search
top

Werkgelegenheid in de Baltische staten en Olli Rehn

Jonathan Portes heeft een meesterlijke ingezonden brief in de Financial Times, over de opvattingen van Olli Rehn (link naar de blog van Brad deLong, die openbaar is). Naar aanleiding van dit artikel aan het eind een grafiek van de werkgelegenheidsontwikkeling in de drie Baltische staten.

Sir,

The EU commissioner for economic affairs brings us good news:

Since last spring, Greece has demonstrated a remarkable commitment to economic stabilisation – one certain to yield lasting returns. Spain is now also pursuing a broad reform agenda…. Europe’s recovery in the real economy has taken hold and is becoming self-sustaining.

So the commission’s strategy is working, it seems.

Except those quotes aren’t from Olli Rehn’s most recent article on your Comment page (“Austerity is working – Europe must stay the course”, December 11, 2012). They are from his article of two years ago: “New reforms can break Europe’s debt cycle”, January 11, 2011.

In this week’s piece, he said:

There is light at the end of the tunnel … confidence is returning … we need to stay the course …

What about the realities of actual economic developments in the eurozone over the last two years? If Mr Rehn had changed a couple of dates, he could probably have saved himself the trouble of writing a new article and simply resubmitted the old one.

What has actually happened in the intervening period? Unemployment in both Spain and Greece has risen to over 25 per cent. Even in Latvia, the commission’s favourite “success story”, where growth has returned, the falls in unemployment (from a very high level) have largely been the result of mass emigration; employment in Latvia remains about 20 per cent below its pre-crisis peak.

To quote Tacitus: “Solitudinem faciunt et pacem appellant.”

Naar een nationaal en schuldgerichte monetaire statistiek in de Eurozone. Technisch.

Update:  laatste zin: ‘En die waren er ook voor ons, trouwens, maar die kans hebben we aan onze neus voorbij laten gaan’, verwijderd.  

Een van fatale fouten die de ECB gemaakt heeft is dat men heel lang weigerde naar individuele landen te kijken. Dit blijkt uit de gepubliceerde stukken. En op 30 november was ik op een bijeenkomst van de ‘Shadow Council’ van het Handelsblatt, met onder andere een lezing van Nout Wellink, expert op het gebied van de Eurozone, waar meerdere mensen bevestigden dat dit meer was dan enkel ‘window dressing’. Het is, sinds Draghi en zeker sinds de crisis van jongstleden juli aan het veranderen: nationale verschillen komen weer ‘in the picture’. Maar het kan beter, bijvoorbeeld op het gebied van de monetaire statistiek. Ook die was (en is!) op het Eurogebied gericht. En weliswaar is deze statistiek in die zin wetenschappelijk dat men uitgaat van een ‘endogeen’ geldbegrip warbij de ‘geldscheppende banken’, al naar er behoefte aan is en op basis van de geldende regels, samen met mensen die het geld lenen nieuw geld scheppen. U leent, de banken schrijven ‘uit het niets’ (nou ja, gebaseerd op een wettelijk recht en uw solvabiliteit) geld bij op uw rekening. Dat u vervolgens gebruikt om bijvoorbeeld een huis te kopen. Marktwerking veronderstelt nu eenmaal geld en zonder geld ook geen prijzen! Men kijkt dus niet enkel naar de geldhoeveelheid sec maar ook naar waar het geld vandaan komt. Echter, hoewel deze visie op de geldschepping, die centraal staat bij de monetaire statistiek, wetenschappelijk juist is (en altijd ook in Nederlandse economieboeken stond, ‘wederzijdse schuldaanvaarding’) maakt men vervolgens de fouten niet naar de individuele landen te kijken en toch, consistent met de op dit vlak toch erkend naïeve ideeën van een man als Milton Friedman, de geldhoeveelheid centraal te stellen, in de statistiek en in de officiële doelstellingen, in plaats van de schulden.

Dat kan beter. De gegevens zijn er om niet de Eurozone maar de landen centraal te stellen. En om niet de geldhoeveelheid maar de schulden centraal te stellen. En daar ben ik nu dus mee aan het werk, nader bericht volgt. Maar hier alvast een voorproefje. Grafiek 1 geeft de hypothecaire kredietverlening weer, althans voor Nederland gebaseerd op de balansen van huishoudens en voor de andere landen op de ECB gegevens (die tot juni 2010 echter niet systematisch corigeren voor securitisatie). En grafiek 2 geeft de private schulden weer, deze zijn niet allemaal afkomstig van geldscheppende banken – maar overwegend wel. De landen zijn overigens gesorteerd naar de totale hoogte van de private schulden, dus inclusief de bedrijven (exclusief de banken). En ja, in het ‘rechter rijtje’ van grafiek 2 staan is inderdaad geen onverdeeld genoegen. Zie ook Bin Ibrahim, 2012.

Bronnen: ECB, DNB, CBS, Eurostat

Het zal duidelijk zijn dat de ECB inderdaad een enorme, de bank aan te rekenen, fout heeft gemaakt. Kredietverlening die vele jaren achtereen de 20% overschreed… en die (niet eenvoudig maar toch) tegen te gaan is met iets als een hogere grondbelasting: een prudentiele huizenkredietmarkt. Oh, en waarom heeft Nederland dan niet zo’n hevige crisis als Spanje en Ierland? Nou, momenteel gaat het qua groei hier dus slechter dan in Spanje en Ierland, en de bouw ligt redelijk op zijn gat en de voor geldontwaarding en verlaging van overdrachtsbelasting gecorrigeerde woningprijzen zijn al zo’n 30% lager, maar anderzijds heeft onze stugge regelgeving een ‘Ierse’ woningbouwzeepbel tegengehouden (leven de Vinexwijken!). Bij kantoren lag dat natuurlijk anders, maar uiteindelijk is veel van de toevloed aan  geld dat hier via de hypotheken werd geschapen via de pensioenfondsen in buitenlandse obligaties terecht gekomen. Destijds prima, nu echter ongewenst. De hypotheekverlening ligt op zijn gat, de stroom van 30, 40 miljard of zo die er via dat kanaal elk jaar bij kwam is opgedroogd en we hebben dat geld nu thuis nodig! Voor het buitenland hebben we de LTRO’s.

Bin Ibrahim, M. (2012), ‘Future challenges for monetary statistics in a changing environment – re-thinking monetary analysis and statistics’ in: ECB (2012 B) pp. 41-54.

Van ‘De tering naar de nering zetten’ naar ‘De nering zet zich tegenwoordig naar de tering’

Naar aanleiding van wat getwitter van gisteren, waarin de conjunctuurcyclus van de huidige economie door @Geert Noels impliciet en volkomen ten onrechte werd vergeleken met de middeleeuwse. Duidelijk alweer iemand die zijn huiswerk niet heeft gedaan: historische vergelijkingen met de jaren dertig zijn zinvol, omdat we toen ook een ‘moderne’ economie hadden. Historische vergelijkingen met de conjunctuur in de middeleeuwen? Knotsika.

1. Vergelijkingen met de middeleeuwen houden sowieso geen steek (loonarbeid was buiten de weinige grote steden marginaal), een vergelijking met de achttiende en negentiende eeuw is wel interessant.

2. Daarvoor kunnen we, wat betreft de conjunctuur, terecht bij Van Riel en Van Zanden (de laatste is overigens mijn promotor), in hun “The strictures of inheritance. The Dutch economy in the nineteenth century“, waarbij het woord ‘inheritance’ uiteraard aangeeft dat de Nederlandse negentiende eeuw slechts uit de achttiende eeuw (en eerder) begrepen kan worden.

3. En zij onderscheiden een specifieke, voedselprijzen gedreven, pre-moderne conjunctuurcyclus. Kort gezegd: een zeer groot deel van de bestedingen (40 tot 50%, internationaal gezien destijds overigens laag) betrof voeding. Bij een misoogst was in Nederland weliswaar sprake van compenserende importen van rogge uit het Baltische gebied – maar de niet-voeding gerelateerde bestedingen namen door het hogere prijsniveau toch af. De term ‘de tering naar de nering zetten’ past bij een dergelijke economie. Men moest wel, hoewel er in de nijverheid en de industrie in zo’n situatie wel degelijk sprake was van onderbezetting, vooral ook door de rigiditeiten van de gouden/zilveren standaard die men toen impliciet gebruikte. Gelukkig hadden veel mensen overigens wel de mogelijkheid om althans tijdelijk het consumentenkrediet bij de bakker en de slager te laten oplopen!. In die zin was de geldhoeveelheid, geld hier gedefinieerd als ruilmiddel en niet als betaalmiddel, wel elastisch.

5. Aardig is natuurlijk dat het voedselconsumptie in Nederland in de negentiende eeuw zeker tot en met 1960 een steeds achttiende eeuwser patroon krijgt: meer granen, minder dierlijke eiwitten (dat zal zich tot de jaren vijftig doorzetten!), minder calorieën, zoals u in dit niet onaardige artikel kunt vinden

6. En waarbij Van der Woude en De Vries natuurlijk betogen dat de Nederlandse economie in de zeventiende eeuw een duidelijk modern karakter had en dat, ondanks teruggang, aan het eind van de achttiende eeuw eigenlijk nog steeds bezat.

7. Dat brengt ons bij de vraag: wat is een moderne economie. Een moderne economie wordt gekarakteriseerd door:

* een hoge mate van verstedelijking
* een uitstekend transportsysteem
* een fiduciair geldsysteem
* macro-economisch: een vergeleken met de negentiende en achttiende eeuw hoge kapitaalquote en investeringsquote.
* een grotere rol voor loonarbeid, afname van de ‘zelfstandigen zonder personeel’ (in het verleden vooral boeren maar ook de schoenmaker, de kleine kruidenier en noem maar op).
* En een relatief laag niveau (gemeten als aandeel van het totaal) van de uitgaven voor voeding in het totaal van de bestedingen
* Waarbij de laatste decennia de uitgaven voor (in die volgorde) wonen en gezondheid overigens sterk toenemen.

Gesteld is al dat het voedselconsumptiepatroon in Nederland in de negentiende eeuw minder modern werd (voedsel werd ook belangrijker in het totaal van de bestedingen!). Ook werd het transportsysteem in met name Holland, doordat schepen groter werden, relatief minder modern – met opmerkelijke gevolgen voor het niveau van de verstedelijking aldaar! Nederland werd dus minder modern. Maar dat terzijde.

8. Veel van de conjunctuurcyclus wordt nu niet gedreven door voedselprijzen – maar door kapitaalstromen en monetaire effecten. Kort gezegd: momenteel wordt bijvoorbeeld, vergeleken met het investeringsniveau, te veel gespaard. Nu weet ik wel dat er een economisch/boekhoudkundige definitie is die stelt dat besparingen gelijk zijn aan de investeringen maar dat is een definitiekwestie. Dat zijn ‘echte’ besparingen in de zin dat het dat deel van de productie betreft, en het daardoor gegenereerde inkomen, dat niet geconsumeerd wordt. Daarnaast (en daar zou eigenlijk een andere term voor moeten komen) zijn er de geldelijke besparingen, die ook neerslaan in waardepapieren en dergelijke. En dan krijg je een probleem. Want geld gaat rond in een cirkel. Het inkomen moet weer besteed worden, wil het tot nieuwe productie (en nieuw inkomen) leiden. En als het niet besteed wordt, in de zin van consumptie of investeringen, maar neerslaat in beleggingen dan gaat het uit de roulatie. En de nering zet zich naar de tering.

9. In zo’n situatie moet investeren aantrekkelijker worden gemaakt en sparen minder aantrekkelijk. Dat is het klassieke concept van rente-verlagingen door de centrale bank, die overigens niet denderend werken omdat de lagere rente bijvoorbeeld niet of onvoldoende wordt doorgegeven aan bedrijven en huishoudens in Spanje, Italië en Nederland. Daarnaast leidde de paniekzaaierij van een volstrekt onverantwoordelijke politicus als Jan Kees de Jager natuurlijk ook tot minder vertrouwen, des te meer omdat de voortdurende paniekzaaierij gepaard ging met BTW verhogingen, aankondigingen van bezuinigingen en noem maar op.

10. Waarbij de analyse van de mensen rondom JKdJ en nu dus rondom Dijsselbloem was dat er sprake was van een vermogensprobleem. Men wilde geen binnenlandse bestedingen in de zin van consumptie of overheidsbestedingen, deze werden althans afgeremd. En bedrijfsinvesteringen? Als men die werkelijk gewild had dan waren de kassen van de pensioenfondsen al lang ingezet voor investeringen in de woningbouw, met 4% rendement, in plaats van voor het investeren in Bunds, met 1% rendement. En dan had men al lang maatregelen genomen om restschulden te verdelen tussen de huishoudens en de banken. En dan had het kabinet al lang tegen de bedrijven gezegd: die steeds grotere reserves? Gebruiken of uitbetalen! Maar nee. Telkens weer werd huidige productie en investeringen voor de toekomst opgeofferd voor de spaarpotjes. Export mocht echter wel, wat aangeeft dat men de kern van het probleem niet zag als een aanbodprobleem maar als een monetair probleem. Want export, dat gaat dan niet ten koste van de Nederlandse spaarpotjes, was kennelijk het idee. Maar die export, die gaat naar Duitsland. Dat ook kwakkelt.

En ondertussen zet de nering zich naar de afnemende tering…

Terzijde: onderschat nooit de productieve capaciteiten van een moderne markteconomie! De klassieke voorbeelden zijn uiteraard Duitsland in de jaren dertig en de VS, 1938-1945. Maar op micro-niveau: ooit verrichtten twee studenten van mij een afstudeeronderzoek bij broodfabriek Borgesius. In die periode brandde een andere fabriek in Noord-Holland af. Door het inzetten van (inderdaad: dure maar ook terecht dure) nachtdiensten wist men de productie van deze fabriek in een tijdsbestek van enkele dagen totaal over te nemen.

 

De inflatie: nog steeds een dalende tendens.

Laat ik er mee beginnen dat ik, groot geworden in de jaren zeventig en tachtig, niet begrijp waarom iedereen zo druk doet over inflatie. De inflatie was toen hoog, so what? Maar goed, iedereen doet er nu moeilijk over. En dat terwijl het de minst inflatoire tijd is die ik ooit heb meegemaakt, iets waar de ECB het overigens geheel en al mee eens is als men naar de inflatievoorspellingen van deze bank kijkt. Inflatie is op dit moment wel de minste van onze economische zorgen. Desondanks waarschuwden, op 19 oktober jongstleden, Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic: “stijgende inflatie is geen denkbeeld maar een feit“.Hadden ze gelijk? Wordt de inflatie steeds hoger? Of is het slecht geïnformeerde paniekzaaierij? Wat zeggen de feiten hierover?

1. Als we naar de consumentenprijsinflatie in de Eurozone kijken (grafiek 1) dan daalt de ‘headline’ inflatie alweer een tijdje. Ze ligt nu al bijna een procent lager daneen jaar geleden. De kerninflatie, die volatiele prijzen zoals die van energie uit de index laat, is stabiel en ligt ruim onder het niveau van de ECB doelstelling ligt (als we alleen energie weglaten dan is de stijging 1,8%). En dat ondanks allerlei BTW verhogingen in veel landen!
2. Kijken we naar de bredere BBP-inflatie (grafiek 2), waarbij niet alleen de consumentenprijzen maar bijvoorbeeld ook de prijzen van door bedrijven aangeschafte investeringsgoederen en de prijzen van de materiële overheidsconsumptie worden meegeteld, dan blijkt ook deze in de meeste landen te dalen (NL, UK!) terwijl bijvoorbeeld in Griekenland duidelijk sprake is van deflatie (de laatste gegevens zijn voor het derde kwartaal, die zijn nog niet voor alle EU landen bekend, de EU-BBP-deflatie is dus ook nog niet bekend). De woningprijzen zitten overigens nog niet eens in deze indices.

Hoe dan ook: de conclusie lijkt me duidelijk. Geen paniek. Overigens stelt het teleur dat economen zoals Eijffinger en Mujagic niet de moeite nemen bijvoorbeeld de inflatievoorspellingen van de ECB erbij te nemen, of naar de geld- en kredietgroei kijken, of de loonontwikkelingen in hun analyse meenemen. Ik bedoel: vanuit de inkomens gezien en gezien de gelijkheid tussen productie en inkomen moet inflatie noodzakelijkerwijs gepaard gaan met dan wel een hoger nominaal looninkomen, dan wel een hoger nominaal winstinkomen. En die lonen stijgen niet zo snel… 

Terzijde: gezien het artikel van Eijffinger en Mujagic lijken ze meer waarde te hechten aan titels dan aan argumenten. Mensen die het niet met hun eens zijn schijnen “vaak niet (afgestudeerde) macro-economen” te zijn. For the record: mijn promotie ging over het opstellen en analyseren van historische sectorbalansen voor de landbouw, inclusief prijs- en volume-indices van de productie. En wat je mijn ‘Habilitation’ kunt noemen ging over de Friese landbouw 1505-1830, inclusief het opstellen van prijs- en productiviteitsreeksen. Ik weet meer dan de gemiddelde afgestudeerde macro-econoom over de techniek van het samenstellen en de analyse van dit soort reeksen. Zo lijkt er momenteel inderdaad een eind gekomen te zijn aan ongeveer 130 jaar structurele daling van de relatieve landbouwprijzen… Dat is een weerspiegeling van schaarste en daarmee geen monetair geïnduceerde inflatie. Maar wel degelijk een zeer groot mondiaal probleem – waar het ECB beleid echter geen enkele invloed op heeft. Dat soort prijsontwikkelingen, daar moeten we ons wel druk om maken.

Wat elke afgestudeerde en niet afgestudeerde monetaire econoom moet weten over de geldgroeistatistiek (grafiek)

Volgens Paul Krugman is economische statistiek “a particular boring kind of science fiction”. Na deze blogpost zal zelfs de grootste Krugman-hater het voor één keer met hem eens zijn. Het gaat over de geldstatistiek. Nou ja, ik ben het dan weer niet met hem eens – uiteindelijk zijn de geldgroei statistieken gebaseerd op balansgegevens over kredieten die letterlijk terug te trekken zijn naar individuele leningen en leners: de werkelijke ‘micro-gefundeerd’ economie. En heel wat anders dan wat er in de moderne modellen gebeurd, die min of meer zoals Diederik Stapel dat ook deed maar wat aannemen (‘kallibreren’, noemen economen dat, en nee, omdat ze het eerlijk opbiechten is het geen fraude)! Dat is de echte science fiction. Ter zake:

1. De ECB meet de maandelijkse groei van de geldhoeveelheid vooral door veranderingen in de kredietverlening in de gaten te houden’. De bank gaat uit van het ‘loan create deposits’ principe. Een deel van onze banken heeft niet enkel het recht geld te scheppen – ‘Mickey Mouse dollars ‘Kuifje Euro’s’ scheppen, dat kan iedereen. Maar ze hebben ook het recht om echte euro’s te scheppen, niet op onderpand van ‘thin air’, zoals de Amerikanen dat noemen, maar op onderpand van uw leengedrag. U leent, de bank creëert geld. Waarmee, zoals ik het zie, overigens vooral de lener de actieve partij is in de hele geldscheppingsbusiness. Maar dat terzijde.
2. De verandering in de kredietverlening wordt echter niet in de gaten gehouden door naar de balansen van huishoudens en bedrijven te kijken – maar, indirect dus, door naar de maandelijkse balansen van de banken te kijken: met hoeveel is de totale kredietverlening volgens deze balansen toegenomen. Dit is een netto bedrag: nieuwe leningen minus terugbetalingen.
3. Probleempje: banken hebben de laatste jaren veel van hun leningen verkocht aan ‘special purpose vehicles’ oftewel een soort niet-geldscheppende banken die goedkoop geld lenen (oeps, leenden) op de kapitaalmarkt en daarmee bijvoorbeeld hypotheekpakketjes opkopen van de banken. Die verdwijnen dus van de balans.
4. Dit zijn geen triviale bedragen, zie grafiek (bron: DNB), de vraag is of dit meegenomen wordt in de statistieken. Dat zou tot een onderschatting van de krediet- en geldgroei leiden.
5. Zoals ik het lees (zie het science fiction citaat onder de grafiek) gebeurt dit pas systematisch sinds 2010.
6. Als dat zo is betekent het dat de op de MFI-balansen gebaseerde geldgroeigrafieken voor Nederland de situatie sterk kunnen hebben vertekend, het is veel beter op de sectorale schuldgegevens (huishoudens, niet financiële bedrijven) in bijvoorbeeld de nationale rekeningen af te gaan, hoewel je dan natuurlijk niet weet in hoeverre dit alles door geldscheppende banken is verstrekt (en niet door bijvoorbeeld kredietunie’s).

Dan nu het ‘wetenschappelijk toekomstverhaal':  wat zegt de ECB hiervan (hier de koppeling, zie pp. 128-129):

In addition to the adjustment of financial transactions, the outstanding amounts of loans to other euro area residents were also adjusted for the stock of securitised (and derecognised) loans, whenever this information was reported. Growth rates adjusted for securitisation and loan sales were then derived on the basis of the index series in formula [4.3.1], computed using adjusted outstanding amounts and transactions. Under Article 5 of Regulation ECB/2008/32, the collection of loan securitisation data has been fully harmonised. The data are complemented by FVC balance sheet statistics collected from euro area FVCs under Regulation ECB/2008/30. Accordingly, MFIs report the monthly net flow of loan securitisations and other loan transfers, broken down by sector of borrower, distinguishing between securitised loans that are derecognised from the balance sheet of the originating MFI and non-derecognised securitised loans. Section 2.3 explains the reporting framework in detail. In line with the new data requirements, the ECB derives a flow adjustment for euro area MFI loans to other euro area residents, non-financial corporations and households using the newly available figures from June 2010.21 However, it is not possible to perform an analogous adjustment of the outstanding amounts, since no data on outstanding amounts of derecognised (securitised) loans are collected under Regulations ECB/2008/32 or ECB/2008/30.22 Similarly, no data on repayments of securitised loans that are derecognised are collected under Regulation ECB/2008/32. As a consequence, growth rates are derived for reference periods from June 2010 onwards on the basis of the index series in formula [4.3.1], using transactions data adjusted for disposals and acquisitions of loans, but not adjusted for repayments and outstanding amounts of securitised and derecognised loans.

Bent u er nog?

Page 30 of 106« First...1020...2829303132...405060...Last »
top