search
top

Knetterende onzin over inflatie, koopkracht en welvaart. En hoe het wel zit.

Auw. Op zijn ‘inflatieblog’ stelt Edin Mujagic het volgende:

>Een van de zaken waar ik in mijn boek Geldmoord op in ga, en dé reden om te spreken van een geldmoord, is de invloed van technologische vooruitgang en globalisering op inflatie.

Globalisering, technologische vooruitgang en vrijhandel leiden onder meer ertoe dat productie, transport  en handel efficiënter, sneller en goedkoper worden. Ook stijgt de arbeidsproductiviteit, wat een extra bron is van neerwaartse druk op de prijzen. Zo bezien moet de combinatie van globalisering, toenemende vrijhandel en technologische vooruitgang leiden tot prijsdalingen.
Dat is inderdaad wat we hebben gezien eind 19de eeuw. In de grafiek hieronder is duidelijk te zien dat de prijzen in Nederland tussen 1880 en begin 20ste eeuw zijn gedaald, wat voor een enorme stijging van de welvaart zorgde. Immers, de koopkracht va de gulden nam elk jaar toe. Aan het einde van die periode stijgen de prijzen weer: per saldo bedroeg de inflatie tussen 1880 en 1914 0 procent.
Het verschil tussen die periode en de moderne periode van globalisering, vrijhandel en technologische vooruitgang, kon nauwelijks groter zijn.

Ondanks ongekende technologische vooruitgang, globalisering en vrijhandel zijn de prijzen jaar in jaar uit alleen maar gestegen.  De grafiek hieronder, waar de Nederlandse inflatie (index) te zien is voor de periode 1980 – 2010 spreekt boekdelen. Waar de inflatie tussen 1880 en 1914 0 procent bedroeg, komt die tussen 1980 en nu op ruim 100 procent uit!

Terzijde – kijk hier voor meer informatie over de welvaartsgroei in deze tijd.>

Bij implicatie geven de opmerkingen van Mujagic aan dat de welvaart in een tijd van structurele inflatie niet zou kunnen toenemen. Wat natuurlijk onzin is. In de jaren vijftig, een tijd van structurele inflatie, nam de welvaart fors toe. In de jaren zestig, een tijd van structurele welvaart, nam de welvaart fors toe. In de jaren zeventig, een tijd van structurele inflatie, nam de welvaart toe. In de jaren tachtig, een tijd van structurele inflatie, nam de welvaart toe. In de jaren negentig, een tijd van structurele inflatie, nam de welvaart toe. En tot en met 2008 nam de welvaart, evenals het prijspeil, ook toe.
Misschien ervaren we die welvaartsstijging van de afgelopen decennia niet altijd als zodanig. En de stijging is ook wat verstopt. Hij doet zich bijvoorbeeld voor als ‘huishoudensverdunning’: er wonen tegenwoordig minder mensen in een huis dan vroeger. Inderdaad, wellicht worden we daar niet gelukkiger van (zie deze blog voor uitgebreide informatie over dit soort zaken)- maar het is, strikt materieel gezien, wel degelijk meer welvaart. En we hebben ook meer computers, dan in 1980. En meer auto’s. En smartphones. Er zijn zelfs betere therapieën voor sommige soorten van kanker die ook meer worden ingezet. De materiële welvaart is zeer fors toegenomen, in deze tijden van inflatie.
Je kunt ook wat structureler naar dit proces kijken, vanuit een macro-economische invalshoek. In de macro-economie geldt (en daar zijn echt alle macro-economen het mee eens) dat de productie gelijk is aan het inkomen en dat dat weer gelijk is aan de bestedingen. Kijk de nationale rekeningen er desnoods op na. Als de prijzen stijgen dan wordt het leven duurder – je moet meer betalen voor de boodschappen. Maar iemand anders krijgt dat geld. Dus het inkomen van die ander (eigenlijk: anderen) neemt toe. Dan wel als winst, voor de eigenaar, dan wel als loon, voor de werknemers. Of als BTW, voor de overheid. Nu zien we inflatie (ten onrechte) vaak enkel als consumentenprijzeninflatie. Maar lonen zijn ook een prijs, net als de rente. Bij winst ligt het wat ingewikkelder – maar bij de BBP-deflator worden hogere winsten veroorzaakt door prijsstijgingen impliciet ook meegenomen als ‘prijs’. En macro-economisch kan het niet anders dan dat hogere prijzen voor de ‘finale bestedingen’ (de consumptie van huishoudens en de overheid, de investeringen van bedrijven en van de overheid en de netto export) tot uiting komen in een toename van de nominale productie en de nominale inkomens. Waarbij de toename van die nominale productie en inkomens de ene keer vooral zal worden veroorzaakt door hogere prijzen (en ook het loon is een prijs…) en de andere keer door meer productie en meer werkgelegenheid (dus ook meer lonen…). Maar het is macro-economisch volslagen onjuist om bij inflatie alleen naar de bestedingen te kijken, en al helemaal beperkt om enkel naar de consumentenbestedingen te kijken.
Oeps, Mario Draghi beging dezelfde blunder.
P.S. – ik heb enige heimwee naar de tijden van hoge inflatie rond 1980, toen ik elk jaar flink wat rente kreeg op mijn betaalrekening (strikt genomen: mijn plusrekening)! En toen jonge mensen met de toekomst bezig waren, in plaats van met hun pensioen.

 

Spaanse crisis ten einde? Ik betwijfel het.

Gisteen kwam het bericht dat, ook gecorrigeerd voor het seizoen, de Spaanse werkloosheid fors gedaald is. Een goed bericht (al meen ik me te herinneren dat we vorig jaar rond deelfde tijd exact hetzelfde bericht kregen…). Daarnaast (via Robin Fransman) een belangrijk artikel van Bloomberg dat een aantal Spaanse bedrijven de exportmarkten steeds beter weten te vinden en, nog beter nieuws, dat dit tot dynamische effecten leidt. Betere producten, hogere kwaliteit. Een zweem van groen!

Ik verwijs wat die export betreft naar drie recente artikelen op Voxeu, die allemaal aangeven dat exporteren en de productiviteitsvoordelen hiervan niet worden gestimuleerd door lage lonen of zelfs van buitenlandse investeringen maar vooral erg afhankelijk zijn van ‘menselijk kapitaal’. Zie hier, hier en hier. En dat  vaak op extreem lokale basis, denk aan de schilder van jachten in Wartena of Terherne (deel van de Friese, internationaal vermaarde jachtbouw hotspot) die zijn neefje opleidt. Opmerkelijk in het Bloombergartikel is dat een van de bedrijven zelfs stelt dat ze dankzij de export de lonen juist niet hoeven te verlagen…. . Terzijde: beleidsmatig betekent dat er veel meer met (internationale) stages moet worden gewerkt in het MBO, HBO en universitaire onderwijs en dat er, net als vroeger in de Nederlandse zuivelindustrie, wanneer er ergens in een bedrijf een leuke vacature is dat die dan doorgeseind wordt aan een high potential bij een ander zuivelbedrijf die daar niet kan doorgroeien.  Insiders first. Want dat bevorderd de doorstroming van kennis en vaardigheid.

De titel van het Bloomberg artikel, “Spain’s Crisis Fades as Exports Transform Country” is echter onjuist en zelfs schandalig. Erger nog: het getuigt van onkunde. De Spaanse crisis vervaagt helemaal niet. Ook als de Spaanse export in vijf jaar verdubbelt (i.e. 14% groei per jaar) terwijl er tegelijkertijd honderduizenden mensen uit Spanje emigreren dan nog zijn de (werkloosheids)problemen nog niet opgelost. Ook dan dreigt met name de zeer snel groeiende groep van langdurig werklozen te veranderen in een niet goed in de maatschappij geïntegreerde ‘onderklasse’. De Spaanse crisis verergert met het tempo van de stijging van de langdurige werkloosheid. En de Spaanse export groeit niet met 14% per jaar. Of met 4% per jaar. De Spaanse export neemt al enige tijd af.

Laten we daarvoor naar de Spaanse nationale rekeningen van het eerste kwartaal kijken. Ja, de netto export (export minus import) neemt toe (eigenlijk: de netto import neemt af). Maar alleen omdat de importen sneller dalen dan de exporten, de bruto exporten van Spaanse goederen en diensten daalden namelijk, de afgelopen twee kwartalen. Ook is de crisis is niet meer voornamelijk beperkt tot de bouwnijverheid – de werkgelegenheid daalt nu in alle sectoren, volgens deze rekeningen.

Natuurlijk, Spanje moet meer exporteren. Temeer daar extra investeringen in de bouwnijverheid momenteel niet erg verstandig zijn, zelfs al ze werk opleveren… de 30% extra bestedingen die nodig zijn moeten uit een ander hoek komen dan de bouwnijverheid. En exporteren zou een deel van die hoek kunnen zijn. Maar exporteren zou voor Spanje een stuk makkelijker zijn als de Eurozone staten met zeer grote overschotten op de lopende rekening, zoals Duitsland en Nederland nu geen beleid zouden voeren dat gericht is op het nog verder verhogen van die overschotten. Daarbij wordt ‘zeer’, in navolging van de Europese Commissie, gedefinieerd als: meer dan 6% van het BBP. Ter info: het Chinese overschot is nu 2% van het BBP. En het zou, ook voor het overleven van de Euro als munt, verstandig zijn als we een Europese AOW invoeren. Dat is nu goed voor Spanje en de bestedingen daar – en over tien jaar wellicht goed voor ons. Want een belangrijke reden om dit te doen is te voorkomen dat de sociale voorzieningen in Europa, via de salamitaktiek, telkens wanneer er een individueel land in crisis is worden opgeofferd op het altaar van de schulden die ondragelijk worden omdat het land in crisis komt, mede door (export)beleid van andere landen. Er is in spanje wellicht een zweem van groen – bij de bomen die overgebleven zijn. Maar het bos is verdwenen. Wachten totdat de overgebleven bomen zichzelf uitzaaien en weer een bos vormen duurt generaties. We zullen ze moeten helpen met het aanplanten ervan. Dan kunne wij over tien jaar wellicht in de schaduw ervan zitten.

Waarom het verhogen van de Nederlandse huurprijzen geen ‘marktgericht’ idee is

De commissie Rehn heft gesproken.

Het slechte nieuws: ze begrijpen nog steeds ook de micro-economie niet. De commissie wil meer ‘marktgerichte’ huurprijzen. Nu is er niet zoveel op tegen als de woningbouwcorporaties de, zeg, 10% beste locaties tegen veel meer geld verhuren. Maar toch is ook daar wel iets op tegen. En er is beslist iets tegen het verhogen van alle huren (nog los van de bestedingsuitval die dit veroorzaakt).

Volgens de ideeën uit de economieboekjes is één van de voorwaarden voor een effictief werkende markt dat het aanbod prijselastisch is. Hogere prijzen leiden dan tot meer aanbod – en dus tot druk op de prijsstijging. In sommige markten werkt dit ook zo, zij het niet zo mooi als in de economieboekjes, maar vaak met wat horten en stoten. Op de Nederlandse woningmarkt werkt dit echter niet zo. Hogere huurprijzen leiden (in toenemende mate!) niet tot meer woningbouw, vanwege heel veel redenen. En dus niet tot minder prijsdruk. De huurder is overgeleverd aan de aanbieders van huurwoningen.

Neo-liberale pleidooien voor huurprijsliberalisering in Nederland moeten dan ook, om intern consistent te zijn, gepaard gaan met pleidooien voor woningbouwliberalisering. Wat bij Rehn dus niet het geval is. Bovendien – enige liberalisering is wellicht mogelijk zowel als gewenst in ons landje. Maar in ons land is (bij mijn weten) niemand is voor het soort van ‘vrije woningbouw’ dat consistent is met de neo-liberale economische modellen: hop, een blokhut in je achtertuin en verhuren maar. ‘Vrije marktbeleid dat onder andere ook effectief beleid veronderstelt op het gebied van het tegengaan van Ricardiaanse grondrente-winsten voor particulieren – want ‘locatie’ is per definitie een schaarse, niet individueel te produceren factor. Dat alles wordt, ten onrechte, door Rehn niet meegewogen, in de adviezen.

Relatief meer huurwoningen zou overigens de flexibiliteit op de woning- en arbeidsmarkt ten goede komen.

Vouchers (monopoliegeld) voor huishoudens, om restschulden terug te betalen?

Onder water? Niet zo erg als je niet wilt en hoeft te verkopen. De schulden in de Eurozone zijn te hoog. En zeker de private schulden, van huishoudens en bedrijven. Waarbij huishoudens in veel landen een extra tik hebben gehad omdat de investering waarvoor de schulden waren aangegaan, de woning, sterk in waarde is gedaald. Op zich is dat geen werkelijk probleem als mensen goed wonen, niet weg willen en ze een redelijke afbetaling en de rente zonder extreme moeite kunnen opbrengen. Want die ‘waarde’ van de woning – die is er eigenlijk niet, in zo’n geval. De woning staat niet te koop – en heeft dus geen prijs. En speculeren over de ‘eventuele’ waarde die de woning zou kunnen hebben heeft weinig zin, zoals de prijsontwikkelingen tussen 1995 en 2013 hebben laten zien. Het idee van als huiseigenaar ‘onder water’ te zitten is dan weinig relevant.  Je woont goed, je kunt het betalen – niet verder zeuren. Daar komt nog bij dat de marktprijzen die op een gegeven moment betaald worden net als bij aandelen niet indicatief zijn voor de waarde van niet te koop staande voorraad huizen – wanneer de woningprijzen hoog zijn en alle baby-boomers denken dat ze rijk zijn en gaan tegelijkertijd hun huis verkopen om naar Spanje te emigreren dan is het maar de vraag hoe hoog die prijs blijft!

Maar als je wel wilt of moet verkopen… Dat wordt allemaal anders wanneer de woning verkocht moet worden: een nieuwe baan, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, echtscheiding – er kan van alles gebeuren. En dan kan je met een forse restschuld blijven zitten. Wie moet daar voor opdraaien? Het is onlogisch om de verantwoordelijkheid hiervoor enkel bij de schuldenaar te leggen. Daar zijn een aantal argumenten voor:

(A). Een hypotheekcontract wordt door twee partijen ondertekend – en dus zijn twee partijen verantwoordelijk voor eventuele problemen.

(B) Het risico van een hoge restschuld is bepaald niet goed voor de mobiliteit op de arbeidsmarkt (waar ik woon, in Leeuwarden, staan huizen preventief te koop, van mensen die willen gaan huren om als ze een andere baan krijgen niet vast te zitten aan een huis).  Een oplossing waarbij niet alleen de schuldenaar voor het probleem opdraait kan weer wat dynamiek in de woning- en arbeidsmarkt brengen!

(C) Het percentage ‘slechte schulden’ van de banken stijgt alarmerend snel. Daar heeft niemand wat aan, dat moet opgelost. Het is, als een dergelijk probleem te groot wordt, zelfs beter de schulden helemaal af te schrijven en de bank te saneren dan dit te laten voortwoekeren! Dit is niet enkel voor de banken maar voor de hele economie van belang, wel moet dit uiteraard gepaard gaan met veel lagere topsalarissen (Balkenendenorm?) en het zal, zoals nu ook al gebeurt, tot een kleinere bankensector leiden.

(D) Het gaat in de economie natuurlijk om de huishoudens en niet om de banken. En hoewel het wenselijk is dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen is het niet wenselijk dat mensen, doordat iedereen dacht dat de woningprijzen niet zomaar 30% in reële zin konden dalen (let wel: die 30% is gerekend vanaf het topniveau van de prijzen en staat gelijk aan 50% stijging uit het verleden), opeens met restschulden worden opgezadeld die ze de komende veertig jaar zullen moeten terugbetalen (aan de banken, die gezien de huidige wetgeving op dit gebied eigenlijk te weinig geremd werden om mensen onverantwoordelijke leningen aan te smeren)

(E) Het terugbetalen van hypotheken leidt tot een daling van de statistische geldhoeveelheid (zie dit artikel van de ECB, met name ook chart 1 en toelichting). Bij het meten van de geldhoeveelheid gaat men uit van de maatschappelijke geldhoeveelheid: het geld dat niet in de (electronische) kluizen van de banken ligt. Terugbetaald geld telt dus niet mee bij die hoeveelheid, omdat banken dit alleen als het weer uitgeleend wordt terug mogen sluizen naar de private sector (volgens mij ‘verdwijnt’ het geld weer in ‘thin air’, maar daar hoort u nog over). En een daling van de geldhoeveelheid kunnen we nu niet echt gebruiken, economisch gezien.

Wat te doen, dus? We kunnen de huishoudens niet met deze schuld opschepen. Banken zijn net zo verantwoordelijk voor de risico’s van uw lening als u dat bent. Dat een bank daar problemen mee krijgt? Lig ik niet wakker van (wel moet tot mijn spijt de garantiestelling voor deposito’s worden uitgebreid naar alle M-3 deposito’s, hoort u nog van). Maar de bankenproblemen brengen de economie nu dus in de problemen. Natuurlijk hebben banken nu al nogal wat geld om hypotheekproblemen op te lossen: allemaal voorzieningen voor slechte leningen, stroppenpotten en dergelijke, spaarpotjes die uitstekend kunnen (en moeten) worden gebruikt om de schuldenaren tegemoet te komen. Maar gebeurt dat ook? Ik heb het idee dat de banken hier van twee walletjes willen eten: minder winstbelasting betalen doordat de voorzieningen de winst verlagen maar tegelijkertijd wel de schuldenaar tot aan zijn of haar dood achtervolgen! Jesse Frederiks pleit er daarom voor een ruimhartiger en wettelijk geregeld schuldenarenbeleid dat er tegelijkertijd voor kan zorgen dat restschulden via de hypotheekrenteaftrek niet meer op de staatsbegroting drukken. Ik zie dat helemaal zitten (bedenk daarbij ook dat de overheid via de verlaging van de overdrachtsbelasting al 4% van de prijsdaling heeft opgevangen – huishoudens en banken zijn wel degelijk al voor een gedeelte uitgekocht!). Maar wat moeten we met de banken? Die hebben na jaren als spons te zijn gebruikt door de bonusmannetjes en na jaren van geldschepping om woningprijsstijgingen te financieren te weinig kapitaal. Het is niet anders. Wat te doen, behalve dan de bonussen en de salarissen naar normaal Nederlands peil brengen? Een mogelijkheid is: vouchers. Wellicht denk ik hier over drie weken heel anders over, maar nu vind ik het idee de moeite waard, commentaar is welkom.

In de VS zijn de banken uitgekocht door de overheid – maar vouchers worden gebruikt om de huishoudens en niet in eerste instantie de banken te helpen. Iedereen die een restschuld overhoudt van meer dan bijvoorbeeld 5% van de uitstaande hypotheek met een minimum van 5.000,– (?) en een maximum van 80.000,– (?) krijgt van De Nederlandsche Bank vouchers ter waarde van dit bedrag (ja, dat is de geldpers – maar bedenk dat tussen de aankoop en verkoop van het huis ook financiële waarde is verdwenen!). Deze vouchers kunnen worden gebruikt om 90% (?) van de restschuld in te lossen, de 5% die overblijft is het risico van de bank, de 5% restschuld van het huishouden wordt met een nieuwe lening geherfinancierd. De bank kan de vouchers inwisselen bij de ECB, die hier tijdelijke bankreserves met een levensduur van bijvoorbeeld twintig jaar voor in de plaats geeft. Deze bankreserves komen op een (in principe rentedragende) rekening te staan bij de ECB, op onderpand hiervan kan de bank vervolgens een soort LTRO geld lenen. Nou ja, zoiets dus. Voordelen: huishoudens uit de brand, woningmarkt komt weer op gang (wel zal prijsdruk optreden doordat meer mensen gaan verkopen, maar dat is juist de bedoeling), bank heeft geen kapitaalprobleem (Tier 1 0% risk weight: het is een soort cash in plaats van een slechte lening). En de geldhoeveelheid neemt niet af! Nou ja, zoiets dus, ik ben er nog niet helemaal over uitgedacht. Centraal staat dat er een alternatief moet komen voor het direct uitkopen van de banken, met voorbijgaan van de huishoudens, zoals in de VS met het Tarp geld gebeurde.

Er moet meer water door de Rijn. Over sparen, investeren en sectorbalansen.

Een van de onderdelen van de huidige discussie over de problemen van de Eurozone gaat over sectorale spaaroverschotten en -tekorten. Voor 2008 had de particuliere sector als geheel in de Eurozone slechts een klein spaaroverschot: de Duitse spaaroverschotten werden besteed in Spanje, om vliegvelden, theaters en vakantieappartementen aan te leggen te bouwen. Nu is dat niet meer zo. Er is nog steeds een particulier spaaroverschot, in Duitsland. Maar het geld gaat niet meer naar Spanje. Waardoor er een hevige bestedingscrisis is (en nee, een bestedingscrisis los je niet op met een flexibeler arbeidsmarkt). Wat te doen? Moet de overheid dit overschot lenen om vervolgens uit te geven. Of moeten we het, zoals nu in toenemende mate het geval is, uitlenen aan landen buiten de Eurozone? Wat is er aan de hand?

* Theoretische en empirische achtergrond. De nationale rekeningen zijn voor macro-economen wat het periodiek systeem van de elementen is voor chemici: de concepten, afbakeningen en definities van de nationale rekeningen definiëren het speelveld. Hier zal ik twee verschillende en uiterst belangrijke concepten van deze rekeningen weergeven die de discussie over spaaroverschotten bepalen (zie de SNA voor operationele details en concepten, zie Frits Bos voor een diepgaande inleiding). Belangrijk zijn hier:

I. De afbakening van de economie in sectoren: huishoudens, de overheid, niet-financiële bedrijven, financiële bedrijven, de centrale bank en het buitenland. De sub-indelingen worden hier weggelaten, belangrijk is te beseffen dat ook de monetaire statistiek, de prijsstatistiek en de werkgelegenheidsstatistiek dezelfde indeling hanteren.

II. De ‘boekhoudkundige identiteiten’. Wat zijn dit? Volgens dit systeem geldt dat het totaal aan inkomens gelijk is aan het totaal aan finale bestedingen wat weer gelijk is aan de totale productie. De kern van deze afbakening gaat uit van de inkomens van personen en hun bedrijven: lonen, winsten, pachten en huren en de rente. Wat bedrijven kunnen uitbetalen aan inkomens is gelijk aan hun productie: de waarde van de verkopen minus de waarde van de inkopen. En de inkomens worden weer besteed, waardoor deze weer gelijk zijn aan de waarde van de (verkopen minus de inkopen) van de bedrijven. Lees de nationale rekeningen er op na en er wordt rekening gehouden met dubbeltellingen en dergelijke.

* In dit systeem zijn dan geldstromen tussen de sectoren waarneembaar, bijvoorbeeld exporten naar het buitenland en importen uit het buitenland, of belastingafdrachten aan de overheid door de huishoudens. Deze geldstromen worden ook waargenomen en gemeten.

* Er valt daarbij te steggelen over de indeling in sectoren: korfbalverenigingen horen bij de sector ‘huishoudens’ maar horen de uitgaves van gevangenissen aan voeding bij materiële overheidsuitgaven of is een gevangenis ook een soort huishouden? Of, belangrijker: is het wenselijk onderscheid te maken tussen de centrale overheid en de sociale fondsen? Dat steggelen gaan we nu niet doen.

* Er valt niet te steggelen over de identiteiten. Inherent aan geld is dat het overgaat van de een op de ander – anders was het geen geld. En de totale uitgaven van alle sectoren zijn dus het totale inkomen (strikt genomen: omzet) van alle sectoren, dat is een inherente eigenschap van een monetaire economie. Van belang is te beseffen dat de veronachtzaming door mensen als Greenspan en Trichet, geïnspireerd door de nieuw-klassieke economen,  van een van de concepten van dit systeem, de lopende rekening (i.e. wat een land verdient aan/besteed in het buitenland) mede heeft geleid tot de huidige problemen.

* A=B lijkt een triviale opmerkingen – maar dat is het niet. Het water dat Nederland instroomt via de Rijn is gelijk aan het water dat Duitsland uitstroomt via de Rijn. Duh… Maar wat gebeurt er als Duitsland systematisch het waterpeil van de Rijn gaat verlagen, doordat particulieren allerlei stuwmeren gaan aanleggen en dit water ter beschikking stellen aan Spanje? Of andersom, als ontbossing zorgt voor grotere wisselingen in de waterstand (i.e: deregulering van het bankwezen)?

Het kan dus zo zijn dat, op een bepaald moment, een sector meer uitgeeft dan er geproduceerd wordt (het equivalent van het laten leeglopen van de stuwmeren). Deze sector leent dan geld van een andere sector, die dan als sector minder uitgeeft dan er verdiend wordt. De overheid leent bijvoorbeeld van de huishoudens. Let op: dit ‘minder produceren’ kan bestaan uit het lenen en gebruiken van geld dat door een andere sector van te voren bespaard is maar het kan ook bestaan uit het scheppen van geld door banken dat uitgeleend wordt aan een sector, waardoor (als dit geld ook besteed wordt) de totale geldelijke bestedingen in de economie toenemen, evenals, noodzakelijkerwijs dus, de nominale (‘geldelijke’) productie. Terwijl de productie van het bankwezen niet toeneemt (op het loon van de geldpersbediener na wordt geldschepping niet als productie gezien: de ‘zero elasticity of production’ van financiële producten van Keynes. De rente op de leningen telt, na de geldschepping, echter wel mee. Google Fisim).

Sectoraal kan er dus sprake zijn van overschotten en tekorten. Maar in totaal dus niet. Geld blijft altijd ergens. Het overschot van de een is dus het tekort van de ander omdat het overschot/tekort niet had kunnen ontstaan zonder de achterliggende transacties, waar beide sectoren voor tekenden (let op: de transacties zijn bruto, het overschot is netto).

 

Nu kan het, om de metafoor weer op te vatten, zo zijn dat alle (particuliere) stuwmeereigenaren in Duitsland min of meer tezelfdertijd hun meren laten vollopen, juist op het moment dat het toch al wat droog is en het waterpeil van de Rijn daalt. Men is bang voor aanhoudende droogte. En mensen hebben nu eenmaal de neiging ‘kuddegedrag’ te vertonen. Als de een iets doet (en een overtuigend verhaal houdt waarom hij dat doet) dan heeft de ander sterk de neiging dat ook te doen. Dit zorgt uiteraard voor een lager niveau in de Rijn. Waardoor nog meer mensen geneigd zijn hun stuwmeer op hoger peil te brengen. Waardoor het peil van de Rijn nog lager wordt. Deze dreigt niet meer bevaarbaar te worden wat tot een ineenstorting van het transportsysteem en daarmee van de hele economie leidt. Wat te doen?

Theoretisch is het mogelijk dat de particuliere sector – in dit geval de mensen en de huishoudens zonder stuwmeer – het water in de meren gaan ‘lenen’, om hun particuliere problemen op te lossen. Spaanse projectontwikkelaars leenden via Spaanse banken Duits geld om te bouwen en te bouwen en te bouwen. In zo’n geval hoeft de particuliere sector als geheel geen spaaroverschot te hebben en omdat het water na gebruik via de riolen en de waterzuivering terugvloeit in de Rijn stijgt het peil van de Rijn zelfs weer. Maar gebeurt dat ook werkelijk? Of zijn de mensen vanwege de algehele angst voor waterschaarste juist minder geneigd dit te doen – zelfs als De Overheid het watertarief (lees: de rente van de ECB) sterk verlaagt. Terwijl veel mensen, die eens goed naar hun eigen stuwmeertje gekeken hebben, er opeens achter komen dat ze ‘onder water’ staan (of, in deze metafoor, dus eigenlijk het omgekeerde). Hun eigen watervoorraad is lager dan ze dachten en mede omdat er wordt beknibbeld op toekomstige waterstromen (lees: pensioenuitkeringen) gaan ze zelf ook meer water sparen.

Gelukkig hebben we dan een overheid, die het water dat normaal door de Rijn stroomde kan lenen van de stuwmeereigenaren (beste mensen, volgend jaar gaat het vast weer normaal regenen en dan krijgen jullie het weer terug). En die het in extreme gevallen zelfs kan laten regenen (lees: geldschepping). Wat soms enkel tot extra modder in de polder leidt. Dan moet je dat niet doen. Maar soms leidt het ook tot een bevaarbaar peil van de Rijn. Van te voren weten we niet altijd helemaal goed wat het gevolg hiervan zal zijn. Maar momenteel lijkt het risico van meer modder op te wegen tegen een onbevaarbare rivier.

Maar wat, als de overheid nu ook gaat bouwen en bouwen en bouwen? Is de overheid dan net zo onnozel als de particuliere sector was, in Spanje en Duitsland? Niet altijd. In Nederland mogen er nog wel een paar jaar 20.000 woningen per jaar extra gebouwd worden, afgemeten aan het huidige niveau. Helaas leidt het huidige overheidsbeleid tot het tegenovergestelde. In plaats van geld te lenen uit de stuwmeren die tot barstens toe zijn gevuld verhoogt men de belastingen, op woningcorporaties. Die (veel) minder gaan bouwen. De overheid is kennelijk inderdaad net zo onnozel als de particuliere sector.

Page 20 of 108« First...10...1819202122...304050...Last »
top