search
top

Piketty: het hoogtepunt voorbij?

Is de waarde van onze kapitaalgoederenvoorraad aan het dalen? En wordt de waarde van ons totale vermogen steeds meer ‘gefinancialiseerd’? Piketty stelt, in zijn bekende boek, dat de waarde van ons aller kapitaal, afgemeten aan ons inkomen, in de negentiende eeuw hoog was, vervolgens daalde tot een laag niveau in (ruwweg) de 1925-1985 periode en daarna tot 2010 weer begon te stijgen. Wat, omdat het eigendom van kapitaal altijd tamelijk ongelijk verdeeld is, de ongelijkheid doet toenemen. Het is echter niet onmogelijk dat de waarde van het ‘vaste’ kapitaal, inclusief de netto waarde van ons financiële kapitaal, weer aan het dalen is (zie grafiek).

2013

Voor een artikel heb ik de schattingen van de kapitaalgoederenvoorraad van het CBS conform de methode van Piketty teruggetrokken, daarbij voor zover mogelijk gebruik makend van de CBS methodologie zoals die blijkt uit allemaal CBS documenten op het internet (zie het komende artikel). Gelukkig was de deadline 10 september, zodat ik de revisie van de nationale rekeningen (die op 12 september werden gepubliceerd) niet kon meenemen… De gereviseerde nationale rekeningen bevatten herschattingen van de kapitaalgoederenvoorraad met als belangrijkste verandering dat Onderzoek en Ontwikkeling van onder andere bedrijven gezien wordt als investering die tot kapitaal leidt. Deze gegevens zijn buiten de grafiek gehouden, enkele andere reeksen laten nieuwe, hogere niveaus zien (software!), deze zijn voorlopig gewoon aan de oude reeksen geplakt. De reeks van het netto financiële vermogen is voorlopig even ongewijzigd gelaten (zie beneden).

Enkele opmerkingen:

* Hoe je de gegevens ook went of keert – de daling van de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad (te onderscheiden van financieel kapitaal!) zet zich door. Mijn idee is dat dit structureel is. De daling is vooral geconcentreerd in de waarde van grond onder woningen en bedrijfsgebouwen (door het CBS min of meer berekend als: totale woningwaarde minus bouwkosten van de opstallen in lopende prijzen). De bekende zeepbel, die leegloopt (maar die dus nog niet zo laag is al na 1980!).

* Niet onbelangrijk is dat de standaard groeitheorie (auteurs zoals Harrod, Domar, Solow) zich vooral baseert op ‘afschrijfbaar’ (‘depreciable’) kapitaal en niet op niet-geproduceerde inputs zoals land, voorraden aardgas of patentrechten. Wel wordt hier vaak ‘human capital’ aan toegevoegd (‘menselijk kapitaal’ is een te vage vertaling omdat dat ook ‘humane capital’ omvat, ‘kennis, scholing en ervaring’ is beter). Dit valt echter weer buiten het kapitaal begrip van de nationale rekeningen, omdat het niet verkoopbaar aan anderen (vliegtuigen, woningen, …) dan wel overdraagbaar aan nieuwe generaties (gasvoorraden, dijken) is. De voorraad afschrijfbaar kapitaal vertoont geen structurele stijging na 1985 (gemeten als percentage van de productie). Integendeel. Overigens is het bredere, klassieke kapitaalbegrip vooral van belang voor de verdeling zowel als voor de analyse van de productie, terwijl ‘afschrijfbaar’ kapitaal vooral interessant is vanuit het oogpunt van een analyse van de productiviteitsstijging.

* Probleem: de schatting van het netto financiële kapitaal (financiële waarden minus schulden) is dramatisch bijgesteld. De trend is niet veranderd (met dank aan de lage rente…), het niveau is echter met 50 tot 70% van het BBP bijgesteld. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn. Zo maakt het groot verschil of ons buitenlandse financiële bezit tegen boekwaarde of tegen marktwaarde wordt gewaardeerd. En andersom. Maar het is me momenteel niet duidelijk waar dit ontzagwekkende verschil vandaan komt. Voorlopig heb ik de oude reeks aangehouden.

Vermogen

De nieuwbouw moet snel weer omhoog (en nee, niet in Slochteren)

In de Volkskrant stelt Yvonne Hofs vandaag: “Rond 2030 komen er jaar lijks circa 53.000 woningen vrij. Dat is ongeveer evenveel als de nieuwbouwproductie van vóór de kredietcrisis’.

Zucht.

Dat is beduidend minder dan de niewbouwproductie van vóór de kredietcrisis. Maar veel meer dan er nu gebouwd wordt.

De site van het CBS leert ons, in luttele minuten, dat de laatste keer dat er, vóór de crisis, minder dan 53.000 woningen werden gebouwd het jaar 1950 was. Daarna heeft de productie tot en met 2011 (zeer) ruim boven die 53.000 gelegen, zeker vóór 2008. Het meest recente dieptepunt in die periode was 59.000, in 2003. In de andere jaren in de 2000-2008 periode lag de woningbouw tussen de 65.000 en de 83.000 woningen. Desondanks is er nu natuurljk wel sprake van een lager nieuwbouwvolume. Desastreus veel lager zelfs (grafiek 1). Hé, Yvonne, we hebben, nog steeds, een kredietcrisis!

1woning

Dit maakt duidelijk dat de kop boven het artikel, Gemeente, ga nu niet bouwen, een woningtekort is tijdelijk, niet enkel tendentieus maar zelfs gevaarlijk. Het dekt sowieso de lading van het artikel niet – het artikel stelt dat gemeentes als Slochteren niet te veel moeten bouwen. Maar zelfs dan gaat het artikel er impliciet vanuit dat de woningbouw zich nu, net als enkele jaren geleden, nog steeds op een enigermate redelijk peil bevindt. Quod non.

HET AANTAL AFGEGEVEN BOUWVERGUNNINGEN IS TERUGGELOPEN TOT ONGEVEER HET NIVEAU VAN HET AANTAL JAARLIJKS GESLOOPTE ‘WONINGEN EN NIET WONINGEN’.

2woning

De bouw bevindt zich op een historisch dieptepunt (denk: pre eerste wereldoorlog). Terwijl we nu met ruim drie keer zoveel mensen zijn en de bevolking nog steeds groeit. Toegegeven en daar ben ik helemaal voor, op actieve wijze zelfs, er moet meer worden herbestemd . Maar dat gebeurt al, in toenemende mate. Zie de tweede grafiek. Desondanks zal meer nieuwbouw dan nu noodzakelijk zijn, zeker als de participatiesamenleving meer dan enkel een bezuinigingsmaatregel moet worden (wat natuurlijk niet zal gaan gebeuren, maar dat is een andere discussie). Want dan zullen er heel veel ouderen vlak in de buurt van hun kinderen moeten (kunnen) gaan wonen, waar nogal wat sloop, herbouw en nieuwbouw voor nodig zal zijn.

Beste Yvonne, richt je blik op de toekomst! En vraag jezelf af: moeten we, ten kosten van de jongere generatie, het aanbod van woningen beperken en daarmee de prijs van woningen van ouderen, zoals jij (ja, ook jij, bekijk het eens door de ogen van die jongeren…) op drijven. Terzijde – Leeuwarden sluit goede, goedkope studentenhuisvesting en bouwt peperdure nieuwe huisvesting… je kunt op dit gebied niet cynisch genoeg zijn. En maak je er niet druk over of jouw huis tegen de tijd dat iedereen gaat sterven nog veel waard is. Natuurlijk niet. Maar we kunnen er nog wel in wonen. Hoe we dat gaan doen, dat is de vraag.

Recensie Happiness quantified

Happiness quantified is een onthutsend boek. Om die bewering te onderbouwen is eerst een kleine achtergronds schets nodig. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de marginalistische theorie razend snel populair in economische kringen. Zij verklaart het economische handelen uit de persoonlijke voorkeuren, en wordt om deze eigenschap ook wel de subjectieve theorie genoemd. Mensen proberen zoveel mogelijk eigen nut of lust te realiseren met hun handelen. Ze knorren aan de volle bak. Aldus wordt niet enkel verklaard hoe de mensen onderling hun eigendommen ruilen, maar ook kan daaruit een systeem van product prijzen worden afgeleid1.

Afbeelding Happiness quantifief

De marginalistische leer, die tegenwoordig enigszins verwarrend ook wordt aangeduid als neoklassiek, heeft enkele ingrijpende consequenties. Met name suggereert de vondst van de nuts afweging, dat je de totale hoeveelheid nut bij een individu kunt meten. Of, om nog eens een andere term te gebruiken, er bestaat een maat voor de persoonlijke tevredenheid. Er is geen hartje zonder smartje. Vervolgens is het een kleine stap om te veronderstellen, dat ook de inter-persoonlijke verschillen in tevredenheid kunnen worden bepaald. En daaruit kan met een beroep op de gerechtigheid de noodzaak van herverdelingen worden aangetoond. Dat zet de eigendoms verhoudingen onder druk, en dus de hele maatschappelijke structuur. In laatste instantie komt een maatschappelijke welvaarts functie binnen handbereik.

Bovendien betekent het subjectieve karakter, dat de psychologie haar intrede doet. Dat vakgebied is in hoge mate speculatief. Het botst met het streven van de economen om onveranderlijke principes te vinden, waarmee de bestaande orde kan worden gerechtvaardigd. In Happiness quantified beschrijven Bernard van Praag en Ada Ferrer-i-Carbonell, hoe de marginalistische economen bakzeil haalden en begonnen aan een terugtrekkende beweging. Ziet gij een vos omtrent uw slot, sluit dan vrij uw hoenderkot. Aller eerst betoogde de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto, dat voor een helder inzicht het nut en de tevredenheid niet direct hoeven te worden gemeten. Het volstaat om de individuele behoeften te ordenen naar hun prioriteit. Zo een meetschaal noemt men ordinaal.

Na Pareto gingen andere marginalisten de nuts metingen nog meer beperken. Vooral de econoom Lionel C. Robbins heeft de kwantitatieve meetbaarheid (aangeduid als cardinaliteit) met kracht bestreden. Zijn aanval is in vruchtbare aarde gevallen, omdat hij de economie weer objectief maakt. Men weet waar men zijn kaarsje moet laten branden. De bewering van Robbins en zijn navolgers is min of meer een dogma geworden, en de cardinaliteit kreeg geen slag meer aan de bak2. Toch is de overwinning niet definitief. Het probleem is namelijk, dat sommige takken van de economische wetenschap enkel kunnen ontwikkelen, wanneer er een cardinaal nut wordt verondersteld. De beperkingen door Robbins maken dat onderzoek onmogelijk.

Bernard van Praag, die de drijvende kracht is achter Happiness quantified, deed al in 1968 het voorstel om tevredenheid te meten simpelweg door de individuen er naar te vragen. Deze meet methode is algemeen gebruikelijk in de sociologie en in de psychologie, en koppelt (des gewenst kwantitatieve) waarden aan de emoties van de subjecten. Van Praag heeft een levens project gemaakt van deze onderzoeks methodiek, dat is door gegaan zelfs na zijn pensionering in 2004. Zo lopen de gootjes als het regent. Zijn werk is dermate veelzijdig, dat de publicaties zijn verspreid over allerlei vakgebieden. Belangstellenden mogen zich gelukkig prijzen, dat hij de moeite heeft genomen om zijn erfenis te bundelen en toegankelijk te maken in het boek.

Zó groot zijn de consequenties van zijn werk, dat de Nobel prijs binnen handbereik ligt. Des ondanks staat Happiness quantified nog niet in de top tien van wetenschappelijke boeken-lijsten. Hoe komt dat? Als even wordt afgezien van de persoonlijkheids structuur van Van Praag (die uw recensent niet kent), dan vormt in ieder geval het technische karakter van de materie een blokkade. Het werk maakt intensief gebruik van geavanceerde statistische methoden, en dat schrikt leken af. Omgekeerd zullen technische specialisten worden afgeschrikt door de vele toepassingen. Van Praag staat met één been in de practijk, en is een drijvende kracht achter onder andere de kranten enquêtes van de GPD en het geluids onderzoek rond Schiphol. En tenslotte is het werk inter-disciplinair, balancerend tussen de economie en de sociologie. Het is noch mossel noch vis. Helaas helpt zo een positie ook niet. Ieder zijn vak, zei de metselaar, en hij viel in de kalkbak.

Niet alleen meet de methodiek subjectieve behoeften, maar bovendien moet de onderzoeker zèlf een persoonlijke inbreng leveren. Immers er moeten vragen lijsten worden geformuleerd, die precies de cruciale gegevens verzamelen. Het volstaat niet om naar de tevredenheid te vragen, want de oorzaken achter de lust en onlust moeten worden bloot gelegd. De geluks economie wil causale verbanden aantonen, want dat is haar bestaans grond. De situatie van het subject moet in zo weinig mogelijk kengetallen worden vastgelegd. Bouw geen molen om een bak zaad te krijgen. Afhankelijk van het tevredenheids thema zal dat beter of slechter lukken. De onderzoeker is als een kat in het kegelspel.

Daarbij draagt de onderzoeker een grote verantwoordelijkheid, want een verkeerde keuze van de situationele kengetallen zou de echte oorzaken verhullen. Dat heeft grote gevolgen. Immers de geluks economie heeft de ambitie om richting gevend te zijn bij de beleids bepaling van de politiek. Men kan zich de nachtmerrie voorstellen wanneer allerlei lobbyisten en belangen groeperingen komen met zelf bedachte vragen lijsten om hun eigen gelijk te bewijzen. Dan is de kat in de gordijnen. De methodiek heeft enkel zin, wanneer het lukt om een brede consensus en dus een standaardisering te bereiken met betrekking tot de vragen lijsten. Deze stap wordt karig behandeld in het boek. Het wil vooral baan brekend zijn. Misschien is dit iets voor een volgend boek?

Welke beleids domeinen komen ter sprake in Happiness quantified? Van Praag begon zijn werk ooit met het bestuderen van inkomens verdelingen, en dat zal althans de econoom zeer aanspreken. In hoofdstuk 2 introduceert Van Praag de statistische probit methode, toegepast op de inkomens tevredenheid. Ook beschrijft hij hier aanvullende methoden, zoals de inkomens evaluatie vraag van de Leidse School. Hun toepassing op reeds bestaande gegevens levert inderdaad verrassende inzichten op. Hoewel de tevredenheid daadwerkelijk stijgt met de hoogte van het inkomen, is de samenhang zwak. De persoonlijke houding jegens de eigen situatie is doorslag gevend. Die de pan bij de steel heeft, keert ze zo hij wil3. Dat verklaart natuurlijk waarom de linkse politiek van herverdeling zo vaak het onderspit delft.

Van Praag en Ferrer-i-Carbonell onderzoeken ook andere domeinen van tevredenheid, met name betreffende de gezondheid, de baan, de eigen welstand, de woning, recreatie, het milieu (onder andere geluids hinder), de maatschappij, het huwelijk, de politiek, het klimaat, en de belastingen. Met welke saus wil je het liefst gebraden worden, vroeg de kok de haas. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de resultaten. Inderdaad is de methodiek toepasbaar op elk willekeurig levens domein4. Bovendien laat het hoofdstuk 4 zien hoe de relatieve invloed van een bepaald domein op de algemene tevredenheid met het leven kan worden gemeten. Omgekeerd kan de methodiek worden gebruikt om een bepaalde domein tevredenheid verder op te splitsen. Bijvoorbeeld ontleden de auteurs aldus de baan tevredenheid.

Met tijd en vlijt geraakt men wijd. De volgende hoofdstukken onderzoeken de politieke tevredenheid, de verschillen tussen de seksen, de invloed van het verleden en de toekomst op de behoeften, de invloed van referentie groepen, en de gezondheids tevredenheid. Hoofdstuk 10 onderzoekt de invloed van het klimaat op het persoonlijke welbevinden. In hoofdstuk 11 komt de geluids hinder voor de gemeenten rondom Schiphol aan de orde. Hier openbaren zich enkele practische nadelen van de methodiek. Namelijk Van Praag probeert er te berekenen hoe de omwonenden financieel kunnen worden gecompenseerd. Aldus staan enorme financiële belangen op het spel.

Nu blijkt in het hoofdstuk dat de algemene tevredenheid van de omwonenden niet statistisch significant samen hangt met het locale geluids niveau! Dit resultaat zal de onderzoeker niet populair maken bij de omwonenden. Vervolgens onderzoekt Van Praag de samenhang tussen de ervaren geluids hinder en het geluids niveau, en die is wèl significant. En tenslotte wordt via de tussenstap van die ervaren geluids hinder er toch alsnog een significante samenhang met de algemene tevredenheid geconstrueerd! Dit bevreemdt uw recensent, die deze statistische omweg niet kan verklaren, zonder het direct te willen verwerpen. In ieder geval dreigt het debat over geluids hinder te verzanden in een debat over de deugdelijkheid van statistische methoden. Een stamelaar wil altijd spreken, al is het zelfs van zijn gebreken.

Hoofdstuk 11 is een abstracte discussie over het belasting systeem, waarin wordt voorgesteld om de burgers financieel te belasten volgens hun intelligentie en leer vermogen. De hoofdstukken 13 tot en met 16 zijn weer theoretisch spectaculair, omdat de methodiek daar leidt tot de constructie van een meetschaal voor inkomens ongelijkheid en armoede. De momenteel beschikbare maatstaven zijn primitief (zie onder andere het werk van Jacob van der Wijk), en daarom is de aanpak met behulp van het subjectieve nut (hoewel dus klaarblijkelijk enigszins controversieel) beslist een verbetering. Men moet straten uit stegen kennen.

Intussen is het ongetwijfeld duidelijk aan de lezer, dat uw recensent Happiness quantified warm aanbeveelt. Toegegeven, het boek schotelt veel lastige en geavanceerde statistische technieken voor. Slechts wie hiermee zelf aan de bak wil, zal hieraan plezier beleven. Maar dit wordt goed gemaakt door de vele toepassingen, waarbij allerlei verrassende causale oorzaken van onvrede en onlust worden ontdekt. Zeker, veel van de resultaten zijn inderdaad controversieel. Des al niet te min zijn zij waardevol, omdat zij de potentie van de methodiek aantonen, tenminste zolang zij zéér terug houdend wordt toegepast. Wie leverworst eet en een weduwvrouw trouwt, weet niet wat er is ingedouwd.

Misschien nog wel de belangrijkste boodschap van Happiness quantified is, dat de economische wetenschap jarenlang is opgehouden door het dogma van Robbins en zijn navolgers. De cardinale nuts meting is wel degelijk mogelijk, en zij levert een bruikbare bijdrage aan de vergroting van onze kennis horizon. Dogmatiek is gewoonlijk bedoeld om bepaalde materiële belangen te beschermen, en dat staat haaks op de taak van de wetenschap om de maatschappij rationeel in te richten. Het getij gaat zijn gekeer, het ziet naar prins noch heer. Overigens is cardinale nuts meting geen verplichting. Veel toepassingen in Happiness quantified hebben voldoende aan de meer beperkte ordinale schaling.

  1. Handel is een bron van vermaak. “Goedemiddag, slotenmaker. Repareert u ook vijvers?” Andere bak: een man bestelt 99 broodjes. De bakker stelt voor: “Neem er toch 100!” De man antwoordt: “En wie moet die dan allemaal opeten?” En dan zijn er de product specificaties: “Ik wil een rolstoel van antiloop leer”. Of: Een man in de winkel vraagt naar kleurloze schoen-smeer. Vraagt de verkoper: “Voor bruine of zwarte schoenen?” Of: “Sterkte”, zegt de opticien.
  2. Het dogmatische karakter wordt duidelijk wanneer men enkele leerboeken naslaat. Bijvoorbeeld Micro-economie van F.J. Dietz, W.J.M. Heijman, en E.P. Kroese (p.136): “Een probleem is dat nut volgens de meeste economen niet kardinaal meetbaar is. Door het werk van ondere anderen Van Praag is de invloed van de kardinale opvatting van nut weer toegenomen. Beslissingen over bijvoorbeeld de uitbreiding van Schiphol zouden snel kunnen worden genomen als nut kardinaal meetbaar zou zijn. Dat is echter niet het geval”. Of Inleiding tot de economische wetenschap van G.Th.J. Delfgaauw (p.156): “Herhaald zij, dat het nut geheel afhangt van de waarderende persoon. Wij kunnen ook in het geheel niet vaststellen of A van een bepaald goed meer geniet dan B. Inter-persoonlijke nuts vergelijkingen zijn onmogelijk”. Of Mikroökonomische Theorie van W. Hoyer en W. Eibner (p.45): “Helaas beschikken huishoudens noch over een maat-eenheid, waarin het nut correct kan worden weergegeven, noch over de mogelijkheid om nuts ervaringen betrouwbaar uit te drukken in reële getallen”. En zelfs het toch vaak innovatieve boek Volkswirtschaftslehre van M. Heine en H. Herr (p.33): “Het moderne concept van de nuts maximalisatie heeft voldoende aan de ordening van voorkeuren. De vaders van de neoklassieke modellen waren er nog van overtuigd, dat men het nut kwantitatief kan meten. Het bleek echter – weinig verrassend – dat zulke berekeningen stoten op onoplosbare problemen – niet in de laatste plaats, omdat de omvang van een nuts toename enkel individueel wordt gewaardeerd en inter-subjectief niet kan worden vergeleken”. Uiteraard kan dit niet overtuigen. Immers je kunt individuen vragen om hun nut kwantitatief te wegen. In de sociologie en de psychologie is deze wijze van cardinaal meten algemeen geaccepteerd. Vervolgens zijn deze subjectieve schalen zelfs bruikbaar voor een inter-persoonlijke vergelijking. En tenslotte kan uit dit alles tezamen een maatschappelijke welvaarts functie worden geconstrueerd. Het is onverstandig om dogmatisch deze zo essentiële onderzoeks terreinen te blokkeren.
  3. Henriëtte Roland Holst – van der Schalk formuleert het mooi in het gedicht Over de vreugde van het goede handelen uit de bundel Sonnetten en verzen (p.57): Laten wij dan van deze [het verleden] ons afwenden / en aan ‘t heden al onze kracht spendeeren, / om iedre dag door zorgzaamheid zóó te eeren / dat hij één licht wordt met die hem belenden / opdat de moeilijkheden en de ellenden / bij ‘t verder gaan in geneugten verkeeren / en de riemen die wij met kracht hanteeren / onze boot door rustige wat’ren zenden.
  4. En hier kan het gedicht Wij zoeken ‘t ver uit de bundel Uit stilte en strijd van C.S. Adama van Scheltema worden geciteerd: Wij zoeken ‘t ver: – / Ik zoek de zegenrijke vrucht / Van wijsheid en volkomen weten, / Ik zoek de sterren aan de lucht / En alle hemelen te meten – / Maar ach, hoe hooger of ik stijg, / Hoe meer of ik naar adem hijg! / Gij zoekt te zien wat niemand kent, / Wilt gij nog meer zien dan uw oogen, / Zoo streeft gij uit uw element / En zwijmt gij als een visch op ‘t droge: / Slechts die zich uit zichzelven wenscht / Voelt zich en zijne ziel begrensd! / Gij zoekt – en elk gevonden hart / Verliest gij reeds bij het ontvangen, / Omdat ge, in eigenmin verward, / Slechts liefde voelt voor uw verlangen: / De liefde, die gij ‘t leven vraagt, / Bloeit in het hart dat ge in u draagt!

Herstel op de woningmarkt (met nieuwe CBS data over te koop staande woningen en vraagprijzen)?

Is er sprake van ‘herstel’ op de woningmarkt? Volgens het CBS (nieuwe data) is het aantal te koop staande woningen met 8% gedaald vergeleken met vorig jaar – dat is aanzienlijk. En de vraagprijs van met name eensgezinswoningen stijgt weer en bedroeg in juli het ondanks voorgaande dalingen nog altijd astronomische bedrag van, gemiddeld, 328.000,–. Tegelijkertijd is er sprake van een stijgende omzet op de woningmarkt (grafiek 1).

woningverkopen1

Er lijkt in ieder geval een bodem te zijn bereikt. Echter… de huidige crisis is minder dan bij de vorige woningmarktcrisis van rond 1980 een inkomenscrisis maar een liquiditeitscrisis. Rond 1980 steeg de werkloosheid zowel als de rente sterk en woningen werden simpelweg onbetaalbaar, ook voor bewoners die wilden verkopen. Men moest wel omlaag in prijs. Op dit moment is de rente (iets) lager en is de werkloosheid, hoewel fors hoger, toch niet zo sterk gestegen als rond 1980. Tegelijkertijd is de bevolking vergrijsd, wat betekent dat een fors deel van de te koop staande woningen dan wel te koop is gezet door gepensioneerden (die vaak minder haast hebben) dan wel door erfgenamen (die denken door te wachten alsnog de hoofdprijs te kunnen krijgen). Dat betekent dat tijdens de huidige crisis vooral de verkopen snel en zelfs pijlsnel zijn gedaald. Betekent dit ook dat het herstel zich eerst ook vooral in de hoeveelheden verkochte woningen zal aftekenen en minder in de prijs? Wellicht. In ieder geval zijn de verkopen ten opzichte van vorig jaar sterk toegenomen. Maar ten opzichte van een aantal jaren terug zijn ze nog steeds erg laag (grafiek 2). Wat mij betreft nog steeds te laag om van werkelijk herstel te kunnen spreken, i.e. van een situatie waarin het hebben van een koopwoning mensen die een elders een nieuwe baan willen of gepensioneerden die kleiner willen wonen niet meer worden tegengehouden doordat ze hun woning niet binnen een redelijke termijn kunnen verkopen, stomweg omdat het aanbod nog steeds zo groot is. Zie ook deze gegevens op de huizenmarkt-zeepbel site. Hoewel de door het CBS gemeten daling van het aanbod wat dat betreft een goed teken is.

woningverkopen

Cardinaal nut bestaat wèl!

De bekende econoom Vilfredo Pareto, de opvolger van Walras, heeft aangetoond dat in het algehele evenwicht van Walras de beschikbare middelen optimaal worden benut. Binnen de heersende eigendoms verhoudingen worden alle hulpbronnen kundig toegewezen. De consumenten optimaliseren hun nut, en de producenten hun winst. De resulterende toestand wordt Pareto-optimaal of Pareto-efficiënt genoemd. Kort samenvattend, als een geheugen opfrisser voor de ingewijde lezer: het algemene markt-evenwicht van Walras met Pareto-efficiëntie baseert op drie peilers:

  • De eind-producten worden zodanig geconsumeerd, dat bij alle huishoudens de marginale ruilvoet (substitutie) van producten gelijk is en overeen komt met de omgekeerde prijs-verhouding. Hij is paars gewijze gelijk aan de omgekeerde verhouding van de grensnutten van de producten.
  • De productie-factoren worden zodanig ingehuurd, dat in alle bedrijfs-takken de marginale ruilvoet (technische substitutie) van productie-factoren gelijk is en overeen komt met de omgekeerde prijs-verhouding. Hij is paars gewijze gelijk aan de omgekeerde verhouding van de grensproducten van de factoren.
  • Bij elke verzameling eind-producten is de zogenaamde marginale ruilvoet van de transformatie gelijk aan de marginale ruilvoet van producten bij de consumenten.

Vaak wordt overzien, dat in de context van het neoklassieke paradigma het begrip optimaal enkel slaat op de volledige benutting van alle mogelijkheden binnen de heersende orde. Het uitgangs-punt van het evenwichts-model is een al bestaande verdeling van rijkdom, en die kan zeer onrechtvaardig zijn. Zelfs indien zeer scheve eigendoms-verhoudingen dwingend de sociale revolutie zouden oproepen, dan nog zou het ancien régime Pareto efficiënt kunnen zijn. Omgekeerd kan de staat rustig (bijvoorbeeld langs democratische weg) de eigendoms verhoudingen veranderen, en vervolgens de Pareto optimale toestand realiseren.

Het neoklassieke paradigma kan dus niet aangeven, wanneer het optimum van de maatschappelijke welvaart is bereikt. De reden van deze tekort koming is, dat het paradigma enkel de nuts-beleving van een individu beschouwt. Het is onmogelijk (en deze opvatting is voor het eerst verkondigd door Pareto) om een getal te koppelen aan het nut (cardinale meting). Men kan enkel een rang-orde aangeven (ordinale meting). Sterker nog, de nuts-belevingen van twee individuen onderling kan niet worden vergeleken. Een broodje bij een copieus diner kan evenveel (of meer) nut hebben als een broodje voor een hongerige dakloze. Een gevolg van Pareto’s bewering is, dat er geen maatschappelijke “cardinale” nuts-functie zou bestaan. De opvatting van Pareto is omarmd door de economische wetenschap. En toch is dat allerminst vanzelfsprekend.

De mens-wetenschappen verschillen van de natuur-wetenschappen door de aard van het object, dat moet worden onderzocht. Bijvoorbeeld doorvorst de sociologie de menselijke houding, dat wil zeggen allerlei gedragingen en meningen, in een maatschappelijke context. De kennis over dit thema is eveneens vereist in de economische wetenschap, voor zover die terug grijpt op subjectieve keuzen, zoals bij menselijke voorkeuren. Een onderzoeker zal een bepaald aspect van de menselijke houding onder de loep nemen, en een poging doen om de empirische en theoretische kennis daarover te vergroten. Gewoonlijk worden de empirisch verzamelde gegevens zodanig omgewerkt, dat zij kunnen worden gerepresenteerd door één of meer indicator(en). Aldus kan de in de gegevens opgeslagen informatie kern-achtig worden weergegeven. Er wordt vooral gezocht naar causale verbanden.

Een indicator is objectief, wanneer hij is opgebouwd uit feitelijke gegevens (aantallen, hoeveelheden, formele typeringen, materiële observaties en waarnemingen, enzovoort). Een indicator is subjectief, wanneer hij is samengesteld uit persoonlijke meningen. Er zijn geen andere grenzen gesteld aan de gedaante van een indicator, dan dat hij informatie verstrekt over het bestudeerde aspect van de menselijke houding. Een veel voorkomend voorbeeld van de indicator is de index (zelf eventueel samengesteld uit diverse indices, zoals bij de human development index).

De numerieke waarde van de indicator wordt gevonden door allerlei metingen uit te voeren binnen de doelgroep van het onderzoek. Het toekennen van een waarde aan de indicator vereist, dat er een meet-schaal beschikbaar is. In de sociologie wil men vaak ontdekken, welk bewustzijn binnen de groep heerst ten opzicht van een aspect of thema. Een veel voorkomende waarde-meting van een indicator is de vragen-lijst, waarbij elke vraag betrekking heeft op een bepaald item. Elk item heeft zijn eigen schaling. Een voorbeeld is de inkomens-tevredenheid, die kan worden vast gesteld in slechts één vraag (item). Pareto en vooral zijn navolgers beweerden dat nut niet waarneembaar is, maar zij hebben de mogelijkheid van de ondervraging overzien.

Metingen moeten objectief zijn, dat wil zeggen, bij alle onderzoekers een zelfde resultaat opleveren. Voorts moeten ze betrouwbaar zijn, en dus reproduceerbaar in een herhaling. En tenslotte moet de meet-methode geldig zijn, dat wil zeggen, een zinvol resultaat opleveren. Dit laatste kan bijvoorbeeld worden getoetst aan de hand van een theoretisch model (constructie). Stel dat het theoretische model de waarde X oplevert, dan is de meet-waarde Y = X + ε, waarin ε de afwijking weergeeft. De afwijking mag geen systematisch karakter hebben, want dan deugt de meet-methode niet (of het model). Daarom moet de verwachtings-waarde E[ε] van ε over een groot aantal metingen gelijk zijn aan nul.

De theoretische constructie wordt ook wel de latente dimensie genoemd, omdat zij niet direct waarneembaar is. Soms is het model meer-dimensionaal, en maakt gebruik van bijvoorbeeld n grootheden Xj (j=1, …, n). In zo een factor-analytisch model voldoet de meet-waarde aan Y = (α·X) + ε. Hierin is X de vector-notatie van Xj en α is een vector van constanten, waarvan de waarden zodanig worden aangepast, dat de identiteit met Y zo goed mogelijk geldig is. Dit aanpassings-proces heet in het Engels een fit. De term tussen haken stelt het algebraïsch inproduct voor.

Keren wij terug naar het onderscheid dat wordt gemaakt tussen een ordinale schaling en een cardinale schaling van het economische nut. De cardinale schaling is inderdaad van een hoger niveau dan de ordinale, en dus wat ingewikkelder. Maar dit betekent tevens, dat zij meer informatie oplevert. Niet zelden is die extra informatie van vitaal belang, zodat toch de cardinale benadering de voorkeur heeft. Ook in de economie groeit de aanhang voor deze benadering met de opkomst van de inter-disciplinaire wetenschap.

Overigens valt op dat in de economische practijk het gebruik van het cardinale nut impliciet wèl gangbaar is. In bijna elk inleidend leerboek over micro-economie vindt men afbeeldingen van de nutsfunctie. Voorts is cardinaal nut onmisbaar voor theorieën over het gedrag bij risico, waarin gebruik wordt gemaakt van de expected utility. Nog een intrigerende toepassing van het cardinale nut is de schaling van het geldnut bij inkomens. Kortom, het wetenschappelijke inzicht zou er ernstig onder lijden, wanneer zou worden vastgehouden aan het dogma van het ordinale nut. Effectief zou een veld van onderzoek worden geblokkeerd. Cardinaal nut bestaat wèl!

Page 1 of 10512345...102030...Last »
top