search
top

Begrijpt Dijsselbloem niet dat onze overheid al lang geleden de geldschepping geprivatiseerd heeft?

De heer Dijsselbloem blijkt tegen geldschepping te zijn. Tsja. Waar moet je beginnen….

Geldschepping (ik heb het hier over ons belangrijkste geld: giraal geld) is een monopolie van een beperkt aantal banken. Een monopolie van overheidswege. U mag dit niet, pensioenfondsen mogen dit niet en andere banken mogen dit ook niet. Maar bijvoorbeeld de RABO en de ING mogen het wel. Waarbij ze niet eens hun eigen merk op dit geld hoeven te zetten maar het overheidsmerk, Euro, mogen gebruiken! Handig, want als de RABO failliet gaat kunnen deze claims, die ondertussen ook bij andere banken op de rekeningen staan, nog wel als geld worden gebruikt terwijl ‘RABO’s’ dan waardeloos zouden zijn!

Het monopolie bestaat eruit dat als u geld leent bij deze banken, bijvoorbeeld voor het kopen van een huis, deze banken claims mogen uitgeven met daaraanvast de naam ‘Euro’ waarbij de overheid belooft heeft deze claims 1:1 in te wisselen voor bankbiljetten, indien noodzakelijk. Dat is het geld waar u uw huis mee betaalt. En dat, in dit geval, op de rekening van de verkoper komt. En als die bij de flappentap geld ophaalt, dan koopt hij eigenlijk biljetten met het girale geld dat u samen met de bank geschapen hebt! Dat kan misgaan. En het gaat nu ook mis. De geldscheppende kredietverlening binnen de Eurozone is de afgelopen jaren namelijk gedaald en momenteel zelfs negatief (volgens de ECB gegevens)!

Credit2

De geldschepping is, in bijvoorbeeld Nederland maar ook in Ierland een aantal jaren geleden ook totaal uit de hand gelopen, maar dan doordat het te snel ging en voor de verkeerde zaken bestemd was (niet voor nieuwe investeringen, maar voor tweede hands spul zoals bestaande woningen), wat leidde tot woningprijsinflatie en kunstmatig hoge inkomens bij de banken. Maar dit uit de hand lopen kwam niet doordat de overheid geld schiep. Dat kwam doordat de private sector geld schiep, vooral in de vorm van hypotheken die vervolgens werden gesecuritiseerd (een soort vestzak/broekzak operatie waarbij De Nederlandsche Bank niet doorhad wat in de broekzak zat – het blijkt een aantal jaren althans niet goed in de monetaire statistieken te zijn gezet). En nu moeten we dus gaan hervormen omdat de private geldschepping uit de hand liep en er vele honderden miljarden aan steun nodig waren om de veel te grote banken veel te groot te houden… Ergerlijk dat Dijsselbloem zich daarvoor leent.

Er is namelijk het probleem dat als schulden, netto, worden afgelost er geld uit omloop verdwijnt, terwijl die hele ‘omloop’ (onder andere het geld op uw spaarrekening!) op de nieuwe geldhoeveelheid is afgestemd. Inderdaad, we zijn veroordeeld tot geldgroei… De maatschappelijke geldhoeveelheid neemt nog wel toe, want er wordt er nog geld overgeheveld van lange termijn spaartegoeden naar betaalrekeningen. Maar strikt genomen zijn dit geen nieuwe claims. Ook wordt er (hoewel dit wat minder wordt) geld uitgeleend aan (vermoedelijk) bedrijven van buiten de Eurozone, wat ook tot een toename van de geldhoeveelheid leidt (ik heb niet helemaal scherp wat er eigenlijk gebeurd).

Maar de ‘binnenlandse’ kredietverlening in de Eurozone neemt af. Wat een risico op deflatie, hogere werkloosheid, nog meer slechte schulden voor de banken en dergelijke met zich meebrengt. Dat, en niet het risico dat er geld geschapen wordt door de overheid, is momenteel het echte huidige probleem.

En die geldschepping door de overheid (of althans, doordat de overheid direct leent bij de geldscheppende banken) is meestal inderdaad een probleem. Maar het kan ook een oplossing zijn, zoals het dat in de jaren dertig was in de VS. De stijging van de geldhoeveelheid die volgens mensen als Milton Friedman een eind maakte aan de meest acute fase van de Grote Depressie werd veroorzaakt doordat de overheid ‘geldscheppend’ bij de banken ging lenen! Dat laatste heeft Friedman zelf overigens nooit naar voren gebracht, maar het was wel zo.

We kunnen de crisis monetair ook anders bestrijden door het geld van de pensioenfondsen niet meer te beleggen, maar door dit te investeren, in de toekomst: energie, infrastructuur, domotica (huishoudelijke electronica voor zorgbehoeftige bejaarden) enzovoorts, enzovoorts. Waarom zouden de pensioenfondsen, nu we die toch hebben, niet de grootste eigenaar van onze bruggen en wegen worden, uiteraard op basis van een duidelijk rendement! Dan jagen we de omloopsnelheid van het geld omhoog.

Maar ook geldschepping door de overheid (waar de centrale bank natuurlijk onderdeel van is) kan tot het arsenaal behoren. Bijvoorbeeld door de deposito’s van burgers en bedrijven te garanderen, met de geldpers, zodat banken geen geld in dode fondsen hoeven te parkeren maar het kunnen uitlenen. Let wel, dat is netto geen geldschepping, want anders waren die deposito’s weg, zoals in Cyprus gebeurd is! En er zijn meer mogelijkheden. Maar daar gaat het nu niet om. Dijsselbloem vecht de oorlog van de jaren zeventig, toen de inflatie inderdaad aan de hoge kant lag. Niet die van nu, een tijd waarin de inflatie niet alleen laag is maar nog steeds daalt. Een slechte generaal.

Terzijde: een update voor Francis.

This is an update to a graph on this Francis Coppola blogpost, which only runs to 2010.

Francis

Steve Keen heeft he-le-maal gelijk (volgens de economisch-statistici)

Steve Keen heeft gelijk. De gangbare economische modellen deugen onder meer niet omdat ze niet realistisch zijn. En met ‘niet realistisch’ doel ik niet op ‘abstract’ zoals een 1:2.000.000 wegenkaart van Frankrijk dat is. Die kaart leidt je naar je doel. Ik doel op: ‘misleidend’, een abstracte kaart waar wegen op staan die er niet zijn en waar wegen die er wel zijn niet op staan. En zo’n kaart brengt ons in de problemen, zoals ook weer duidelijk werd in een reportage van een lezing van Steve Keen in Groningen (tip: Rens van Tilburg).

Keen stelt dat gangbare modellen misleidend zijn onder meer omdat ze:

* vaak een merkwaardig beeld van ons financiële systeem geven, de zogeheten ‘loanable funds theorie’, dat er vanuit gaat dat het de centrale bank is die de geldhoeveelheid bepaalt en dat het gedrag van huishoudens en bedrijven niet van invloed is op deze hoeveelheid.

* en dat de effectieve vraag van bijvoorbeeld de sector huishoudens niet enkel wordt bepaald door het inkomen maar ook door leningen die deze huishoudens opnemen (duhhh…? Nee, helemaal niet ‘duhhh…’ want het eerste is universeel in de economische leerboeken).

Wanneer we naar de economische statistieken kijken – en een van de aspecten van statistieken is dat je zowel op conceptueel als op operationeel en uitvoerend niveau erg goed naar de realiteit moet kijken, omdat je er anders niet in slaagt deze te meten! – dan blijken de ideeën die Steve Keen naar voren brengt anders dan die van de gangbare modellen te sporen met de economische statistiek.

* Wanneer we naar de geldstatistiek kijken, bijvoorbeeld die van de Europese Centrale Bank, dan blijkt dat deze er totaal en 100% en tot en met het concept en de definitie van geld op gebaseerd is dat niet de centrale bank de maatschappelijke geldhoeveelheid bepaalt maar dat de ‘normale’ banken dit geld scheppen, wat ze overigens alleen kunnen doen als u bij deze baken leent. Het model van Steve Keen is hier consistent mee, zeer veel gangbare modellen niet. In vaktermen: de monetaire statistiek is chartalistisch tot op het bot.

* Wanneer we naar de bestedingen kijken dan blijkt hetzelfde. De nationale rekeningen geven, bijvoorbeeld voor de sector huishoudens, de ‘middelen’ en de ‘verandering van schulden’ van huishoudens aan (2012, p. 102 en 103). En daartegenover worden de ‘bestedingen’ en de ‘verandering van vorderingen’ gezet. ‘Verandering van vorderingen’ slaat onder meer op spaargelden. In 2012 bedroegen deze (middelen + schulden) 680 miljard Euro, terwijl de (bestedingen + verandering van vorderingen) 677 miljard. Het verschil wordt veroorzaakt door veranderingen in de boekwaarde van schulden en (vooral) vorderingen. Huishoudens verdienen en lenen en dat geld wordt besteed of gespaard. Zo simpel is het. En de modellen van Steve Keen zijn consistent daar consistent mee.

Om het bovenstaande goed te begrijpen moet beseft worden dat in de praktijk een deel van de huishoudens leent en een ander deel spaart. Ik leen voor de aankoop van een huis, en de verkoper spaart dat (nieuwe) geld.

Nu even gal spuwen: een vakgebied dat vakgenoten die modellen gebruiken die consistent zijn met de meetgegevens ‘heterodox’ noemt, daar moet heel wat aan om-, her- en bijscholing worden gedaan. Of moet de arbeidsmarkt voor deze mensen geflexibiliseerd? Zoals op deze site vaker is gesteld is: ‘investeren’ en niet ‘hakken en kappen’ is natuurlijk de meer toekomstgerichte strategie.

REPO’s als gebruikelijk financieel instrument, Friesland, 1540.

Een REPO is een financieel instrument. Dat klinkt ingewikkeld. Maar dat is het niet. Het is te vergelijken met het aloude pandjeshuis. Je beleent een kostbaarheid, je krijgt daar wat geld voor en je betaalt dat later terug, met rente. Alleen beleen je bij een REPO geen fysieke kostbaarheid maar een financieel bezit. Er wordt wel gezegd dat dit soort financiele instrumenten nieuw zijn. Maar dat zijn ze niet. Evenmin als het pandjeshuis. Een voorbeeld uit Friesland, 1540 (mijn vertaling naar modern Nederlands, archiefstuk Hen-37-236I via :http://www.hennaerderadeel.nl/pages/sub/3/27349/Amswert.html)

Lolcke Hette zoon heeft aan Foecke Goffe zoon en Douue Reijn zoon, als voogden van de kinderen van Hijlck en Bernardus Jouck Sibes, een gulden rente uit zijn landen in de boerderij te Answert verkocht voor 20 gouden florenen op terugkoop van vijf jaren, volgens kwitantie van 17 april 1540.

De voogden van de weeskinderen kopen dus, met 20,– aan geld uit de boedel, voor vijf jaar een deel van de pachtopbrengst van de boerderij ter waarde van 1,– en krijgen de garantie dat ze dit recht in naam van de wezen  over vijf jaar weer kunnen verkopen aan de kopers. Het lijkt erg op een lening aan Lolcke, maar ‘gewoon’ lenen op rente mocht niet, van de kerk. Officieel was dit geen interest, maar pacht (vergelijk het engelse woord ‘rent’). Daarnaast was de transactie aan het land gebonden en niet aan de persoon: als het land werd verkocht dan werd deze desti9jds zeer gebruikelijke REPO meeverkocht aan de nieuwe eigenaar. Hoe dan ook: REPO’s zijn net zo min modern als het pandjeshuis.

 

 

 

Hoe herken je een woningprijszeepbel? Door de woningprijsmodellen goed te begrijpen.

Een van de opmerkelijke aspecten van het imploderen van de prijszeepbel op de Nederlandse woningmarkt was dat iedereen het direct zag – behalve de economen. Of het nu om de economen van Nyffer, de SER of het CPB ging dan wel dat het om vastgoedprijsvormingshoogleraar Marcke ging – het ineenstorten van de zeepbel werd lange tijd ontkend – omdat de zeepbel werd ontkend. Het erkennen van de implodering zou het erkennen van de zeepbel zijn geweest! Tot zover is het verhaal duidelijk. Maar het leidt tot de vraag: waarom ontkende men de zeepbel? En nog steeds beweren veel economen dat het uiterst lastig is een zeepbel tijdig te herkennen. Maar dat is dus niet zo. Het tijdstip van implosie is lastig te voorspellen. Maar de situatie kan wel degelijk aangegeven worden. Het kan linea recta uit de economische modellen van, bijvoorbeeld, de woningmarkt gehaald worden, zoals ik beneden zal aangeven. En de vraag wordt dan: waarom doen economen dat dan niet?

Aan de ene kant kan daarop een duidelijk antwoord worden gegeven. De op ‘fundamentele waarden’ gebaseerde modellen van de woningmarkt verklaarden het prijsniveau behoorlijk goed! Modellen gebaseerd op onder andere inkomen, rente en aantal huishoudens gaven een zeer goede statistische verklaring van de woningprijzen, tot 2008. Althans, dat dachten deze economen. De ‘fudamentals’ bepaalden het prijsniveau. De statistische waarden waren allemaal fantastisch. Waardoor een ‘irrationele’ zeepbel uitgesloten was. Volgens deze economen. Maar begrepen ze dan hun eigen modellen wel goed?

Nee. Er werden, bij de interpretatie, twee basisfouten gemaakt:

1. De eerste is dat economische modellen nooit ‘stationair’ zijn. Relaties veranderen. Correlaties uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst. Wat niet betekent dat het zinloos is om historische verbanden te schatten. Integendeel. Juist die historische verbanden kunnen duidelijk maken dat er, op de kredietmarkt, een ‘Minsky-moment’ kan zijn, een moment waarop iedereen zich opeens realiseert (vaak op basis van een al toegenomen gevoel van onrust) dat de kredietverlening niet zo door kan gaan.  ‘Lehman’ was hevig maar geen unicum.

2. De tweede en hier de belangrijker fout  is dat men over het hoofd zag dat woningprijsmodellen vaak aangeven dat de (oude) prijs zelf een belangrijke of zelfs de belangrijkste verklarende variabele is! Wat mensen als een redelijke prijs ervaren wordt aangegeven door recente historische prijzen, zeker als de prijzen stijgen.  Ook als de rente weer wat stijgt. Hysterese, is de technische term hiervoor.

En bij nadere beschouwing zit dat wel degelijk in het model van Francke:

The model further proves that the annual price change in the previous period accounts for 30% in the price change of the current period, independent of other economic factors

Ooit betaalde we, in een wat vergelijkbare markt en een vergelijkbare situatie ‘een stulpje voor een tulpje’. En tussen 1993 en 2008 waren de huizen aan de beurt: stijgende prijzen maakten het voor de prijzen makkelijker om verder te stijgen. Een lagere rente leidt tot een hogere prijs die volgens het model van Francke tot een hogere prijs leidt (die daarna ook weer tot een hogere prijs leidt…). en dat is dus een zeepbel.

Dit hysterese-effect vinden we niet alleen in het model van Francke. Het is zelfs tamelijk standaard in woningprijsmodellen, zoals op deze site voor een groot aantal modellen wordt aangegeven. Waarom zag men dat dan over het hoofd?

De basisreden daarvoor is, denk ik, dat men de woningmarkt niet begreep als een voorraadmarkt maar ten onrechte als een productiemarkt, waar productiekosten, concurrentie en dergelijke het prijsniveau bepalen en waar, als de prijzen te hoog worden, nieuwe ‘prijsbrekers’ de prijs omlaag drukken terwijl krediet geen rol speelt. Het standaardmodel uit de boekjes. Maar ja, dat model is om meerere redenen niet toepasbaar op voorraadmarkten. Het econometrische model werd niet begrepen omdat het conceptuele model waarmee men de statistiek interpreteerde niet deugde.

Page 6 of 86« First...45678...203040...Last »
top