search
top

Recensie Happiness quantified

Happiness quantified is een onthutsend boek. Om die bewering te onderbouwen is eerst een kleine achtergronds schets nodig. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de marginalistische theorie razend snel populair in economische kringen. Zij verklaart het economische handelen uit de persoonlijke voorkeuren, en wordt om deze eigenschap ook wel de subjectieve theorie genoemd. Mensen proberen zoveel mogelijk eigen nut of lust te realiseren met hun handelen. Ze knorren aan de volle bak. Aldus wordt niet enkel verklaard hoe de mensen onderling hun eigendommen ruilen, maar ook kan daaruit een systeem van product prijzen worden afgeleid1.

Afbeelding Happiness quantifief

De marginalistische leer, die tegenwoordig enigszins verwarrend ook wordt aangeduid als neoklassiek, heeft enkele ingrijpende consequenties. Met name suggereert de vondst van de nuts afweging, dat je de totale hoeveelheid nut bij een individu kunt meten. Of, om nog eens een andere term te gebruiken, er bestaat een maat voor de persoonlijke tevredenheid. Er is geen hartje zonder smartje. Vervolgens is het een kleine stap om te veronderstellen, dat ook de inter-persoonlijke verschillen in tevredenheid kunnen worden bepaald. En daaruit kan met een beroep op de gerechtigheid de noodzaak van herverdelingen worden aangetoond. Dat zet de eigendoms verhoudingen onder druk, en dus de hele maatschappelijke structuur. In laatste instantie komt een maatschappelijke welvaarts functie binnen handbereik.

Bovendien betekent het subjectieve karakter, dat de psychologie haar intrede doet. Dat vakgebied is in hoge mate speculatief. Het botst met het streven van de economen om onveranderlijke principes te vinden, waarmee de bestaande orde kan worden gerechtvaardigd. In Happiness quantified beschrijven Bernard van Praag en Ada Ferrer-i-Carbonell, hoe de marginalistische economen bakzeil haalden en begonnen aan een terugtrekkende beweging. Ziet gij een vos omtrent uw slot, sluit dan vrij uw hoenderkot. Aller eerst betoogde de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto, dat voor een helder inzicht het nut en de tevredenheid niet direct hoeven te worden gemeten. Het volstaat om de individuele behoeften te ordenen naar hun prioriteit. Zo een meetschaal noemt men ordinaal.

Na Pareto gingen andere marginalisten de nuts metingen nog meer beperken. Vooral de econoom Lionel C. Robbins heeft de kwantitatieve meetbaarheid (aangeduid als cardinaliteit) met kracht bestreden. Zijn aanval is in vruchtbare aarde gevallen, omdat hij de economie weer objectief maakt. Men weet waar men zijn kaarsje moet laten branden. De bewering van Robbins en zijn navolgers is min of meer een dogma geworden, en de cardinaliteit kreeg geen slag meer aan de bak2. Toch is de overwinning niet definitief. Het probleem is namelijk, dat sommige takken van de economische wetenschap enkel kunnen ontwikkelen, wanneer er een cardinaal nut wordt verondersteld. De beperkingen door Robbins maken dat onderzoek onmogelijk.

Bernard van Praag, die de drijvende kracht is achter Happiness quantified, deed al in 1968 het voorstel om tevredenheid te meten simpelweg door de individuen er naar te vragen. Deze meet methode is algemeen gebruikelijk in de sociologie en in de psychologie, en koppelt (des gewenst kwantitatieve) waarden aan de emoties van de subjecten. Van Praag heeft een levens project gemaakt van deze onderzoeks methodiek, dat is door gegaan zelfs na zijn pensionering in 2004. Zo lopen de gootjes als het regent. Zijn werk is dermate veelzijdig, dat de publicaties zijn verspreid over allerlei vakgebieden. Belangstellenden mogen zich gelukkig prijzen, dat hij de moeite heeft genomen om zijn erfenis te bundelen en toegankelijk te maken in het boek.

Zó groot zijn de consequenties van zijn werk, dat de Nobel prijs binnen handbereik ligt. Des ondanks staat Happiness quantified nog niet in de top tien van wetenschappelijke boeken-lijsten. Hoe komt dat? Als even wordt afgezien van de persoonlijkheids structuur van Van Praag (die uw recensent niet kent), dan vormt in ieder geval het technische karakter van de materie een blokkade. Het werk maakt intensief gebruik van geavanceerde statistische methoden, en dat schrikt leken af. Omgekeerd zullen technische specialisten worden afgeschrikt door de vele toepassingen. Van Praag staat met één been in de practijk, en is een drijvende kracht achter onder andere de kranten enquêtes van de GPD en het geluids onderzoek rond Schiphol. En tenslotte is het werk inter-disciplinair, balancerend tussen de economie en de sociologie. Het is noch mossel noch vis. Helaas helpt zo een positie ook niet. Ieder zijn vak, zei de metselaar, en hij viel in de kalkbak.

Niet alleen meet de methodiek subjectieve behoeften, maar bovendien moet de onderzoeker zèlf een persoonlijke inbreng leveren. Immers er moeten vragen lijsten worden geformuleerd, die precies de cruciale gegevens verzamelen. Het volstaat niet om naar de tevredenheid te vragen, want de oorzaken achter de lust en onlust moeten worden bloot gelegd. De geluks economie wil causale verbanden aantonen, want dat is haar bestaans grond. De situatie van het subject moet in zo weinig mogelijk kengetallen worden vastgelegd. Bouw geen molen om een bak zaad te krijgen. Afhankelijk van het tevredenheids thema zal dat beter of slechter lukken. De onderzoeker is als een kat in het kegelspel.

Daarbij draagt de onderzoeker een grote verantwoordelijkheid, want een verkeerde keuze van de situationele kengetallen zou de echte oorzaken verhullen. Dat heeft grote gevolgen. Immers de geluks economie heeft de ambitie om richting gevend te zijn bij de beleids bepaling van de politiek. Men kan zich de nachtmerrie voorstellen wanneer allerlei lobbyisten en belangen groeperingen komen met zelf bedachte vragen lijsten om hun eigen gelijk te bewijzen. Dan is de kat in de gordijnen. De methodiek heeft enkel zin, wanneer het lukt om een brede consensus en dus een standaardisering te bereiken met betrekking tot de vragen lijsten. Deze stap wordt karig behandeld in het boek. Het wil vooral baan brekend zijn. Misschien is dit iets voor een volgend boek?

Welke beleids domeinen komen ter sprake in Happiness quantified? Van Praag begon zijn werk ooit met het bestuderen van inkomens verdelingen, en dat zal althans de econoom zeer aanspreken. In hoofdstuk 2 introduceert Van Praag de statistische probit methode, toegepast op de inkomens tevredenheid. Ook beschrijft hij hier aanvullende methoden, zoals de inkomens evaluatie vraag van de Leidse School. Hun toepassing op reeds bestaande gegevens levert inderdaad verrassende inzichten op. Hoewel de tevredenheid daadwerkelijk stijgt met de hoogte van het inkomen, is de samenhang zwak. De persoonlijke houding jegens de eigen situatie is doorslag gevend. Die de pan bij de steel heeft, keert ze zo hij wil3. Dat verklaart natuurlijk waarom de linkse politiek van herverdeling zo vaak het onderspit delft.

Van Praag en Ferrer-i-Carbonell onderzoeken ook andere domeinen van tevredenheid, met name betreffende de gezondheid, de baan, de eigen welstand, de woning, recreatie, het milieu (onder andere geluids hinder), de maatschappij, het huwelijk, de politiek, het klimaat, en de belastingen. Met welke saus wil je het liefst gebraden worden, vroeg de kok de haas. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de resultaten. Inderdaad is de methodiek toepasbaar op elk willekeurig levens domein4. Bovendien laat het hoofdstuk 4 zien hoe de relatieve invloed van een bepaald domein op de algemene tevredenheid met het leven kan worden gemeten. Omgekeerd kan de methodiek worden gebruikt om een bepaalde domein tevredenheid verder op te splitsen. Bijvoorbeeld ontleden de auteurs aldus de baan tevredenheid.

Met tijd en vlijt geraakt men wijd. De volgende hoofdstukken onderzoeken de politieke tevredenheid, de verschillen tussen de seksen, de invloed van het verleden en de toekomst op de behoeften, de invloed van referentie groepen, en de gezondheids tevredenheid. Hoofdstuk 10 onderzoekt de invloed van het klimaat op het persoonlijke welbevinden. In hoofdstuk 11 komt de geluids hinder voor de gemeenten rondom Schiphol aan de orde. Hier openbaren zich enkele practische nadelen van de methodiek. Namelijk Van Praag probeert er te berekenen hoe de omwonenden financieel kunnen worden gecompenseerd. Aldus staan enorme financiële belangen op het spel.

Nu blijkt in het hoofdstuk dat de algemene tevredenheid van de omwonenden niet statistisch significant samen hangt met het locale geluids niveau! Dit resultaat zal de onderzoeker niet populair maken bij de omwonenden. Vervolgens onderzoekt Van Praag de samenhang tussen de ervaren geluids hinder en het geluids niveau, en die is wèl significant. En tenslotte wordt via de tussenstap van die ervaren geluids hinder er toch alsnog een significante samenhang met de algemene tevredenheid geconstrueerd! Dit bevreemdt uw recensent, die deze statistische omweg niet kan verklaren, zonder het direct te willen verwerpen. In ieder geval dreigt het debat over geluids hinder te verzanden in een debat over de deugdelijkheid van statistische methoden. Een stamelaar wil altijd spreken, al is het zelfs van zijn gebreken.

Hoofdstuk 11 is een abstracte discussie over het belasting systeem, waarin wordt voorgesteld om de burgers financieel te belasten volgens hun intelligentie en leer vermogen. De hoofdstukken 13 tot en met 16 zijn weer theoretisch spectaculair, omdat de methodiek daar leidt tot de constructie van een meetschaal voor inkomens ongelijkheid en armoede. De momenteel beschikbare maatstaven zijn primitief (zie onder andere het werk van Jacob van der Wijk), en daarom is de aanpak met behulp van het subjectieve nut (hoewel dus klaarblijkelijk enigszins controversieel) beslist een verbetering. Men moet straten uit stegen kennen.

Intussen is het ongetwijfeld duidelijk aan de lezer, dat uw recensent Happiness quantified warm aanbeveelt. Toegegeven, het boek schotelt veel lastige en geavanceerde statistische technieken voor. Slechts wie hiermee zelf aan de bak wil, zal hieraan plezier beleven. Maar dit wordt goed gemaakt door de vele toepassingen, waarbij allerlei verrassende causale oorzaken van onvrede en onlust worden ontdekt. Zeker, veel van de resultaten zijn inderdaad controversieel. Des al niet te min zijn zij waardevol, omdat zij de potentie van de methodiek aantonen, tenminste zolang zij zéér terug houdend wordt toegepast. Wie leverworst eet en een weduwvrouw trouwt, weet niet wat er is ingedouwd.

Misschien nog wel de belangrijkste boodschap van Happiness quantified is, dat de economische wetenschap jarenlang is opgehouden door het dogma van Robbins en zijn navolgers. De cardinale nuts meting is wel degelijk mogelijk, en zij levert een bruikbare bijdrage aan de vergroting van onze kennis horizon. Dogmatiek is gewoonlijk bedoeld om bepaalde materiële belangen te beschermen, en dat staat haaks op de taak van de wetenschap om de maatschappij rationeel in te richten. Het getij gaat zijn gekeer, het ziet naar prins noch heer. Overigens is cardinale nuts meting geen verplichting. Veel toepassingen in Happiness quantified hebben voldoende aan de meer beperkte ordinale schaling.

  1. Handel is een bron van vermaak. “Goedemiddag, slotenmaker. Repareert u ook vijvers?” Andere bak: een man bestelt 99 broodjes. De bakker stelt voor: “Neem er toch 100!” De man antwoordt: “En wie moet die dan allemaal opeten?” En dan zijn er de product specificaties: “Ik wil een rolstoel van antiloop leer”. Of: Een man in de winkel vraagt naar kleurloze schoen-smeer. Vraagt de verkoper: “Voor bruine of zwarte schoenen?” Of: “Sterkte”, zegt de opticien.
  2. Het dogmatische karakter wordt duidelijk wanneer men enkele leerboeken naslaat. Bijvoorbeeld Micro-economie van F.J. Dietz, W.J.M. Heijman, en E.P. Kroese (p.136): “Een probleem is dat nut volgens de meeste economen niet kardinaal meetbaar is. Door het werk van ondere anderen Van Praag is de invloed van de kardinale opvatting van nut weer toegenomen. Beslissingen over bijvoorbeeld de uitbreiding van Schiphol zouden snel kunnen worden genomen als nut kardinaal meetbaar zou zijn. Dat is echter niet het geval”. Of Inleiding tot de economische wetenschap van G.Th.J. Delfgaauw (p.156): “Herhaald zij, dat het nut geheel afhangt van de waarderende persoon. Wij kunnen ook in het geheel niet vaststellen of A van een bepaald goed meer geniet dan B. Inter-persoonlijke nuts vergelijkingen zijn onmogelijk”. Of Mikroökonomische Theorie van W. Hoyer en W. Eibner (p.45): “Helaas beschikken huishoudens noch over een maat-eenheid, waarin het nut correct kan worden weergegeven, noch over de mogelijkheid om nuts ervaringen betrouwbaar uit te drukken in reële getallen”. En zelfs het toch vaak innovatieve boek Volkswirtschaftslehre van M. Heine en H. Herr (p.33): “Het moderne concept van de nuts maximalisatie heeft voldoende aan de ordening van voorkeuren. De vaders van de neoklassieke modellen waren er nog van overtuigd, dat men het nut kwantitatief kan meten. Het bleek echter – weinig verrassend – dat zulke berekeningen stoten op onoplosbare problemen – niet in de laatste plaats, omdat de omvang van een nuts toename enkel individueel wordt gewaardeerd en inter-subjectief niet kan worden vergeleken”. Uiteraard kan dit niet overtuigen. Immers je kunt individuen vragen om hun nut kwantitatief te wegen. In de sociologie en de psychologie is deze wijze van cardinaal meten algemeen geaccepteerd. Vervolgens zijn deze subjectieve schalen zelfs bruikbaar voor een inter-persoonlijke vergelijking. En tenslotte kan uit dit alles tezamen een maatschappelijke welvaarts functie worden geconstrueerd. Het is onverstandig om dogmatisch deze zo essentiële onderzoeks terreinen te blokkeren.
  3. Henriëtte Roland Holst – van der Schalk formuleert het mooi in het gedicht Over de vreugde van het goede handelen uit de bundel Sonnetten en verzen (p.57): Laten wij dan van deze [het verleden] ons afwenden / en aan ‘t heden al onze kracht spendeeren, / om iedre dag door zorgzaamheid zóó te eeren / dat hij één licht wordt met die hem belenden / opdat de moeilijkheden en de ellenden / bij ‘t verder gaan in geneugten verkeeren / en de riemen die wij met kracht hanteeren / onze boot door rustige wat’ren zenden.
  4. En hier kan het gedicht Wij zoeken ‘t ver uit de bundel Uit stilte en strijd van C.S. Adama van Scheltema worden geciteerd: Wij zoeken ‘t ver: – / Ik zoek de zegenrijke vrucht / Van wijsheid en volkomen weten, / Ik zoek de sterren aan de lucht / En alle hemelen te meten – / Maar ach, hoe hooger of ik stijg, / Hoe meer of ik naar adem hijg! / Gij zoekt te zien wat niemand kent, / Wilt gij nog meer zien dan uw oogen, / Zoo streeft gij uit uw element / En zwijmt gij als een visch op ‘t droge: / Slechts die zich uit zichzelven wenscht / Voelt zich en zijne ziel begrensd! / Gij zoekt – en elk gevonden hart / Verliest gij reeds bij het ontvangen, / Omdat ge, in eigenmin verward, / Slechts liefde voelt voor uw verlangen: / De liefde, die gij ‘t leven vraagt, / Bloeit in het hart dat ge in u draagt!

Cardinaal nut bestaat wèl!

De bekende econoom Vilfredo Pareto, de opvolger van Walras, heeft aangetoond dat in het algehele evenwicht van Walras de beschikbare middelen optimaal worden benut. Binnen de heersende eigendoms verhoudingen worden alle hulpbronnen kundig toegewezen. De consumenten optimaliseren hun nut, en de producenten hun winst. De resulterende toestand wordt Pareto-optimaal of Pareto-efficiënt genoemd. Kort samenvattend, als een geheugen opfrisser voor de ingewijde lezer: het algemene markt-evenwicht van Walras met Pareto-efficiëntie baseert op drie peilers:

  • De eind-producten worden zodanig geconsumeerd, dat bij alle huishoudens de marginale ruilvoet (substitutie) van producten gelijk is en overeen komt met de omgekeerde prijs-verhouding. Hij is paars gewijze gelijk aan de omgekeerde verhouding van de grensnutten van de producten.
  • De productie-factoren worden zodanig ingehuurd, dat in alle bedrijfs-takken de marginale ruilvoet (technische substitutie) van productie-factoren gelijk is en overeen komt met de omgekeerde prijs-verhouding. Hij is paars gewijze gelijk aan de omgekeerde verhouding van de grensproducten van de factoren.
  • Bij elke verzameling eind-producten is de zogenaamde marginale ruilvoet van de transformatie gelijk aan de marginale ruilvoet van producten bij de consumenten.

Vaak wordt overzien, dat in de context van het neoklassieke paradigma het begrip optimaal enkel slaat op de volledige benutting van alle mogelijkheden binnen de heersende orde. Het uitgangs-punt van het evenwichts-model is een al bestaande verdeling van rijkdom, en die kan zeer onrechtvaardig zijn. Zelfs indien zeer scheve eigendoms-verhoudingen dwingend de sociale revolutie zouden oproepen, dan nog zou het ancien régime Pareto efficiënt kunnen zijn. Omgekeerd kan de staat rustig (bijvoorbeeld langs democratische weg) de eigendoms verhoudingen veranderen, en vervolgens de Pareto optimale toestand realiseren.

Het neoklassieke paradigma kan dus niet aangeven, wanneer het optimum van de maatschappelijke welvaart is bereikt. De reden van deze tekort koming is, dat het paradigma enkel de nuts-beleving van een individu beschouwt. Het is onmogelijk (en deze opvatting is voor het eerst verkondigd door Pareto) om een getal te koppelen aan het nut (cardinale meting). Men kan enkel een rang-orde aangeven (ordinale meting). Sterker nog, de nuts-belevingen van twee individuen onderling kan niet worden vergeleken. Een broodje bij een copieus diner kan evenveel (of meer) nut hebben als een broodje voor een hongerige dakloze. Een gevolg van Pareto’s bewering is, dat er geen maatschappelijke “cardinale” nuts-functie zou bestaan. De opvatting van Pareto is omarmd door de economische wetenschap. En toch is dat allerminst vanzelfsprekend.

De mens-wetenschappen verschillen van de natuur-wetenschappen door de aard van het object, dat moet worden onderzocht. Bijvoorbeeld doorvorst de sociologie de menselijke houding, dat wil zeggen allerlei gedragingen en meningen, in een maatschappelijke context. De kennis over dit thema is eveneens vereist in de economische wetenschap, voor zover die terug grijpt op subjectieve keuzen, zoals bij menselijke voorkeuren. Een onderzoeker zal een bepaald aspect van de menselijke houding onder de loep nemen, en een poging doen om de empirische en theoretische kennis daarover te vergroten. Gewoonlijk worden de empirisch verzamelde gegevens zodanig omgewerkt, dat zij kunnen worden gerepresenteerd door één of meer indicator(en). Aldus kan de in de gegevens opgeslagen informatie kern-achtig worden weergegeven. Er wordt vooral gezocht naar causale verbanden.

Een indicator is objectief, wanneer hij is opgebouwd uit feitelijke gegevens (aantallen, hoeveelheden, formele typeringen, materiële observaties en waarnemingen, enzovoort). Een indicator is subjectief, wanneer hij is samengesteld uit persoonlijke meningen. Er zijn geen andere grenzen gesteld aan de gedaante van een indicator, dan dat hij informatie verstrekt over het bestudeerde aspect van de menselijke houding. Een veel voorkomend voorbeeld van de indicator is de index (zelf eventueel samengesteld uit diverse indices, zoals bij de human development index).

De numerieke waarde van de indicator wordt gevonden door allerlei metingen uit te voeren binnen de doelgroep van het onderzoek. Het toekennen van een waarde aan de indicator vereist, dat er een meet-schaal beschikbaar is. In de sociologie wil men vaak ontdekken, welk bewustzijn binnen de groep heerst ten opzicht van een aspect of thema. Een veel voorkomende waarde-meting van een indicator is de vragen-lijst, waarbij elke vraag betrekking heeft op een bepaald item. Elk item heeft zijn eigen schaling. Een voorbeeld is de inkomens-tevredenheid, die kan worden vast gesteld in slechts één vraag (item). Pareto en vooral zijn navolgers beweerden dat nut niet waarneembaar is, maar zij hebben de mogelijkheid van de ondervraging overzien.

Metingen moeten objectief zijn, dat wil zeggen, bij alle onderzoekers een zelfde resultaat opleveren. Voorts moeten ze betrouwbaar zijn, en dus reproduceerbaar in een herhaling. En tenslotte moet de meet-methode geldig zijn, dat wil zeggen, een zinvol resultaat opleveren. Dit laatste kan bijvoorbeeld worden getoetst aan de hand van een theoretisch model (constructie). Stel dat het theoretische model de waarde X oplevert, dan is de meet-waarde Y = X + ε, waarin ε de afwijking weergeeft. De afwijking mag geen systematisch karakter hebben, want dan deugt de meet-methode niet (of het model). Daarom moet de verwachtings-waarde E[ε] van ε over een groot aantal metingen gelijk zijn aan nul.

De theoretische constructie wordt ook wel de latente dimensie genoemd, omdat zij niet direct waarneembaar is. Soms is het model meer-dimensionaal, en maakt gebruik van bijvoorbeeld n grootheden Xj (j=1, …, n). In zo een factor-analytisch model voldoet de meet-waarde aan Y = (α·X) + ε. Hierin is X de vector-notatie van Xj en α is een vector van constanten, waarvan de waarden zodanig worden aangepast, dat de identiteit met Y zo goed mogelijk geldig is. Dit aanpassings-proces heet in het Engels een fit. De term tussen haken stelt het algebraïsch inproduct voor.

Keren wij terug naar het onderscheid dat wordt gemaakt tussen een ordinale schaling en een cardinale schaling van het economische nut. De cardinale schaling is inderdaad van een hoger niveau dan de ordinale, en dus wat ingewikkelder. Maar dit betekent tevens, dat zij meer informatie oplevert. Niet zelden is die extra informatie van vitaal belang, zodat toch de cardinale benadering de voorkeur heeft. Ook in de economie groeit de aanhang voor deze benadering met de opkomst van de inter-disciplinaire wetenschap.

Overigens valt op dat in de economische practijk het gebruik van het cardinale nut impliciet wèl gangbaar is. In bijna elk inleidend leerboek over micro-economie vindt men afbeeldingen van de nutsfunctie. Voorts is cardinaal nut onmisbaar voor theorieën over het gedrag bij risico, waarin gebruik wordt gemaakt van de expected utility. Nog een intrigerende toepassing van het cardinale nut is de schaling van het geldnut bij inkomens. Kortom, het wetenschappelijke inzicht zou er ernstig onder lijden, wanneer zou worden vastgehouden aan het dogma van het ordinale nut. Effectief zou een veld van onderzoek worden geblokkeerd. Cardinaal nut bestaat wèl!

Kapitaal bestaat niet

Misschien wel in de eerste economie-les leert elke student dat er twee productiefactoren bestaan, te weten arbeid en kapitaal. Vooral het neoklassieke paradigma heeft een indrukwekkende productie-theorie opgebouwd op deze eenvoudige voorstelling. Uiteraard is de factor kapitaal een abstractie, want niemand heeft ooit “kapitaal” als arbeidsmiddel of als arbeidsvoorwerp gezien. Kapitaal is dan de samenvoeging van al die fysieke objecten tot een homogene massa, tot een geaggregeerd kapitaal. Het zal niet verbazen, dat een dergelijke homogenisering leidt tot allerlei conceptuele problemen. Halverwege de twintigste eeuw verzette de enige vrouwelijke econoom van naam, Joan Robinson, zich met kracht tegen de bruikbaarheid van dit kapitaal-begrip. De wiskundige perfectionering van haar bezwaren is in 1960 volbracht door Piero Sraffa, dank zij zijn klassieke boek Production of commodities by means of commodities.

Een cruciaal aspect van de neoklassieke productietheorie is de substitutie van productiefactoren. De schaarste van een productiefactor bepaalt zijn prijs. Als de prijs van een productiefactor stijgt, dan zullen de producenten overstappen naar een productietechniek, die minder gebruik maakt van die productiefactor. Dat is mogelijk, omdat er altijd meerdere productietechnieken beschikbaar zijn, die de diverse productiefactoren combineren in verschillende verhoudingen. Op het microeconomische niveau is veel te zeggen ten gunste van deze redenatie.

Evenwel het neoklassieke paradigma wil de microeconomische productie aggregeren tot een algemeen macroeconomisch evenwicht, en Sraffa laat zien dat daar het neoklassieke betoog faalt. Als kapitaal wordt gehomogeniseerd, dan wordt daarbij gebruik gemaakt van de productprijzen. En in die prijzen zijn weer de prijzen van alle productiefactoren verwerkt. De prijsstijging van één productiefactor verandert tevens de prijzen van de andere productiefactoren. En a priori is onmogelijk te voorspellen wat daarvan het resultaat zal zijn.

Sraffa heeft de macroeconomische situatie doorgerekend met een model, waarin de ondernemingen proberen om het kapitaalrendement maximaal te maken. Dat is niet helemaal hetzelfde als het neoklassieke paradigma, dat uitgaat van de maximalisatie van de winst, maar des al niettemin alleszins verdedigbaar. Sraffa ontdekt dat aldus bij een stijgend loonpeil de ondernemingen soms eerst zullen overstappen van techniek A naar techniek B, en vervolgens, wanneer het loonpeil doorstijgt, weer van techniek B naar techniek A. Dit verschijnsel, dat de terugkeer van de techniek wordt genoemd (in de Engelse taal reswitching) weerlegt het substitutie-denken van het neoklassieke paradigma.

De ontdekking van Sraffa heeft ruime bekendheid gekregen, ook in Nederland. De bekende econoom A. Heertje heeft er in 1973 zelfs een heel boek aan gewijd, Economie en technische ontwikkeling geheten. En in 1976 publiceert W. van Drimmelen over hetzelfde thema zijn proefschrift Meerwaarde en winst, dat dankzij SUN breed is verspreid. Indertijd verschijnen er in het Tijdschrift voor politieke ekonomie regelmatig artikelen over. Maar over het geheel genomen was de economische gemeenschap niet blij met de ontdekking, omdat zij immers de neoklassieke macroeconomie weerlegt. En die was tot dan toe een paradepaardje. Zo jubelt de bekende econoom J. Pen: “En in de derde plaats is de (neo)klassieke theorie, met haar geweldige formules, een mooi object voor studenten en andere leergierigen om eens flink de tanden in te zetten. Het is een stuk van de economie dat ons vertrouwen geeft in de ingeniositeit van de vakmensen, en dat is wat waard”.

De verzuchting van Pen laat iets zien van de behoudzucht, waarmee iedere intellectueel worstelt. Over de kritiek op het kapitaal-begrip schrijft hij: “Maar dan bestaat er ook geen arbeidsvolume en geen nationaal product en de hele macroeconomie kan worden afgeschaft. Dat bespaart veel moeite, maar bevredigt ons toch niet”. Kennelijk vindt Pen het beter om vast te houden aan het theoretisch ondeugdelijke begrip van het geaggregeerde kapitaal. De Noord-Amerikaanse econoom N.G. Mankiw verzwijgt in zijn boek macroeconomics (waaruit helaas nog steeds wordt onderwezen in sommige Nederlandse universiteiten) het probleem gemakshalve. En hij is niet de enige.

Zoals blijkt uit de verzuchtingen van Pen is hier niet meer sprake van een theoretische controverse. Sraffa heeft de strijd beslecht. Het negeren van zijn ontdekking komt voort uit persoonlijke gemakzucht en luiheid, en soms misschien ook uit ideologische motieven. Wie zoals uw columnist gelooft in wetenschappelijke zuiverheid (een tik overgehouden aan een studie natuurkunde) kan het maar moeilijk accepteren. Wellicht is de economie als menswetenschap toch subjectiever dan menigeen lief is. Doctrines en dogma’s zijn er taai en uiterst moeilijk te verdelgen.

Waarom zou arbeid goedkoper moeten?

Sinds enkele jaren hoor je van links tot rechts, van werkgevers tot vakbonden, dat de arbeid goedkoper moet worden. Is dat begrijpelijk? Je eerste reactie is: daardoor zullen de winsten omhoog gaan. Bij nader inzien is die conclusie voorbarig, want de maatregel moet samengaan met hogere lasten voor het arbeidsloze inkomen – al is het afwachten of dat kan. De reden voor goedkope arbeid is, dat zij meer werkgelegenheid zou opleveren. Is dat waar?

In het model van een partiële arbeids markt klopt het, want een dalende product prijs vergroot de vraag (mits er behoefte bestaat). Echter partiële markten bestaan niet. Juist de arbeids markt is totaal verweven met de waren markten. Als de arbeid goedkoper wordt, dan zullen de prijzen van de goederen en diensten eveneens veranderen. In deze situatie is de uitwerking op de vraag naar arbeid ongewis. Het is goed mogelijk, dat allerlei machines nog meer in prijs zullen dalen dan de arbeid. Het gevolg is dan dat er een uitstoot van arbeid uit het productie proces zal zijn, dat wil zeggen, méér werkloosheid.

Ook is moeilijk te overzien welke sectoren er zullen profiteren, en welke sectoren zullen inkrimpen. Immers de resulterende prijs-bewegingen zijn uitermate complex, en worden bepaald op het economische macro-niveau.

Hoogstens zou kunnen worden tegen geworpen, dat de loonsverlaging direct optreedt, terwijl de prijs-veranderingen van producten en diensten met vertraging zullen volgen. Dus misschien zal er even meer werkgelegenheid zijn. Maar dat overtuigt niet echt, wanneer je zoekt naar duurzame oplossingen.

Een ander bezwaar tegen goedkope arbeid is de daardoor veroorzaakte wegval van koopkracht. De herverdeling is ongewis. Je kunt hopen dat dankzij de loondaling uitkerings gerechtigden een baan zullen vinden, wat extra koopkracht oplevert. Maar dat is niet zeker. Overigens wil men vooral snijden in de loon-belasting, en dat kost de werknemer natuurlijk geen koopkracht. Maar dan ontvangt de staat minder inkomsten, en dat kost ook werk. juist daarom zou de staat om inkomsten moeten gaan knokken met de factor kapitaal.

Mijn inschatting is dat de extra kapitaal belasting niet echt gaat lukken. Dan zal de politiek ongetwijfeld kiezen voor een hogere BTW, bijvoorbeeld op energie. Het resultaat zal zijn dat er weer een automatische stabilisator (de progressieve loon-belasting) zal zijn afgebouwd, waardoor de economie onevenwichtiger is geworden.

En goedkope arbeid betekent in dit geval minder loon-afdracht, waaronder wellicht minder premies voor de werknemers verzekeringen. Dan dreigen de werkloosheids uitkeringen, de bijstand en de AOW onbetaalbaar te worden. Nogmaals, de uitwerking van de lagere loon-belasting op de koopkracht verdeling is ingrijpend, en moeilijk te overzien. Er zou op allerlei manieren moeten worden gecompenseerd, en de vraag is of dat steeds zal lukken.

Sowieso is er een slimmer beleid denkbaar, namelijk de verhoging van de arbeids productiviteit. Immers ook dan wordt het inhuren van arbeid aantrekkelijker. Goedkopere arbeid is een weg omlaag naar het afvoer putje. Sommigen zeggen: goedkope arbeid maakt de ondernemers lui.

Nee, ik zie niks in dit beleid, wanneer inderdaad er geen reden is om meer werkgelegenheid te verwachten. Voorlopig is het louter een holle frase.

An economic theory of greed, love, groups and networks

Het boek An economic theory of greed, love, groups and networks van de Nederlandse econoom Paul Frijters, met medewerking van Gigi Foster, heeft een originele inhoud, met tal van leerzame verhandelingen, en het inter-disciplinaire karakter stimuleert het denken over de vakgrenzen heen. Want hoewel de titel spreekt van een economische theorie, haakt het werk verrassend aan bij de bestaande beschouwingen uit de psychologie, de sociologie en de antropologie. Frijters grijpt terug op de klassieke homo economicus, de egoïstische en calculerende individu, die uit is op zelf verrijking (in de Engelse taal greed). Sparen en duren zijn goede geburen. Hoe zal die zich gedragen in maatschappelijke situaties, vraagt Frijters zich af.

Titelblad An economic theory of greed, love, groups and networks

Immers de homo economicus heeft groepen nodig. Dankzij de groepen kunnen er allerlei individuele vaardigheden worden geleerd, tezamen neemt men rationelere besluiten (wegens de contrôle), er is onderlinge solidariteit (zekerheid), en er kan macht worden uitgeoefend over andere groepen. Een baksteen is nooit alleen. Te gelijk worden de leden gedwongen in het keurslijf van de groeps moraal, wat leidt tot psychische spanningen. In de ogen van Frijters ontsnapt het individuele lid aan de mentale pijn door zich over te geven aan toewijding (in de Engelse taal love). Van aalmoes die men doet, vermindert beurs noch goed. Mensen fantaseren graag over mythen, wanneer het leven hun begrip overstijgt. Een beetje zelfbedrog veraangenaamt het leven1.

Het inter-disciplinaire karakter van het boek is zijn sterkte èn zijn zwakte. De theorie is kwetsbaar voor de aanvallen van specialisten, die ongetwijfeld allerlei tegen-argumenten kunnen bedenken, waarop Frijters waarschijnlijk een onvoldoende weerwoord zal hebben. Geleerde liên, verkeerde liên. Dat is niet erg, zolang de theorie ten minste er in slaagt om zijn wetenschappelijke waarde te bewijzen in allerlei toepassingen. Echter juist de toepassing komt er bekaaid vanaf. De hoofdtekst is vooral filosofisch en theoretisch. Weliswaar heeft Frijters wiskundige modellen ontwikkeld, maar die zijn verbannen naar een aanhangsel aan het eind.

Dit aanhangsel behoort voor uw recensent tot de meest opwindende delen van de tekst. Het is jammer, dat deze modellen nooit eerder zijn gepubliceerd, behalve in technische rapporten en interne manuscripten. Ze zijn nooit onderworpen aan de kritische blik van andere gezag hebbende economen. Ook ontbreekt de validatie aan empirische feiten. Tast geen rood ijzer aan of spuw erop. Er blijft dus nog veel te doen om de theorie wetenschappelijk aanvaardbaar te maken2. Frijters zal zich daarvan wel bewust zijn, want ook zijn leermeester, de Nederlandse econoom Bernard van Praag, heeft een leven lang moeten knokken om wetenschappelijke erkenning. Daarom is interessant om te zien wat Frijters zèlf allemaal nog zal gaan doen met zijn ei.

Voor Frijters ontstaat de toewijding uit de subjectieve rationaliteit van de individu, waarbij mythische voorstellingen en fantasieën essentieel zijn. Aan Gods zegen is alles gelegen. Toewijding kan zelfs een aandrift zijn, die zich deels buiten het bewustzijn voltrekt. Deze visie herinnert aan de bestaande antropologische, sociologische en psychologische theorieën over vroege culturen, zoals in het Middel-eeuwse Europa3. Het is jammer dat deze theorieën niet worden genoemd, want dan waren de nuances duidelijker geworden. Dat geldt eveneens voor het ideaal-type van de klassieke homo economicus, dat tegenwoordig door vele wetenschappers naar de prullenbak wordt verwezen, inclusief economen. Frijters houdt er aan vast om pragmatische redenen. Dat mag, mits zijn theorie zich empirisch bewijst en rechtvaardigt.

Toewijding vindt plaats binnen groepen. De groeps vorming vormt de kern van Frijters’ theorie. Groepen ontwikkelen een eigen moraal, die wordt geïnstitutionaliseerd. Onder de kromstaf is het goed wonen4. De diverse groepen zijn onderling gekoppeld in een waarde-neutraal maatschappelijk netwerk. Frijters concentreert zich verder op het bestuderen van handels netwerken. In de loop van de tijd kunnen netwerken en groepen in elkaar transformeren. Men denke aan bedrijfs fusies, branche organisaties, of omgekeerd uitbesteding van productie taken. Frijters klaagt dat de economie weinig aandacht besteedt aan de groeps processen, maar daarmee doet hij onrecht aan de institutionele richting.

Het boek illustreert de toewijding aan allerlei fenomenen: opvoeding, het huwelijk, militaire training, religie, bedrijfs- en beroeps-organisaties, en nationalisme. Eigen haard is goud waard. Deels verloopt zij onbewust, en zelfs aangeboren. De tekst leest goed, maar onmiskenbaar zijn dit uiterst complexe thema’s, waarover hele bibliotheken zijn vol geschreven. Het is behoorlijk speculatief om ze in één keurslijf te persen. Ook wanneer de auteurs het thema groeps macht behandelen, zouden verwijzingen naar de immens grote literatuur een verrijking zijn geweest. Daarmee zouden de originele invallen van de auteurs wetenschappelijk beter zijn gefundeerd. En wanneer de hiërarchieën en bureaucratieën worden behandeld, is het werk van de socioloog Max Weber het noemen waard. Wie wil kan zó aan de bak.

De gedaante van het netwerk speelt een cruciale rol in de economische modellen van Frijters. Inhoudelijk wordt aldus de neoklassieke leer aangevuld, terwijl er tevens aansluiting wordt gevonden met het institutionalisme en met de economische sociologie. Zoals reeds is opgemerkt, is de netwerk theorie grotendeels verbannen naar de aanhang. Wellicht hebben de auteurs dit gedaan uit vrees dat de wiskundige complexiteit hun lezers publiek te zeer zou inperken. Tussen haakjes, zij kiezen inderdaad niet echt duidelijk voor één groep van lezers. De tekst varieert van populair-wetenschappelijk tot specialistisch. Een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas5. Hoe dan ook, het netwerk krijgt zelfs een plaats in de productie functie, als een aparte factor. Eindelijk geven de auteurs hier ook een practische toepassing van hun theorie, namelijk bij het verklaren van de economische instorting na het uiteen vallen van de Sovjet Unie.

Anders geformuleerd, in de theorie staat het netwerk symbool voor de mate van ondernemers geest. Ondernemers zijn contact makers (al zijn er natuurlijk meer aspecten, zoals innovatie- en organisatie-vermogen). Die dienst doet, dienst ontmoet. Bak bijtijds, en leen geen brood. Instituties zijn essentieel om het leggen van contacten makkelijker te maken. Bovendien zouden de contact makers de dragers zijn van de democratie (aldus wordt ook wel beweerd, dat de vrije markt opvoedt tot democratie). Immers zij proberen de dominantie van één moraal te weren uit het netwerk. De staat mag niet meer zijn dan een regulerende speler binnen het netwerk, die zo nodig bakzeil haalt.

De laatste 45 pagina’s van het boek beschrijven enkele opwindende wiskundige modellen. Hier worden de menselijke behoeften weergegeven in individuele nuts functies, die andermans nut méé wegen. Dit is een radicale breuk met de neoklassieke leer! Nuts functies blijken zich onvoorspelbaar te ontwikkelen. De individuele nuts functies worden verwerkt in een groeps theorie, waarbij de groeps leden elkaar èn buitenstaanders kunnen disciplineren. Het zijn boeiende en vernieuwende vondsten. Zij smaken naar meer, maar voorlopig is hun wetenschappelijke relevantie ongewis. Een boodschap van dit boek is juist, dat abstracties kunnen vervreemden van de werkelijkheid. Hoe groter geest, hoe groter beest.

In conclusie zien Frijters en Foster in de mens een egoïst, wiens ambities stuk lopen op de ambities van anderen. Het egoïsme zelf brengt de moraal voort, en in het bijzonder de toewijding en het altruïsme. Een pijp tabak verlet niet. Dit proces voltrekt zich meer onbewust dan berekenend. Uw recensent weet trouwens niet of hij hiermee blij moet zijn. Bij de uitwerking van hun theorie hebben de auteurs her en der kennis bijeen geraapt en gecombineerd. Ondanks de karige bron vermelding is het betoog in zijn geheel boeiend en inspirerend. Dat is wel wat waard. De hoofdtekst (niet de aanhang) laat zich lezen als een roman. Naar de mening van uw recensent is nu cruciaal, dat de formele theorie (de wiskundige formules) practisch wordt toegepast, door de auteurs of door anderen. Daarvan zal afhangen of An economic theory of greed, love, groups and networks een klassieker wordt. De boom draagt voor zichzelf geen appels.

  1. Henriëtte Roland Holst – van der Schalk formuleert dit helder in haar gedicht Over het geluk van volkomene onzelfzuchtigheid in de bundel Sonnetten en verzen (p.46): Zooals riviere’ onafgebroken gieten / hun leve’ in ‘t eindloos leven van de zee, / door ‘t geven zelf een rustig gaan genieten / en ‘t weten dat ze eeuwige grootheid meê / behouden helpen – zóó zou ‘t leven vlieten / der mensche’ en ongestoord wonnige vreê / hun hart bewone’, als ze onophoud’lijk lieten / van hunne ziel, – als soms een enkle dee / uitgaan de kracht die liefde is in volkomen / los zijn van denke’ aan zelf en zijn begeerten, / stuwend hun rijkheid als een breede vloed / in de rijkheid van die oneind’ge verten, / stortend aldoor met volle liefde-stroomen / in de liefde die alle stroomen voedt.
  2. Op p.372 van An economic theory of greed, love, groups and networks schrijft Frijters over zo een model, dat de vondst niet is aangeboden aan een specialistisch vak tijdschrift, omdat de achter liggende idee daarvoor te algemeen leek, en omdat toepassingen ontbraken. Met andere woorden, indertijd bestond deze specialisatie nog niet.
  3. In deze trant peinst de Vlaamse dichter Achilles Mussche in het gedicht Nocturne uit de bundel De twee vaderlanden (p.4): Diep is het leven in de luide stille nachten, / dieper van klachten, dieper van smachten, / dronkener van eeuwigheid, dronkener van lust; / uit der dagen eindige moede daden / heft zich ons hart naar Gods dageraden, – / nacht, droom-geweven nachten, veelstemmige oeroude heimwee-nachten, / die ‘s levens afgronden wakker kust.
  4. Elke groep heeft zo zijn eigen bakken. Aldus is er een samenvoeging van leg-puzzelaars, een wolk rokers, een wolk meteorologen, een regen van meteorologen, een kliek van computer muizen, een dosis apothers, een keten van cipiers, een rij taxi-chauffeurs, een vloedgolf loodgieters, een stroom electriciëns, een formatie geologen, een handvol handlezers, een aantal wiskundigen, een verzameling van wiskundigen, een complex van psychologen, een massa dikkerds, een tekort aan dwergen, en een golf surfers.
  5. Frijters heeft daadwerkelijk in Nederland zijn boek aangeprezen tijdens een aantal lezingen voor een publiek, dat grotendeels bestond uit leken.
Page 1 of 3123
top