig wat lucht uit de prijzen gelopen – maar niet uit de leningen. Wat, omdat de inkomens dalen en de werkloosheid oploopt en de woningprijzen dalen, in toenemende mate ook een probleem voor de banken wordt (de banken waren natuurlijk duidelijk uitleners van het Ponzi-type, door geen eisen te stellen aan terugbetaling van de hoofdsom).

Beste Ewoud, we leefden in een ‘Ponzi-wereld’, of je het nou wil of niet. En we moeten maatregelen nemen om dat voor de toekomst te voorkomen. Leningen althans ten dele terug betalen is daar een van de belangrijkste van. Odysseus verbood zijn schepelingen om hem los te maken van de mast, toen hij naar de sirenen luisterde. Hypotheekadviseurs zijn de moderne sirenen…

Potverdikkeme – ondertussen is dit allemaal al aan de gang sinds augustus 2007, toen de interbancaire markt opeens bevroor. En nog moet je dit soort stukjes schrijven…

Page 1 of 212
top