search
top

De simpele vraag van Ronald Coase

Van Isaac Newton die zich afvroeg waarom objecten eigenlijk naar beneden vallen tot Noam Chomsky die zich afvroeg hoe het kan dat kinderen een taal kunnen leren, wetenschap begint bij verwondering over schijnbaar simpele vragen. Ronald Coase, econoom en nobelprijswinnaar, overleed vorige week op 102 jarige leeftijd. Zijn faam ontleende Coase voor een groot deel aan zo’n schijnbaar simpele vraag:  waarom bestaan ondernemingen?

Voor de leek is het bestaan van de onderneming zo vanzelfsprekend dat de vraag absurd lijkt. Voor de economische wetenschapper is het echter een raadsel.

Het prijsmechanisme, zo schrijft de economische theorie voor, is in de basis de meest efficiente manier om vraag en aanbod, consument en producent, bij elkaar te brengen. Concurrentie tussen aanbieders zorgt ervoor dat de prijs zich als vanzelve aanpast aan de vraag. Zo coordineert de markt economische activiteiten richting het gewenste evenwicht tussen vraag en aanbod. Ongehinderd werkt er niets beter dan het vrije spel der economische krachten.

De onderneming is anders. De allocatie van middelen binnen de onderneming wordt geregeld bij managementdecreet. Of zoals Coase het in zijn baanbrekende paper uit 1937 stelde ‘als een werknemer binnen een onderneming van departement X naar departement Y wordt verplaatst, dan komt dit niet door een verandering van de prijzen, maar omdat hij dit opgelegd krijgt.’ De onderneming is, om het maar zo provocatief mogelijk te stellen, een soort planeconomie.

Door de OESO wordt geschat dat zo’n 40 procent van alle import in de Verenigde Staten binnen een onderneming plaatsvindt (Ford China verkoopt een auto-onderdeel aan Ford USA). Als de markt –in theorie- zo’n efficiënt coördinatiemechanisme is, waarom is de plannende onderneming dan toch zo dominant? Waarom in plaats van de organisatie van een onderneming, niet een verzameling aan contracten tussen individuen voor prijzen en voorwaarden die in de open markt tot stand komen?

Transacties kosten

Coase gaf een ingenieus antwoord. Er zijn transactiekosten, het kost geld om de markt te gebruiken. Als Volkswagen onderdelen in de open markt koopt, dan moet ze inspecties verrichten, contracten opstellen, onderhandelingen verrichten, kortom, kosten maken. Als het diezelfde onderdelen binnen haar eigen onderneming produceert hoeven deze kosten niet gemaakt te worden. Er zijn dan andere kosten, die van het onderhouden van een bureaucratie, die van het coördineren van een steeds groter kerstboom aan bedrijven, maar dikwijls zijn deze kosten lager dan het verrichten van transacties in de open markt. In zulke gevallen loont het om de krachten te bundelen in een onderneming.

Het is een elegant antwoord, niet al te radicaal, mooi economisch in haar focus op kosten, maar een antwoord dat economen desondanks niet beviel. Als planning soms goedkoper is, dan is de markt niet meer almachtig. En zulke nuancering, zelfs als deze komt van een onverdachte liberaal als Coase, valt niet in goede aarde. Het artikel waarin Coase de vraag stelde waarom er ondernemingen zijn werd door economen dan ook ‘veel geciteerd, maar weinig gebruikt’ zo constateerde hij zelf ruim veertig jaar later. Inmiddels is hier gelukkig verandering in gekomen. In de afgelopen dertig jaar hebben nobelprijswinnaars als Oliver Williamson en Douglas North de handschoen opgepakt en onder het vaandel van de ‘nieuwe institutionalisten’ de transactiekosten doctrine verder uitgewerkt.

De nauwe visie van Coase

Toch had Coase een te beperkte visie op het bestaan van de onderneming. De nieuwe institutionalisten verklaren het bestaan van de onderneming eigenlijk door marktfalen. Hoge transactiekosten maken het gebruik van de anderszins efficiëntere markt onrendabel. Zo’n negatieve formulering geeft te weinig gewicht aan de positieve rol van organisatie en planning. De onderneming is niet een reactie op marktfalen, ze is vaak juist een manifestatie van organisationeel succes.

Google is niet succesvol omdat de markt te duur is, ze is succesvol door een organisatie op te bouwen die een constante stroom van innovatie -en daarmee lagere kosten en hogere opbrengsten- voortbrengt. Eén van die organisationele successen is de zogenaamde Google tijd. Twintig procent van hun werktijd mogen werknemers zelf in delen om aan zelfverzonnen projecten te werken. Volgens Marissa Mayer, oud Google werknemer en nu CEO van Yahoo, zijn ruim de helft van Google’s producten ontworpen in deze twintig procent tijd. Zulke institutionele innovatie is geen gegeven, ze is het gevolg van bewust management.

Om het iets anders te formuleren: transactiekosten binnen en buiten de onderneming staan niet in steen geschreven. Ze zijn het gevolg van organisatie en strategie. Door hun focus op transacties, in plaats van de onderneming zelf, spannen de nieuwe institutionalisten feitelijk het paard achter de wagen.

De onzekere toekomst

Een tweede gebrek is dat Coase zich onvoldoende realiseert dat de onderneming een reactie is op een inherent onzekere toekomst. Productie van goederen kost tijd, maar wie weet of er nog vraag is wanneer ze gereed zijn? Wie weet of ze wel voor de huidige prijs verkocht kunnen worden? Wie weet of leveranciers niet plotseling failliet gaan? We extrapoleren het verleden naar de toekomst, maar in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst, zoals onze financieel toezichthouders ons zo vaak vertellen.

De plannende onderneming verkleint deze onzekerheden. Volkswagen zorgt dat er te zijner tijd vraag is door marketing, prikkels aan autodealers, goedkope autoleases en hogere inruilwaardes. Prijzen kunnen, door controle over dealers en adviesprijzen, in hoge mate vastgesteld worden. Mocht er onverhoopt tijdelijk te weinig vraag zijn, dan keldert niet onmiddellijk de prijs, maar lopen de parkeerplaatsen in de haven van Rotterdam vol met Volkswagens. De invloed van de onzichtbare hand van de markt wordt op die manier bewust ingeperkt door de zichtbare hand van de plannende onderneming.

Uit een peiling onder Franse bedrijven blijkt dat het wegnemen van onzekerheid een belangrijke motivatie is voor het uitbreiden van de onderneming. ‘[De peiling] laat zien dat controle over het productieproces een belangrijke rol speelt in de beslissing transacties te verrichten binnen de onderneming,’ zo concluderen de auteurs. Zo vindt bijvoorbeeld 63 procent kwaliteitscontrole een belangrijke reden om producten binnen de eigen onderneming te produceren, 60 procent zegt dat interne transacties gepaard gaan met meer stabiliteit voor lagere kosten, en 54 procent zegt dat controle over marketing en verkoopservice belangrijk is.

De plannende onderneming biedt niet alleen lagere transactiekosten, ze neemt ook onzekerheden weg. Investeringen op de langere termijn worden mogelijk, juist omdat de onderneming niet is overgeleverd aan de grillen van de markt.

Conclusie

Coase was vernieuwend omdat hij organisatie een rol gaf. De onderneming was tot dan toe eigenlijk weggemoffeld. Het is Coase zijn grote verdienste dat hij de vraag stelde en een antwoord formuleerde. Het is een vreemd gegeven dat zonder de innovaties van Coase het bestaan van een oerkapitalistisch instituut als de onderneming zo moeilijk te verklaren was binnen de gaande economische theorie. Toch gaf Coase ook blijk van een beperkte economistische visie. Men kan zich afvragen of de bedrijfshistoricus, de socioloog, de antropoloog of zelfs de journalist niet meer heeft te vertellen over de onderneming dan de econoom.

Leave a Reply

top