search
top

Waarom zou arbeid goedkoper moeten?

Sinds enkele jaren hoor je van links tot rechts, van werkgevers tot vakbonden, dat de arbeid goedkoper moet worden. Is dat begrijpelijk? Je eerste reactie is: daardoor zullen de winsten omhoog gaan. Bij nader inzien is die conclusie voorbarig, want de maatregel moet samengaan met hogere lasten voor het arbeidsloze inkomen – al is het afwachten of dat kan. De reden voor goedkope arbeid is, dat zij meer werkgelegenheid zou opleveren. Is dat waar?

In het model van een partiële arbeids markt klopt het, want een dalende product prijs vergroot de vraag (mits er behoefte bestaat). Echter partiële markten bestaan niet. Juist de arbeids markt is totaal verweven met de waren markten. Als de arbeid goedkoper wordt, dan zullen de prijzen van de goederen en diensten eveneens veranderen. In deze situatie is de uitwerking op de vraag naar arbeid ongewis. Het is goed mogelijk, dat allerlei machines nog meer in prijs zullen dalen dan de arbeid. Het gevolg is dan dat er een uitstoot van arbeid uit het productie proces zal zijn, dat wil zeggen, méér werkloosheid.

Ook is moeilijk te overzien welke sectoren er zullen profiteren, en welke sectoren zullen inkrimpen. Immers de resulterende prijs-bewegingen zijn uitermate complex, en worden bepaald op het economische macro-niveau.

Hoogstens zou kunnen worden tegen geworpen, dat de loonsverlaging direct optreedt, terwijl de prijs-veranderingen van producten en diensten met vertraging zullen volgen. Dus misschien zal er even meer werkgelegenheid zijn. Maar dat overtuigt niet echt, wanneer je zoekt naar duurzame oplossingen.

Een ander bezwaar tegen goedkope arbeid is de daardoor veroorzaakte wegval van koopkracht. De herverdeling is ongewis. Je kunt hopen dat dankzij de loondaling uitkerings gerechtigden een baan zullen vinden, wat extra koopkracht oplevert. Maar dat is niet zeker. Overigens wil men vooral snijden in de loon-belasting, en dat kost de werknemer natuurlijk geen koopkracht. Maar dan ontvangt de staat minder inkomsten, en dat kost ook werk. juist daarom zou de staat om inkomsten moeten gaan knokken met de factor kapitaal.

Mijn inschatting is dat de extra kapitaal belasting niet echt gaat lukken. Dan zal de politiek ongetwijfeld kiezen voor een hogere BTW, bijvoorbeeld op energie. Het resultaat zal zijn dat er weer een automatische stabilisator (de progressieve loon-belasting) zal zijn afgebouwd, waardoor de economie onevenwichtiger is geworden.

En goedkope arbeid betekent in dit geval minder loon-afdracht, waaronder wellicht minder premies voor de werknemers verzekeringen. Dan dreigen de werkloosheids uitkeringen, de bijstand en de AOW onbetaalbaar te worden. Nogmaals, de uitwerking van de lagere loon-belasting op de koopkracht verdeling is ingrijpend, en moeilijk te overzien. Er zou op allerlei manieren moeten worden gecompenseerd, en de vraag is of dat steeds zal lukken.

Sowieso is er een slimmer beleid denkbaar, namelijk de verhoging van de arbeids productiviteit. Immers ook dan wordt het inhuren van arbeid aantrekkelijker. Goedkopere arbeid is een weg omlaag naar het afvoer putje. Sommigen zeggen: goedkope arbeid maakt de ondernemers lui.

Nee, ik zie niks in dit beleid, wanneer inderdaad er geen reden is om meer werkgelegenheid te verwachten. Voorlopig is het louter een holle frase.

Piketty in Nederland: landbouwgrond na 1872

Zoals gesteld ben ik aan het proberen de Piketty-gegevens althans ten dele te reconstrueren voor Nederland, dit mede om er een gegrond oordeel over te kunnen geven. Een van de opmerkelijke ontwikkelingen die Piketty aantoont is dat in veel landen het aandeel van landbouwgrond in het nationale vermogen na het eind van de negentiende eeuw enorm gedaald is. Was dit ook het geval in Nederland? Nederland is een interessant ‘geval’omdat er, anders dan in Engeland, Frankrijk, Duitsland en, a forteriori, België geen massale vernietiging van arbeid (de miljoenen slachtoffers van de oorlog, waar de slachtoffers van de Spaanse Griep nog eens bovenop kwamen) en/of kapitaal plaats vond, terwijl de investeringen minder dan in de genoemde landen niet op militaire maar juist op ‘economische’ zaken gericht konden worden. Ook de sociale onrust in Nederland was, na de oorlog, kleiner dan bijvoorbeeld in Duitsland. In wezen stond de Nederlandse landbouw, in 1918, zowel financieel als organisatorisch in de startblokken om (nog) sterkere positie op de exportmarkten in België, Duitslad en Engeland te veroveren – wat ook gelukt is (zie ook dit antiquarisch nog te verkrijgen proefschrift over de productie van de Nederlandse landbouw in o.a. deze periode). Als de waarde van landbouwland ergens nog op peil zou blijven dan zou dat in Nederland moeten zijn geweest – terwijl de landbouw in bijvoorbeeld België na 1920 (eigenlijk: 1914!) decennia zou stagneren vond in Nederland juist een versnelling van de productiegroei en de modernisering plaats.

Maar dat was niet het geval. De waarde van de grond bleef, afgemeten aan het BBP, niet op peil. De structurele prijsdalingen na ongeveer 1880, de loonstijgingen van het eind van de Eerste Wereldoorlog en de jaren direct erna en de hernieuwde prijsdaling van na 1929 leidden samen met de groei van productie in andere sectoren leidden ook in Nederland tot een dramatische daling van de waarde van het landbouwland (grafiek 1).

LandbouwlandDe gegevens zijn afkomstig uit het genoemde proefschrift en van het CBS (oppervlaktes) en uit Luijt, J. and M. Voskuilen, ‘Langetermijnontwikkeling van de grondprijs’. Lei, Nota 09-014, 2009 (prijzen). Naast deze schatting is er ook nog een CBS schatting van de grondwaarde die structureel lager ligt maar wel exact dezelfde ontwikkelingen laat zien (grafiek 2). Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt doordat de CBS schatting allerlei opstallen op het land, o.a. de boerderij zelf, uit de schatting haalt terwijl de prijzen van Luijt en Voskuilen de prijs van boerderijen per ha. betreffen, dus inclusief opstallen. De overeenkomst in ontwikkeling geeft echter vertrouwen in de kwaliteit van de schatting. Waarmee in navolging van Piketty een deel van de relatief lage waarde van de kapitaalgoederenvoorraad in de periode 1920-1990 is verklaard: lagere landbouwprijzen en relatief hogere lonen (inclusief toegerekend loon van het gezin) leidden tot lagere grondprijzen. In tegenstelling tot de omringende landen was in Nederland wat echter geen enkele sprake van vernietiging van landbouwinfrastructuur in de Eerste Wereldoorlog, wat aangeeft dat economische ontwikkelingen van groter belang waren bij de daling van de kapitaal/BBP ratio dan Piketty, die veel nadruk legt op de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog, suggereert. Wel waren de loonstijgingen deel van een internationaal gebeuren, dat mede door de arbeidstekorten in de Eerste Wereldoorlog werd veroorzaakt.

Vergelijking

 

 

 

 

 

Piketty in Nederland – inleidende opmerkingen

Hoe heeft de waarde van het kapitaal in Nederland zich in de afgelopen twee eeuwen ontwikkeld? Wat is dat ‘kapitaal’eigenlijk? En wat zegt deze ontwikkeling? Voor een speciale uitgave van de Real World Economics Review mag ik wat over Piketty schrijven waarbij onder andere de bovengenoemde problemen aan bod komen. De algemene vraagstelling is:

Is er een verband tussen de hoge investeringsvoet in de jaren vijftig, zestig en het begin van de jaren zeventig (‘les trentes glorieuses’) en de door Piketty geconstateerde relatief lage waarde van de kapitaalgoederenvoorraad ten opzichte van het nationale inkomen in die periode?

Dit lijkt op het eerste gezicht een wat paradoxale vraagstelling – maar als de investeringen de groeivoet van het inkomen meer doen toenemen dan de groeivoet van de (netto) hoeveelheid kapitaal dan klinkt het weer logisch. Maar was het ook feitelijk het geval?

Om dat te kunnen analyseren moet ik uiteraard hetzelfde kapitaalbegrip toepassen dat Piketty ook toepast. Tegelijkertijd weer ik dat je daar pas echt begrip van krijgt als je zelf probeert vergelijkbare reeksen te construeren. De goede raad van Pieter Winsemius, ‘speel nooit een uitwedstrijd’, in acht nemend, wordt het antwoord op welke reeks dan geconstrueerd moet worden eenvoudig. Ooit ben ik deelgenoot geweest van het historische nationale rekeningen project van Jan Luijten van Zanden, waarin ook schattingen van kapitaal gemaakt werden gemaakt, en Piketty en de zijnen hebben geen reeksen voor Nederland. De thuiswedstrijd is het proberen te construeren van reeksen voor Nederland. En de afgeleide vragen worden dan:

*Wat meet Piketty

*Hoe doet hij dat

Wat er voor de recente periode voor Nederland op neerkomt dat de afgeleide afgeleide vraagstelling wordt

* Wat meet het CBS als kapitaal

* Hoe doet het CBS dat

Dit omdat Piketty (volgens de bijlagen van de bijlagen maar ook volgens zijn boek) strikt de regels van de nationale rekeningen hieromtrent van de nationale rekeningen volgt, die weer worden beschreven in de SNA en die ook voor het CBS maatgevend zijn voor de operationele definitie van ‘kapitaal’.

Wat het CBS meet kunt u zien in de onderstaande grafieken. Hoe de waarde van die kapitaalgoederen gemeten wordt is ingewikkelder (het gaat hier om de waarde in lopende prijzen, niet om de waarde in constante prijzen, wat weer een slag ingewikkelder is). De SNA stelt dat deze waardering het liefst moet gebeuren:

(A) Op basis van marktprijzen (paragraaf 13.18)

(B) Als dat problematisch is dan kan de ‘perpetual inventory’ methode worden toegepast (waarde vorig jaar plus investeringen en waardevermeerderingen minus afschrijvingen en waardeverminderingen) of de gedisconteerde waarde van toekomstige inkomensstromen kan worden berekend (paragraaf 13.19)

Al deze methodes hebben problemen. Wat is de waarde van woningen die niet op de markt zijn? Is die gelijk aan die van vergelijkbare woningen die wel op de markt zijn? Hoe groot is, bij de ‘perpetual inventory’ methode, de waarde van de initiële kapitaalgoederenvoorraad? En toekomstige disconteringsvoeten en inkomensstromen zijn uiteraard onzeker (ook in de zin dat de statistische verdeling van hoge en lage waardes niet bekend is). Wat dat betreft is het meten van ‘kapitaal’ veel onzekerder dan het meten van inkomen, waar consistentiechecks veel beter mogelijk zijn (de totale uitgaven aan consumptiegoederen moeten gelijk zijn aan de totale verkopen van deze goederen en, met inachtneming van voorraadveranderingen en allerlei winstmarges, aan de productie).

We komen nu bij de eerste vraag over het CBS: wat meten ze? In wezen komt dit neer op de waarde van kapitaalgoederen plus de netto schulden (of tegoeden) van een sector of een land. Voor Nederland levert (grafiek 1) dit het volgende beeld op van de waarde van de materiële kapitaalgoederen (merk op dat de locatiewaarde van land plus de waarde van het erop gevestigde vastgoed het overgrote deel van de materiële kapitaalgoederenvooraad uitmaakt!)

Piketty1

Het financiële kapitaal (grafiek 2) bestaat uit de volgende componenten, let daarbij op dat een groot deel van dit kapitaal (goud, chartaal geld, een deel van ‘overig’,  nl. handelskrediet) geen rente cq. dividend oplevert maar waarde ontleent aaan de rol die het speelt in het betalingsverkeer:

Piketty2De totale waarde van de financiële claims is veel groter dan de waarde van het materiële kapitaal, netto draagt het echter weinig bij (grafiek 2). Merk op dat de waarde van financiële claims zowel als schulden de afgelopen jaren, in tegenstelling tot de materiële kapitaalgoederenvoorraad, snel is blijven toenemen!

Piketty3

Piketty (hij niet als enige, overigens) gebruikt vaak de variabele ‘kapitaal als meervoud van het inkomen/de productie’. Dat is logisch: uiteindelijk is veel financieel of materieel kapitaal uiteindelijk (ook) een claim op inkomen, als is het maar via erfgenamen die een woning verkopen. Aan de andere kant: het privatiseren van de Nederlandse dijken door ze te verkopen aan een Italiaans of Russisch consortium die vervolgens betaald worden voor onderhoud en aanleg lijkt althans mij minder gewenst (in New Orleans hebben ze een dergelijke constructie geprobeerd…). Piketty vindt een lage waarde van deze maatstaf voor de periode tussen, zeg, 1920/1930 en, zeg, 1980/1990 terwijl de ratio daarvoor en daarna veel hoger is. Deze stijging laatste is ook in Nederland waarneembaar, waarbij zelfs uit deze gegevens al blijkt dat de toename sterk gekoppeld is aan de waarde van vastgoed zowel als die van het land eronder. De laatste jaren zit de klad hier echter wat in.

piketty4Opmerkelijk is het netto-concept van schulden en financiële claims. Schuldenaren zijn andere mensen en sectoren dan schuldeisers, waardoor in de economie sprake kan zijn van grote schuldgerelateerde geldstromen tussen personen en sectoren (en zelfs binnen sectoren), waarbij grote problemen kunnen optreden als deze geldstromen gaan haperen. Maar dat terzijde, ik hoop dat wat duidelijk is wat het CBS en ook Piketty meten. Over hoe dat gebeurt later meer.

 

 

 

 

 

 

An economic theory of greed, love, groups and networks

Het boek An economic theory of greed, love, groups and networks van de Nederlandse econoom Paul Frijters, met medewerking van Gigi Foster, heeft een originele inhoud, met tal van leerzame verhandelingen, en het inter-disciplinaire karakter stimuleert het denken over de vakgrenzen heen. Want hoewel de titel spreekt van een economische theorie, haakt het werk verrassend aan bij de bestaande beschouwingen uit de psychologie, de sociologie en de antropologie. Frijters grijpt terug op de klassieke homo economicus, de egoïstische en calculerende individu, die uit is op zelf verrijking (in de Engelse taal greed). Sparen en duren zijn goede geburen. Hoe zal die zich gedragen in maatschappelijke situaties, vraagt Frijters zich af.

Titelblad An economic theory of greed, love, groups and networks

Immers de homo economicus heeft groepen nodig. Dankzij de groepen kunnen er allerlei individuele vaardigheden worden geleerd, tezamen neemt men rationelere besluiten (wegens de contrôle), er is onderlinge solidariteit (zekerheid), en er kan macht worden uitgeoefend over andere groepen. Een baksteen is nooit alleen. Te gelijk worden de leden gedwongen in het keurslijf van de groeps moraal, wat leidt tot psychische spanningen. In de ogen van Frijters ontsnapt het individuele lid aan de mentale pijn door zich over te geven aan toewijding (in de Engelse taal love). Van aalmoes die men doet, vermindert beurs noch goed. Mensen fantaseren graag over mythen, wanneer het leven hun begrip overstijgt. Een beetje zelfbedrog veraangenaamt het leven1.

Het inter-disciplinaire karakter van het boek is zijn sterkte èn zijn zwakte. De theorie is kwetsbaar voor de aanvallen van specialisten, die ongetwijfeld allerlei tegen-argumenten kunnen bedenken, waarop Frijters waarschijnlijk een onvoldoende weerwoord zal hebben. Geleerde liên, verkeerde liên. Dat is niet erg, zolang de theorie ten minste er in slaagt om zijn wetenschappelijke waarde te bewijzen in allerlei toepassingen. Echter juist de toepassing komt er bekaaid vanaf. De hoofdtekst is vooral filosofisch en theoretisch. Weliswaar heeft Frijters wiskundige modellen ontwikkeld, maar die zijn verbannen naar een aanhangsel aan het eind.

Dit aanhangsel behoort voor uw recensent tot de meest opwindende delen van de tekst. Het is jammer, dat deze modellen nooit eerder zijn gepubliceerd, behalve in technische rapporten en interne manuscripten. Ze zijn nooit onderworpen aan de kritische blik van andere gezag hebbende economen. Ook ontbreekt de validatie aan empirische feiten. Tast geen rood ijzer aan of spuw erop. Er blijft dus nog veel te doen om de theorie wetenschappelijk aanvaardbaar te maken2. Frijters zal zich daarvan wel bewust zijn, want ook zijn leermeester, de Nederlandse econoom Bernard van Praag, heeft een leven lang moeten knokken om wetenschappelijke erkenning. Daarom is interessant om te zien wat Frijters zèlf allemaal nog zal gaan doen met zijn ei.

Voor Frijters ontstaat de toewijding uit de subjectieve rationaliteit van de individu, waarbij mythische voorstellingen en fantasieën essentieel zijn. Aan Gods zegen is alles gelegen. Toewijding kan zelfs een aandrift zijn, die zich deels buiten het bewustzijn voltrekt. Deze visie herinnert aan de bestaande antropologische, sociologische en psychologische theorieën over vroege culturen, zoals in het Middel-eeuwse Europa3. Het is jammer dat deze theorieën niet worden genoemd, want dan waren de nuances duidelijker geworden. Dat geldt eveneens voor het ideaal-type van de klassieke homo economicus, dat tegenwoordig door vele wetenschappers naar de prullenbak wordt verwezen, inclusief economen. Frijters houdt er aan vast om pragmatische redenen. Dat mag, mits zijn theorie zich empirisch bewijst en rechtvaardigt.

Toewijding vindt plaats binnen groepen. De groeps vorming vormt de kern van Frijters’ theorie. Groepen ontwikkelen een eigen moraal, die wordt geïnstitutionaliseerd. Onder de kromstaf is het goed wonen4. De diverse groepen zijn onderling gekoppeld in een waarde-neutraal maatschappelijk netwerk. Frijters concentreert zich verder op het bestuderen van handels netwerken. In de loop van de tijd kunnen netwerken en groepen in elkaar transformeren. Men denke aan bedrijfs fusies, branche organisaties, of omgekeerd uitbesteding van productie taken. Frijters klaagt dat de economie weinig aandacht besteedt aan de groeps processen, maar daarmee doet hij onrecht aan de institutionele richting.

Het boek illustreert de toewijding aan allerlei fenomenen: opvoeding, het huwelijk, militaire training, religie, bedrijfs- en beroeps-organisaties, en nationalisme. Eigen haard is goud waard. Deels verloopt zij onbewust, en zelfs aangeboren. De tekst leest goed, maar onmiskenbaar zijn dit uiterst complexe thema’s, waarover hele bibliotheken zijn vol geschreven. Het is behoorlijk speculatief om ze in één keurslijf te persen. Ook wanneer de auteurs het thema groeps macht behandelen, zouden verwijzingen naar de immens grote literatuur een verrijking zijn geweest. Daarmee zouden de originele invallen van de auteurs wetenschappelijk beter zijn gefundeerd. En wanneer de hiërarchieën en bureaucratieën worden behandeld, is het werk van de socioloog Max Weber het noemen waard. Wie wil kan zó aan de bak.

De gedaante van het netwerk speelt een cruciale rol in de economische modellen van Frijters. Inhoudelijk wordt aldus de neoklassieke leer aangevuld, terwijl er tevens aansluiting wordt gevonden met het institutionalisme en met de economische sociologie. Zoals reeds is opgemerkt, is de netwerk theorie grotendeels verbannen naar de aanhang. Wellicht hebben de auteurs dit gedaan uit vrees dat de wiskundige complexiteit hun lezers publiek te zeer zou inperken. Tussen haakjes, zij kiezen inderdaad niet echt duidelijk voor één groep van lezers. De tekst varieert van populair-wetenschappelijk tot specialistisch. Een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas5. Hoe dan ook, het netwerk krijgt zelfs een plaats in de productie functie, als een aparte factor. Eindelijk geven de auteurs hier ook een practische toepassing van hun theorie, namelijk bij het verklaren van de economische instorting na het uiteen vallen van de Sovjet Unie.

Anders geformuleerd, in de theorie staat het netwerk symbool voor de mate van ondernemers geest. Ondernemers zijn contact makers (al zijn er natuurlijk meer aspecten, zoals innovatie- en organisatie-vermogen). Die dienst doet, dienst ontmoet. Bak bijtijds, en leen geen brood. Instituties zijn essentieel om het leggen van contacten makkelijker te maken. Bovendien zouden de contact makers de dragers zijn van de democratie (aldus wordt ook wel beweerd, dat de vrije markt opvoedt tot democratie). Immers zij proberen de dominantie van één moraal te weren uit het netwerk. De staat mag niet meer zijn dan een regulerende speler binnen het netwerk, die zo nodig bakzeil haalt.

De laatste 45 pagina’s van het boek beschrijven enkele opwindende wiskundige modellen. Hier worden de menselijke behoeften weergegeven in individuele nuts functies, die andermans nut méé wegen. Dit is een radicale breuk met de neoklassieke leer! Nuts functies blijken zich onvoorspelbaar te ontwikkelen. De individuele nuts functies worden verwerkt in een groeps theorie, waarbij de groeps leden elkaar èn buitenstaanders kunnen disciplineren. Het zijn boeiende en vernieuwende vondsten. Zij smaken naar meer, maar voorlopig is hun wetenschappelijke relevantie ongewis. Een boodschap van dit boek is juist, dat abstracties kunnen vervreemden van de werkelijkheid. Hoe groter geest, hoe groter beest.

In conclusie zien Frijters en Foster in de mens een egoïst, wiens ambities stuk lopen op de ambities van anderen. Het egoïsme zelf brengt de moraal voort, en in het bijzonder de toewijding en het altruïsme. Een pijp tabak verlet niet. Dit proces voltrekt zich meer onbewust dan berekenend. Uw recensent weet trouwens niet of hij hiermee blij moet zijn. Bij de uitwerking van hun theorie hebben de auteurs her en der kennis bijeen geraapt en gecombineerd. Ondanks de karige bron vermelding is het betoog in zijn geheel boeiend en inspirerend. Dat is wel wat waard. De hoofdtekst (niet de aanhang) laat zich lezen als een roman. Naar de mening van uw recensent is nu cruciaal, dat de formele theorie (de wiskundige formules) practisch wordt toegepast, door de auteurs of door anderen. Daarvan zal afhangen of An economic theory of greed, love, groups and networks een klassieker wordt. De boom draagt voor zichzelf geen appels.

  1. Henriëtte Roland Holst – van der Schalk formuleert dit helder in haar gedicht Over het geluk van volkomene onzelfzuchtigheid in de bundel Sonnetten en verzen (p.46): Zooals riviere’ onafgebroken gieten / hun leve’ in ‘t eindloos leven van de zee, / door ‘t geven zelf een rustig gaan genieten / en ‘t weten dat ze eeuwige grootheid meê / behouden helpen – zóó zou ‘t leven vlieten / der mensche’ en ongestoord wonnige vreê / hun hart bewone’, als ze onophoud’lijk lieten / van hunne ziel, – als soms een enkle dee / uitgaan de kracht die liefde is in volkomen / los zijn van denke’ aan zelf en zijn begeerten, / stuwend hun rijkheid als een breede vloed / in de rijkheid van die oneind’ge verten, / stortend aldoor met volle liefde-stroomen / in de liefde die alle stroomen voedt.
  2. Op p.372 van An economic theory of greed, love, groups and networks schrijft Frijters over zo een model, dat de vondst niet is aangeboden aan een specialistisch vak tijdschrift, omdat de achter liggende idee daarvoor te algemeen leek, en omdat toepassingen ontbraken. Met andere woorden, indertijd bestond deze specialisatie nog niet.
  3. In deze trant peinst de Vlaamse dichter Achilles Mussche in het gedicht Nocturne uit de bundel De twee vaderlanden (p.4): Diep is het leven in de luide stille nachten, / dieper van klachten, dieper van smachten, / dronkener van eeuwigheid, dronkener van lust; / uit der dagen eindige moede daden / heft zich ons hart naar Gods dageraden, – / nacht, droom-geweven nachten, veelstemmige oeroude heimwee-nachten, / die ‘s levens afgronden wakker kust.
  4. Elke groep heeft zo zijn eigen bakken. Aldus is er een samenvoeging van leg-puzzelaars, een wolk rokers, een wolk meteorologen, een regen van meteorologen, een kliek van computer muizen, een dosis apothers, een keten van cipiers, een rij taxi-chauffeurs, een vloedgolf loodgieters, een stroom electriciëns, een formatie geologen, een handvol handlezers, een aantal wiskundigen, een verzameling van wiskundigen, een complex van psychologen, een massa dikkerds, een tekort aan dwergen, en een golf surfers.
  5. Frijters heeft daadwerkelijk in Nederland zijn boek aangeprezen tijdens een aantal lezingen voor een publiek, dat grotendeels bestond uit leken.

De nieuwe inflatie- en werkloosheidsstatistieken van het CBS. Nuttig en nodig?

Volgend jaar gaat de (gemeten) inflatie fors omlaag. En de (gemeten) werkloosheid gaat dalen. Want het CBS gaat over op nieuwe inflatie- en werkloosheidsstatistieken, die onze wereld anders in beeld brengen dan de oude. Enkele verschillen (en kort mijn mening daarover):

De nieuwe inflatiestatistiek. De inflatie gaat dalen. Het CBS gaat voor het meten van de consumenten-inflatie over op de ‘HICP’-statistiek van Eurostat, de Harmonized Index of Consumer Prices. Deze brengt de prijzen in alle Eurolanden in beeld op basis van een consistente methodiek. Het is natuurlijk wenselijk dat alle Europese landen het consumentenprijspeil op dezelfde manier meten – dan kun je de ontwikkelingen en niveau’s beter vergelijken. Maar er zit daarbij een addertje onder het gras: de HICP-methodiek is deels ontwikkeld om aan een verzoek van de ECB (Europese Centrale Bank) tegemoet te komen. Wie bepaalt welk beeld wij van de inflatie krijgen? Grotendeels de ECB! Wat ik niet negatief bedoel maar als een feitelijke constatering! De ECB wilde, om de connectie tussen het gemeten prijspeil, de (gemeten) geldhoeveelheid en de monetaire bestedingen zo direct mogelijk te maken een prijsmaatstaf die zo min mogelijk om- en toerekeningen bevatte. Het gaat dan vooral om de ‘toerekening huurwaarde eigen woningen’. In de Nederlandse inflatiestatistiek (en die van veel andere landen) zit een letterlijk zwaar meewegende toerekening: de huurwaarde eigen woning. Huren worden uiteraard meegewogen in het consumentenprijspeil – het is een prijs die betaald wordt. En in de nationale rekeningen wordt de ‘toegerekende huurwaarde’ van eigen woningen tot de totale productie gerekend. Terecht: als een woningcorporatie een huis het ene jaar verhuurt en het volgende jaar verkoopt dan is het raar als de huurwaarde van die woning ineens uit de productie zou vallen. Maar opmerkelijk genoeg zit deze toegerekende huurwaarde (deze huren worden niet daadwerkelijk betaald) ook in de Nederlandse consumentenprijsindex. Deze index geeft, anders dan de nationale rekeningen, niet de koopkracht van de gemeten inkomens (inclusief huurwaarde eigen woning) maar de koopkracht van het geld weer – geld dat gebruikt wordt om echte prijzen te betalen. Toch weegt deze toerekening zelfs zwaarder mee, in het mandje met prijzen waarop de index gebaseerd is, dan de eigenlijke huren! Dit heeft, omdat de huren momenteel zo ongeveer de sterkst stijgende prijzen van Nederland zijn, een zeer sterk opwaarts effect op de gemeten inflatie. Wanneer dit effect wegvalt dan daalt (op dit moment!) de gemeten inflatie. De HICP inflatie van Eurostat was in mei 0,1%,  de CBS inflatie  was 0,8%. Dat scheelt! Persoonlijk vind ik het uit de prijsindex halen van de toegerekende huur een goed idee, zowel omdat de inflatiemaatstaf zonder toegerekende huur een directere relatie heeft met de koopkracht van het geld als vanwege het ECB argument dat deze inflatie een directere band heeft met de geldhoeveelheid en de bestedingen. Dat de koopkracht en de verdeling van de inkomens belangrijker is voor de macro-ontwikkeling dan de koopkracht van het geld is een ander verhaal.

De nieuwe werkloosheidsstatistiek. De werkloosheid gaat dalen. De Nederlandse werkloosheid was in mei, volgens het CBS, 8,6%. Volgens Eurostat was dit 7% (voor alle duidelijkheid: zowel de CBS als de Eurostat gegevens laten over het afgelopen jaar een forse stijging zien). Wat is het verschil? Eurostat telt mensen die 12 uur of minder per week werken en op zoek zijn naar meer werk niet mee als werkloos, Nederland wel. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor mensen die op zoek zijn naar minder dan 12 uur werk per week: Nederland telt die niet mee, Eurostat wel. Mensen met een klein baantje die op zoek zijn naar meer werk worden door Eurostat niet over het hoofd gezien: ze zitten in de definitie van de ‘brede’ werkloosheid. Kijk hier voor enkele gegevens over die brede werkloosheid, die veel te weinig aandacht krijgt! Ze laten o.a. zien dat terwijl de ‘normale’ werklo0sheid in Italië weliswaar hoog maar veel lager dan in Spanje en Griekenland de brede werkloosheid in dat land ook rond de 35% ligt.

De nieuwe statistiek is simpeler en duidelijker, wat altijd een plus is. En dat zeker in een tijd waarin een leenstelsel voor studenten wordt ingevoerd, wat gaat betekenen dat het ‘kleine baantjes’ arbeidsaanbod zal stijgen – meegerekend in de nieuwe statistiek! Aan de andere kant valt een deel van de werkzoekenden uit de basisstatistiek. Wat betekent dat we meer aandacht moeten geven aan de vrijelijk via Eurostat beschikbare gegevens over de brede werkloosheid! Overigens maakt het voor de ontwikkeling van de werkloosheid (stijging, daling) niet veel uit naar welke statistiek u kijkt (hier, grafiek 2).  Waarbij zeker wat betreft de brede werkloosheid de samenstellingsverschillen tussen de landen van de EU veel groter en stabieler zijn dan de vergelijkbare verschillen tussen de staten van de VS. Kijk hier (vlak boven de tweede grafiek). Terwijl dat voor de normale werkloosheid veel minder het geval was, zo rond 2007 en 2008, toen de normale werkloosheid in de hele EU ongeveer op hetzelfde niveau lag.

Page 1 of 10312345...102030...Last »
top