search
top

John Stuart Mill: Klassiek en Modern Liberalisme

John Stuart Mill wordt tegenwoordig vooral geassocieerd met zijn werk On Liberty en zijn filosofische utilitarisme. Mill zelf geloofde ook dat zijn On Liberty de test des tijds zou doorstaan en ook later nog gelezen zou worden. “The Liberty is likely to survive longer than anything else that I have written,” schrijft Mill in zijn autobiografie.
In zijn eigen tijd was Mill echter ook bekend als één van de grootste economen. Zijn Principles of Political Economy (1848), ging tijdens Mill’s leven door zeven drukken heen en was hét economische tekstboek — de universiteit van Oxford gebruikte het boek zelfs tot 1919 in haar curriculum. Mill werkte in de traditie van de Engelse politieke economie. Zijn werk is te karakteriseren als de cumulatie van de liberale traditie, van Adam Smith naar David Ricardo tot John Stuart Mill. Mill’s economie bevat zelfs al veel materiaal dat in menig opzicht lijkt op het werk van Marx.[i]
In de economische theorie was Mill niet, zoals Marx en Adam Smith dat wel waren, de grondlegger van een geheel nieuw theoretisch kader. Hij perfectioneerde de theorieën van zijn voorgangers, maar kwam vaak wel tot geheel andere conclusies. De nuances die Mill aanbrengt in de klassieke theorie hebben vaak zeer belangrijke consequenties. Hij schrijft bijvoorbeeld over internationale schuldverhoudingen en hun invloed op de handel. Hoewel Mill zelf niet alle consequenties overzag van deze theorie, was het in feite een aanval op een aantal fundamentele veronderstellingen in de vrijhandelstheorie.[ii]
Net als zijn voorgangers bevat Mill’s economisch werk ook veel zaken die vandaag de dag niet meer relevant zijn. Een probleem waar alle klassieke economen zich bijvoorbeeld erg druk over maakten was overbevolking. De hypothese was dat als de inkomens stegen, mensen vruchtbaarder werden en meer kinderen kregen. Zoals we nu weten is deze hypothese simpelweg incorrect. Hierdoor zijn hele secties uit het werk van deze economen irrelevant geworden. Er zijn meerdere punten waarop de klassieke economen –begrijpelijkerwijs- de mist in gingen.
Belangrijker is echter waar Mill en de zijnen niet de mist in gingen, maar waar hun doctrines nog steeds relevant zijn. Dit zijn dan ook de doctrines waar ik aandacht aan wil besteden. Mill’s klassiek liberalisme kent vele inzichten die in het moderne liberalisme zijn verdwenen of vergeten. Hoewel modern en klassiek liberalisme nog steeds veel van dezelfde uitgangspunten delen komen ze in de praktijk tot hele andere conclusies. Mijn insteek is hier dan ook om dit contrast tussen Mill en de moderne liberaal verder te verkennen.

Mill’s uitgangspunten:

John Stuart Mill baseerde zijn economische filosofie niet zozeer op de gunstige effecten van de markt als wel op het principe van privaat eigendom. Dit onderscheid geeft Mill’s voorstellen een geheel andere focus dan die van moderne liberalen. Privaat eigendom zoals Mill het voor ogen heeft, bezit een specifieke betekenis. “Private property, in every defence made of it, is supposed to mean, the guarantee to individuals of the fruits of their own labour and abstinence.“ (Collected Works ii: 208) Zolang instituties niet garanderen dat de vruchten van arbeid toekomen aan de arbeider of kapitalist kan niet worden gesteld dat er sprake is van rechtmatig privaat eigendom. “The guarantee to [capitalists and landlords] of the fruits of the labour and abstinence of others, transmitted to them without any merit or exertion of their own, is not of the essence of the institution, but a mere incidental consequence, which, when it reaches a certain height, does not promote, but conflicts with, the ends which render private property legitimate” (Collected Works ii: 208). Mill veroordeelt dan ook de maatschappij van zijn tijd, die volgens hem verre was van zijn ideaal van privaat eigendom. “The very idea of distributive justice, or any proportionality between success and merit or between success and exertion, is in the present state of society so manifestly chimerical as to be relegated to the regions of romance”. (Collected Works v: 714). Mill’s doel is dan ook om de maatschappij te hervormen en beloning zoveel mogelijk te koppelen aan geleverde arbeid.

Mill gelooft in laissez-faire en een kleine overheid, idealen die gedeeld worden door moderne liberalen.[iii] Mill erkent echter ook de keerzijde van de kapitalistische vormen van organisatie. “[When the pursuit of wealth] becomes the main object of [a person’s] life, it almost invariably happens that his sympathies and feeling of interest become incapable of going much beyond himself and his family” (Collected Works xii: 32). Ook betwijfelt Mill de houdbaarheid van het kapitalisme: “The industrial economy which divides society absolutely into two portions … is neither fit for, nor capable of infinite duration” (Collected Works iii: 896). Met name in zijn latere jaren flirt John Stuart Mill openlijk met de vroeg-socialistische ideeën van Blanc, Owen en Fourier.[iv]
Mill is echter een hervormer, geen revolutionair. Hij is sceptisch, maar niet afwijzend, over de grootse voorstellen van de socialisten. “It is for experience to determine how far or how soon any one or more of the possible systems of community of property will be fitted to substitute itself for the "organization of industry" based on private ownership of land and capital. [However] the object to be principally aimed at, in the present stage of human improvement, is not the subversion of the system of individual property, but the improvement of it, and the full participation of every member of the community in its benefits.” (Collected Works ii: 214) Zolang de werkbaarheid van de socialistische ideeën niet is aangetoond, schort Mill zijn oordeel op over gemeenschappelijk eigendom, wat hij als de kern zag van het socialistische programma. Mill had in tegenstelling tot de socialisten geen afkeer van privaat eigendom. Waar voor een radicaal als Proudhon elke vorm van privaat eigendom gelijk staat aan diefstal, staat privaat eigendom bij Mill aan de basis van een rechtvaardige kapitalistische samenleving.[v]

‘Unearned Income’:

Mill’s pleidooi voor privaat eigendom betekent dat hij economische gelijkheid niet als een doel op zich ziet. Hij is dan ook, net als vele moderne liberalen, tegen een progressieve inkomstenbelasting. “To tax the larger incomes at a higher percentage than the smaller, is to lay a tax on industry and economy; to impose a penalty on people for having worked harder and saved more than their neighbors.” (Collected Works iii: 811) Mill heeft geen probleem met de kapitalist die door hard te werken en slim te investeren zijn geld heeft verdiend. “It is not the fortunes which are earned, but those which are unearned, that it is for the public good to place under limitation.” (Collected Works iii: 811)
Op dit laatste punt wijkt Mill af van moderne liberalen. In het moderne liberalisme is er geen noemenswaardige onderscheid tussen productief en onproductief inkomen. Filosoof Jamie Whyte schrijft bijvoorbeeld in een discussie in The Economist dat de vrije markt per definitie zorgt voor productieve uitkomsten. “Voluntary transactions benefit both parties. If they did not, they would not happen. In a free market, everyone serves those they deal with. Anyone who gets rich must have done others a lot of service.”[vi] Mill maakt echter wel een onderscheid tussen tussen productief (‘earned’) en onproductief (‘unearned’) inkomen. Mill geeft vele voorbeelden van “unearned additions [of] income” die toekomen aan klassen in de maatschappij die hiervoor niets hebben hoeven te doen. (Collected Works v: 691) Unearned income is niet wenselijk aangezien het niet overeenstemt met Mill’s principe van privaat eigendom, waarin iedereen wordt beloond naar arbeid en spaarzaamheid.
Mill stelt bijvoorbeeld voor om een flinke belasting te heffen op erfenissen. Het erven van vermogen is niet het gevolg van enige productieve activiteiten, maar puur het gevolg van het toeval der geboorte. Deze rijkdom is dan ook niet verkregen in overeenstemming met Mill’s principe van privaat eigendom. Als liberaal gelooft Mill in het meritocratische ideaal, niet in de aristocratische principes geassocieerd met erfenissen.[vii] (Collected Works ii: 218-234)

Een radicalere kritiek op de inkomensdistributie vloeit voort uit Mill’s klassenanalyse. In de klassieke economie begint men de economische analyse niet vanuit het individu, zoals inmiddels gebruikelijk is, maar door het indelen van de maatschappij in verschillende klassen, die elk op een unieke manier hun geld verdienen. Het klassieke onderscheid bestaat uit drie klassen, arbeiders, kapitalisten en landheren. Arbeiders verdienen hun inkomen door hun arbeid aan te bieden en hiervoor beloond te worden in de vorm van loon. De kapitalist verdient zijn inkomen door winst, het verschil tussen de kosten en de opbrengst van zijn onderneming. De landheer verdient zijn geld door huur en waardestijgingen van zijn eigendommen.
Het inkomen van de landheer is volgens Mill grotendeels ‘unearned income’. Mill acht het rechtmatig als de landheer inkomen verkrijgt door zijn eigen investeringen, d.w.z. de bouwkosten en het onderhoud van zijn vastgoed. Hij acht echter het grootste gedeelte van het inkomen van de landheer onrechtmatig omdat deze is gebaseerd op de grondrente.
De grondrente wordt vrijwel uitsluitend bepaald door externe factoren, niet door de landheer zelf. Wanneer een landheer een stuk grond in handen heeft en de overheid infrastructuur aanlegt in de buurt van deze grond, dan stijgt de grondwaarde. De landheer heeft, buiten het betalen van zijn belasting, niets gedaan om enige aanspraak te maken op deze waardestijging. De kwaliteit -en daarmee de waarde- van de locatie is omhoog gegaan zonder dat de landheer hier ook maar iets voor heeft hoeven doen. Hij wordt volgens Mill letterlijk slapend rijk.
De grondhuur is niet puur arbitrair, d.w.z. er zijn fundamentele factoren die ten grondslag liggen aan de waardestijging. De vraag naar kwaliteitslocaties is vanzelfsprekend hoger dan naar minder gunstig gesitueerde locaties. Het is niet onredelijk dat er meer huur wordt gevraagd voor een appartement in het centrum dan voor een zelfde appartement in een achterbuurt. De vraag is echter of deze hogere huur wel moet toekomen aan de eigenaar van de grond. Zijn inkomen is immers grotendeel niet het gevolg van zijn eigen productieve werkzaamheden, maar van die van anderen.
De waardestijging van de grond zou volgens Mill dan ook moeten worden belast en toe moeten komen aan de gemeenschap als geheel. “Landed property enjoys a special advantage over other property, and for that special advantage it ought to pay. [..] There is no … reason for allowing [the landlord] to appropriate an increase of value to which he has contributed nothing, but which accrues to him from the general growth of society, that is to say, not from his own labour or expenditure, but from that of other people–of the community at large.” (Collected Works v: 690-691)

Mill en Marktwerking:

Retorisch lijken het klassieke en moderne liberalisme veel op elkaar. De VVD beweert net als Mill dat men beloond zou moeten worden op basis van inzet. Het grote verschil is dat voor moderne liberalen de markt bijna per definitie zorgt voor deze uitkomst. Mill’s economische werk bevat veel dogma’s, maar niet het marktdogma. Mill is bekend met problemen van asymmetrische informatie. Asymmetrische informatie betekent dat de ene partij meer kennis over het product heeft dan de andere partij. Het klassieke voorbeeld hiervan is de markt voor tweedehands auto’s, waarin de verkoper meer weet over de kwaliteit van de auto dan de koper, waardoor ‘prijsverstoringen’ optreden.[viii]
Mill geeft als voorbeeld producenten van levensmiddelen die door kwaliteitsvermindering de kosten van hun product weten te drukken. “Competition is the best security for cheapness, but by no means a security for quality,” aldus Mill. (Collected Works v: 731) Omdat consumenten niet de expertise bezitten om de kwaliteit van levensmiddelen te beoordelen, weten frauderende producenten hun winst en marktaandeel te vergroten. Markten worden pervers wanneer kwaliteitsvermindering zorgt voor een competitief voordeel. De bedrijven die de minste kwaliteit bieden voor de laagste prijs worden dominant en al spoedig moeten anderen hetzelfde doen om de concurrentieslag te kunnen overleven. “Thus the frauds, begun by a few, become customs of the trade, and the morality of the trading classes is more and more deteriorated.” (Collected Works v: 732) De markt, zonder sturing, kan in deze situatie dus niet de ultieme arbiter zijn van het collectieve goed.
Contrasteren we dit opnieuw met de hedendaagse doctrines van het liberalisme, dan zien we opmerkelijke verschillen tussen Mill en hedendaagse liberale economen. Zo schrijven Fischel en Easterbrook in een veel gelezen tekstboek binnen Law and Economics: “A rule against fraud is not an essential or even necessarily an important ingredient of securities markets.”[ix] Dit omdat markttransacties geschieden op vrijwillige basis en consumenten niet tegen hun eigen belang in een slecht product zullen kopen. De angst voor reputatieverlies zou veel bedrijven er bovendien van weerhouden om een slecht product te leveren. Voor Mill is dit soort optimisme over de markt niet gerechtvaardigd zonder een verandering van de marktstructuur.
Mill’s oplossing voor het probleem van frauderende producenten is illustratief voor zijn liberale filosofie. Hij is sceptisch over de rol van de staat in het bestrijden van fraude, ten eerste omdat de wetten tegen “commercial frauds” in zijn tijd niet toereikend waren, ten tweede omdat het juridische establishment over het algemeen “unduly lenient” was voor witteboordencriminelen.[x] Daarnaast is staatsinterventie voor een liberaal als Mill altijd een uiterst middel. “People understand their own business and their own interests better, and care for them more, than the government does, or can be expected to do.” (Collected Works iii: 942) Mill’s oplossing is dan ook om de marktstructuur op een andere wijze te veranderen. Mill stelt voor om coöperatieven op te richten die producten inkopen en hun kwaliteit controleren ten behoeve van hun leden, een soort supermarkt die wordt bestuurd door de consumenten zelf. Een coöperatief is een instelling die direct door de leden of op basis van representatieve democratie wordt bestuurd. Door de bundeling van middelen zouden deze instellingen beter in staat zijn dan individuele consumenten om fraudeurs te detecteren, zodat eerlijke competitie wordt gewaarborgd. Ook zouden coöperatieven consumenten helpen door het verlagen van de prijs van levensmiddelen. Een coöperatief kan direct van de producenten inkopen, waardoor er geen extra ‘rente’ hoeft worden betaald aan de distribuerende klasse.

Coöperatie en Liberalisme:

Tegenwoordig worden dit soort ideeën over coöperatieve vormen van organisatie geassocieerd met de meest radicale vormen van het socialisme, of zelfs het anarchisme. Voor Mill was coöperatie echter een soort derde weg tussen het utopisch socialisme en het kapitalisme. Mill had niet alleen coöperatieven van consumenten voor ogen, maar ook van werknemers. Het klassenonderscheid tussen kapitalisten (de werkgevers) en arbeiders (de werknemers) zou hierdoor verdwijnen ten gunste van een rechtvaardigere maatschappij:
“If public spirit, generous sentiments, or true justice and equality are desired, association, not isolation of interests, is the school in which these excellences are to be nurtured. The aim of improvement should not be solely to place human beings in a condition in which they will be able to do without one another, but to enable them to work with or for one another in relations not involving dependence. Hitherto there has been no alternative for those who lived by their labour, but that of labouring either each for himself alone, or for a master. But the civilizing and improving influences of association, and the efficiency and economy of production on large scale, may be obtained without dividing the producers into two parties with hostile interests and feelings […] The form of association, which if mankind continues to improve, must be expected in the end to predominate, is not that which can exist between a capitalist as chief, and workpeople without a voice in the management, but the association of the labourers themselves on terms of equality, collectively owning the capital with which they carry on their operations, and working under managers elected and removable by themselves.” (Collected Works ii: 768-769, 775)
Mill was niet altijd van mening dat deze vorm van organisatie een ideaal was om na te streven. Mill’s belangrijkste bezwaar was de inefficiëntie van de coöperatieve organisatievorm. “The cooperative principle as applied to the production of wealth, causes so much waste of labour in the intricate business of management and check, and such a relaxation of the intensity of individual exertion, that under the fairest possible distribution there is a smaller share for each, than falls or might fall to the lot even of the most scantily remunerated, under the present arrangement.” (Collected Works vi: 190-191) Pas later in zijn leven raakte Mill ervan overtuigd dat coöperatie niet alleen werkbaar was, maar ook efficiënter dan de hiërarchische vormen van organisatie. “The wisdom, even in a worldly sense, of associating the interest of the agent with the end he is employed to attain, is so universally recognized in theory, that it is not chimerical to expect it may one day be more extensively exemplified in practice.” (Collected Works iv: 382)
Privaat eigendom blijft ook in Mill’s ‘utopie’ het ideaal. Coöperatie en beloning naar inzet vormen geen contradictie, maar vullen elkaar juist aan. “[The cooperative principle provides] means of harmonizing the "rights of industry" and those of property; of making the employers the real chiefs of the people, leading and guiding them in a work in which they also are interested—a work of co-operation, not of mere hiring and service; and justifying, by the superior capacity in which they contribute to the work, the higher remuneration which they receive for their share of it.” (Collected Works iv: 382) Machtsverschillen die door kapitalisten werden uitgebuit bestaan niet meer, waardoor ook hun beloning in grotere mate overeenstemt met Mill’s principe van privaat eigendom.
Democratie uitbreiden naar de economische sfeer is heden ten dage niet eens meer een punt van discussie. Laat staan dat een liberale partij voorstander zou zijn van dit soort beleid. Voor Mill is dit echter het ideaal, weliswaar een ideaal dat ver in de toekomst ligt, maar wel een ideaal.

Conclusie:

Mill’s liberalisme is consequenter in haar toepassing dan het moderne liberalisme. Als markten niet zorgen voor de gewenste uitkomsten dan moeten deze worden hervormd. Er is voor Mill geen plek voor marktdogma als dit dogma niet correspondeert met de praktijk.
De VVD gebruikt de retoriek van het liberalisme om zaken te verdedigen die Mill zou verachten. Zo is de VVD misschien wel de grootste verdediger van de hedendaagse landheren, de financiële sector. De grondrente bestaat nog steeds maar wordt nu grotendeels geïnd door de grote financiële instellingen die hypotheken verstrekken en huur innen in de vorm van rente.[xi] Bovendien leidt Mill’s toepassing van zijn liberale principes uiteindelijk tot de coöperatieve economie, waarin competitie en privaat eigendom blijven bestaan, maar het klassenonderscheid tussen kapitalist en arbeider verdwijnt. Dit is opnieuw verre van het liberale gedachtegoed zoals het ons bekend is.
Vier van de acht bestuursleden van de JOVD (de jongerenorganisatie van de VVD) noemen John Stuart Mill desondanks als hun favoriete filosoof. Men kan zich afvragen of deze JOVD-ers verder zijn gekomen dan On Liberty, aangezien Mill, blijkens zijn economische werk, veel van het huidige ‘liberale’ beleid zou veroordelen. Verwarring over Mill’s politieke voorkeuren lijkt gebruikelijk. Zo geeft Nicholas Capaldi, auteur van een biografie over Mill, aan dat Mill waarschijnlijk tevreden zou zijn met het beleid van zowel de Republikeinen als de Democraten.[xii] Zelfs de meest oppervlakkige lezing van Mill’s economische werken zou al genoeg moeten zijn om iemand te verlossen van deze illusie.
Wanneer men de politiek van een filosoof wil begrijpen is het van belang om niet alleen te kijken naar de doctrines in abstracto, maar ook in concreto. Een principe als ‘beloning naar inzet’ wordt gedeeld door Mill, de VVD, de Republikeinen en Democraten, maar wat vertelt dit ons wanneer men in de uitwerking tot radicaal verschillende conclusies komt? Zolang niet helder is op welke wijze we een principe toepassen is het grotendeels zonder enige betekenis. Met name bij Mill is het belangrijk om oog te hebben voor zijn concrete voorstellen, omdat deze afwijken van wat men in deze tijd zou verwachten op basis van zijn leidende principes.

Mill’s werk is waardevol omdat het belangrijke inzichten verschaft over liberale principes die ook vandaag de dag nog toepasbaar zijn. Mill schrijft bovendien in een uiterst aantrekkelijke stijl, niet zoals Marx als een soort miskende –uiterst langdradige- profeet, maar als een professor die probeert uit te vinden hoe de wereld werkt zonder daarbij zijn menselijkheid te verliezen. Mill’s expliciete veroordeling van ‘unearned income’ staat ook aan de basis van andere tradities in de politieke economie, waaronder die van Marx, maar ook Henry George, Thorstein Veblen en Silvio Gesell, die in feite allen probeerden om een bepaalde vorm van inkomen te isoleren en te bestempelen als ‘unearned’. Dit alles maakt Mill één van de grote klassieke economen die thuis hoort in het rijtje Smith, Ricardo en Marx.


[i] Marx had desondanks geen goed woord over voor John Stuart Mill en noemt hem nauwelijks in zijn werk, ondanks Mill’s beroemdheid. Bela A. Balassa (1959). “Karl Marx and John Stuart Mill.” Weltwirtschaftliches Archiv, 83 (1) 147-165

[ii] Michael Hudson (1992). “Trade, Development and Foreign Debt,” London: Pluto Press pp. 365-369

[iii] Over Laissez Faire en een kleine overheid schrijft Mill bijvoorbeeld: “Laissez faire . . . should be the general practice: every departure from it, unless required by some great good, is a certain evil” (Collected Works iii: 945) en “As a general rule, the business of life is better performed when those who have an immediate interest in it are left to take their own course, uncontrolled either by the mandate of the law or by the meddling of any public functionary” (Collected Works iii: 946)

[iv] Gregory Claeys (1987). “Justice, Independence, and Industrial Democracy: The Development of John Stuart Mill’s Views on Socialism.” The Journal of Politics, 49 (1) 122-147

[v] Pierre J. Proudhon (1840 [1969]). “What is Property? An Inquiry into the Principle of Right and of Government.” London: William Reeves

[vi] Jamie Whyte, Daniel Ben-Ami en Saugatto Datta. “Global Elite.” The Economist, 8 februari 2011 http://www.economist.com/debate/days/view/656/print

[vii] In concreto verschilt Mill hiermee ook van hedendaagse liberalen. Zo probeert de VVD al tijden de erfbelasting af te schaffen. Het is volgens de VVD onrechtvaardig om iemand die het voor elkaar heeft gekregen succesvol te zijn in het toch al zo zware ondernemingsklimaat in Nederland, die bovendien zijn hele leven lang al –veel te hoge- belasting heeft betaald, na zijn dood doormiddel van de ‘sterftax’ (lees erfbelasting) alsnog te ontdoen van zijn zuurverdiende vermogen.

[viii] George Akerlof (1970). “The Market For Lemons’: Quality Uncertainty and the Market Mechanism.” Quarterly Journal of Economics, 84 (3) 488-500

[ix] Frank Easterbrook en Daniel Fischel (1991). “The Economic Structure of Corporate Law.” Boston, Harvard University Press pg. 282

[x] Mill zou dan ook niet verbaast zijn geweest over het falen van de huidige toezichthouders. Die nog altijd “unduly lenient” zijn tegen de “commercial frauds” die de wereldeconomie hebben weten te ruineren. (zie William K. Black. “Echo Epidemics – Comment on: Mortgage Origination Fraud and the Global Economic Crisis: A Criminological Analysis, Working Paper Series, 13 mei 2010 http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1607040)

[xi] Dit brengt ook problemen met zich mee die door Mill nog niet werden voorzien, zoals vastgoedbubbels. Zie Jesse Frederik en Jan-Hein Strop. “Wankel Huis Gebouwd op Schulden.” De Pers, 9 mei 2011 http://www.depers.nl/economie/567211/Wankel-huis-gebouwd-op-schulden.html en Jesse Frederik. “De Nederlandse Huizenbubbel.” Lux et Veritas, 12 augustus 2010 http://www.luxetveritas.nl/blog/?p=573

[xii] Nicholas Capaldi en Brian Lamb. “John Stuart Mill: A Biography.” C-SPAN, 1 maart 2004
http://www.c-spanvideo.org/program/Stuar

4 Responses to “John Stuart Mill: Klassiek en Modern Liberalisme”

  1. […] moet niet. En nogmaals: dat idee kunt u al vinden bij David Ricardo, John-Stuart Mill en zelfs Adam […]

  2. Ontzettend interessant bericht! Ik zal zeggen dat ik dit niet had geanticipeerd in deze hypotheekmarkt! Bestaat er een methode om me aan te melden voor deze berichten?

  3. Uitermate interessant artikel! Ik zal zeggen dat ik dit niet had zien aankomen met de huidige hypotheekmarkt! Bestaat er een methode om me aan te melden voor deze site?

  4. Marni Ganji zegt:

    Hello there! This post could not be written much better! Reading through this post reminds me of my previous roommate! He always kept preaching about this. I am going to send this article to him. Pretty sure he will have a great read. Many thanks for sharing!

  5. This is nice! This information is astounding 😀 I will recommend it to my wife and anybody that could be drwn to this topic. Great work guys!!

Leave a Reply

top