search
top

Mathijs Bouman en het werkloosheidsprobleem in de EZ – een aanvulling

Matthijs Boumanwaarschuwt in een column dat we geen paniek moeten zaaien, als het over de situatie in de Eurozone gaat. Hij analyseert daarbij de cijfers over de jeugdwerkloosheid. Deze werkloosheid is erg hoog. ‘Maar wat betekent zo’n cijfer eigenlijk’, vraagt hij zich af. Dat kun je, uiteraard, enkel goed begrijpen als je onder andere weet hoe het concept gedefinieerd en geoperationaliseerd wordt. Meten is weten maar we moeten weten hoe we meten.  Zie ook dit artikel. In dit geval worden (onder andere) jongeren die op school zitten helemaal niet meegeteld in deze statistiek. Een jeugdwerkloosheid van 50% betekent dus niet dat 50% van alle jongeren werkloos is. Helemaal niet. Economen horen dit standaard te weten en, bij een analyse van de cijfers, voortdurend te vermelden. Dus: ‘chapeau’ voor Mathijs.

Maar om de cijfers werkelijk op waarde te kunnen schatten moet je als econoom niet alleen gedegen kennis hebben van de statistische trivia. Je moet ook andere contexten beheersen. De jeugdwerkloosheid is bijvoorbeeld deel van een groter gebeuren: de totale werkloosheid. Waarbij het niet enkel over de zogeheten ‘U-3’ werkloosheid gaat maar ook over bijvoorbeeld mensen die niet direct beschikbaar zijn voor werk (bijvoorbeeld wegens een gebroken been) maar die wel werk zoeken. Of mensen die wel beschikbaar zijn – maar niet meer zoeken. Kijk hier voor de huidige discussie (onder leiding van de ILO) hierover, die moet leiden tot een aanscherping van de statistieken. En de huidige werkloosheid kan weer worden afgezet tegen onze historische ervaring met de werkloosheid: hoe hoog kan deze worden, hoe laag kan deze worden en hoe snel kan deze omhoog en omlaag gaan (terzijde: omhoog gaat sneller dan omlaag).

Wanneer we deze aspecten ook in de discussie betrekken dan is er, anders dan Matthijs stelt, wel degelijk reden voor gillende paniek.

(A) De brede werkloosheid dreigt in verschillende landen van de EZ de 40% grens te doorbreken. Zie hier (op de luxetveritas site) voor enige gegevens.

(B) Voor de crisis was de hoogste na-oorlogse werkloosheid (U-3 concept) ooit in een van de rijke landen gemeten de zeventien procent van Finland, in het begin van de jaren negentig (Oost-Duitsland reken ik even niet mee). En het duurde vijftien jaar om deze werkloosheid naar een nog steeds niet acceptabele 6% te krijgen… Zie hier (op de luxetveritas site) voor enige informatie hierover. maar op dit moment zijn er, binnen de Eurozone, al drie landen (Portugal, Spanje, Griekenland) die deze grens ruimschoots gepasseerd zijn. En de werkloosheid stijgt nog steeds. Terwijl de werkloosheid in een Italië alleen maar relatief laag is omdat de ‘niet normale’ werkloosheid daar relatief bijzonder hoog is.

In combinatie betekent dit:

(I) Er is wel degelijk reden voor paniek. Het is volkomen en totaal misgegaan. En het gaat nog steeds mis. En er is mede reden voor deze paniek omdat:
(II) In intellectuele zin het denken en de modellen van de economen zijn gebaseerd op situaties waarin de maximale werkloosheid aanzienlijk (zelfs in het meest extreme geval meer dan 10%!) lager lag dan nu in Spanje en Griekenland. Wetenschappelijk bevinden we ons dus enigermate in een terra incognito – het is allerminst gezegd dat recepten uit het verleden garantie geven voor de toekomst.
(III) Waarbij overigens wel duidelijk is dat zo ongeveer de grootste rigiditeit die je kunt hebben langdurige en extreem langdurige (>2 jaar) werkloosheid is en dat juist die rigiditeit snel in omvang toeneemt. Juist een beleid dat ‘ouderwets’ gericht is op de lange termijn leidt, in zo’n situatie, vooral tot problemen op die lange termijn.

Een voorbeeld van een ‘land’ waar dit gebeurd is is Oost-Duitsland, waar de werkloosheid ondanks massa-emigratie en recentelijk ook een minder negatieve economische ontwikkeling en ondanks twintig jaar van ‘interne devaluatie’ nog steeds boven de 10% ligt (te vergelijken met ongeveer 3,5% in Beieren). Vergelijkbare ontwikkelingen doen zich momenteel buiten de Eurozone in de Baltische staten voor. Terwijl de werkloosheid in Ierland ‘slechts’ 14% bedraagt omdat de participatieratio gedaald is en veel mensen zijn geëmigreerd. Reden voor paniek – miljoenen mensen worden momenteel de facto afgeschreven, in de Eurozone. En de EU kan in een dergelijke situatie echt uit elkaar gaan vallen.

De ‘finale vraag’ en de niet zo miraculeuze daling van het Spaanse handelstekort (1 grafiek)

Raphael Auer heeft, op Voxeu, een slecht stuk geschreven over de afname van de tekorten op de lopende rekening van de Zuid-Europese landen. Terecht constateert hij de afname, niet vanuit de lopende rekening maar vanuit de financiële rekening. De maandelijkse hoeveelheid krediet die de Zuid-Europese landen opnemen (als lening, steun of afnemerskrediet) om te importeren neemt pijlsnel af.

Maar hij zou – en dat bedoel ik niet als belediging – een introductiecursus macro-economie moeten doen. Standaard macro-economie is dat importen samenhangen met het niveau van de bestedingen. Als dat te snel stijgt – dan stijgen de importen en andersom. Kijk hier, hier, hier en hier voor enige gegevens over de lopende rekeningen zelf – de recente pijlsnelle afname van deze tekorten is al enige tijd niet bepaald een geheim. En een dergelijke snelle afname moet op zijn minst voor een zeer groot deel samenhangen met de bestedingen. Wat ook zo is. Een implicatie van deze links is overigens ook dat de pijlsnelle toename van de tekorten na 2003, vrijwel overal buiten de kernlanden van de Eurozone,  binnen een half jaar tot lichte en binnen anderhalf jaar tot zware paniek bij de ECB had moeten leiden omdat ze toen al zichtbaar waren – een duidelijk gevalletje van door goedkoop krediet veroorzaakte overbestedingen. Maar dat vond men aldaar niet meer van belang – in het kielzog van mensen als Alan Greenspan en Robert Lucas was men van mening dat dit soort tekorten er in rationele, gedereguleerde kapitaalmarkten niet meer toe deden. Helaas gaat Auer mee in dit soort eenzijdig wensdenken. Hij schrijft de daling van de (overigens zeer hoge en onhoudbare) tekorten vooral toe aan veranderingen in concurrentievermogen en laat de bestedingen buiten beschouwing. Maar de voornaamste veranderingen zijn vooral het gevolg van geforceerde veranderingen in de Zuid-Europese bestedingen. En niet van veranderingen in het concurrentievermogen.

Laten we Spanje als voorbeeld nemen. De exporten (goederen en diensten) van Spanje zijn na 2008 met 26 miljard gestegen (vaste prijzen van 2005, alle gegevens Eurostat), waarmee de trend van voor 2008 werd voortgezet (Spanje is concurrerender dan u denkt). De importen daarentegen laten wel een enorme trendbreuk zien en groeien niet meer sneller dan de exporten, zoals voor 2008, maar zijn na 2008 zelfs met 65 miljard gedaald. En die trendbreuk heeft het verschil gemaakt.

Spanje

 

Wat betreft de export werd de groeitrend van voor 2008 voortgezet – er is geen enkel teken van een structureel snellere groei van de export doordat de (overheids)lonen zijn verlaagd, doordat er op de pensioenen wordt gekort, doordat er 2,5 miljoen banen in de bouw en de toeleverende industrie zijn verdwenen of doordat het aantal faillissementen recent een nieuw maximum bereikte. Exportsucces hangt voor een land als Spanje nou eenmaal niet samen met lage lonen, armlastige pensionado’s  en onderbetaalde docenten- maar met goede producten. Wat betreft de importen – die zijn uiteraard wel gedaald door de lagere lonen en werkgelegenheid en vooral door de ineenstorting van de investeringen. Zie ook de grafiek.

 

Wat betekent dat de suggestie van Auer dat interne devaluatie door een verbetering van het concurrentievermogen tot een snelle aanpassing van lopende rekeningen kan leiden totaal fout is. Hij stelt:

<blockquote>Because current-account imbalances are indicative of underlying differences in macroeconomic fundamentals across the currency union, restoring uniform competitiveness across the Eurozone has become a policy objective for many European policymakers. For example, Draghi (2012) states that “Europe’s future prosperity requires member countries to be competitive individually in order to be competitive jointly and thrive in an open, global economy”. However, the heterogeneous developments in wage setting and public and private spending patterns that caused the current-account imbalances had taken a decade to develop, thus giving rise to concerns that closing current-account imbalances also might take a prolonged period. Indeed, given the lack of the possibility of exchange-rate depreciation, external adjustment within currency unions is generally thought to be a slow and costly process. Against the backdrop of these considerations, it is worthwhile to point out that rapid current-account rebalancing is actually well underway at the current juncture.</blockquote>

En

<blockquote>”The size, the speed, and the uniformity of the current-account improvement in these four nations could indicate an improvement of macroeconomic fundamentals or of the deep recession in these nations”.</blockquote>

Nee dus. De ene onevenwichtigheid is opgeheven door een andere onevenwichtigheid: bijna 40% brede werkloosheid en een verlies van 2,5 miljoen banen.

Terzijde: met name veel austeriteits- en Oostenrijks geïnspireerde economen hebben intellectueel moeite met het concept van ‘de totale finale vraag’ en het op peil houden van die vraag. De ‘totale finale vraag’ is, omdat uw uitgaven nu eenmaal iemand anders zijn of haar inkomen zijn, volgens de systematiek van de nationale rekeningen gelijk aan het totale inkomen: lonen, winsten, huren, pacht. Het op peil houden van de totale vraag komt dus neer op het op peil houden van de inkomens. Nu zal niemand (ook ik niet) er voor pleiten om de vraag op peil te houden door de Spaanse bouwsector in de oude glorie te herstellen. Maar dat betekent niet dat er geen andere mogelijkheden zijn. Heel Spanje zal veel beter Engels, Frans, Turks en vooral Duits moeten leren. Daar kun je uitstekend ‘vouchers’ voor gebruiken, waarbij wel de lonen van docenten verlaagd worden maar waarbij tegelijkertijd er voor wordt gezorgd dat dit verlagen van de lonen gepaard gaat met nieuwe ‘voucher’ koopkracht die zorgt voor herstel van werkgelegenheid (en die lonen moeten zeker vijf jaar omlaag omlaag omdat anders het lopende rekening probleem weer de kop op steekt – dat geeft de exportsector de tijd om nog eens 26 miljard extra te exporteren, waardoor weer meer import mogelijk is (zij het uiteraard geen 26 miljard extra)). De overheid kan ook op basis van een landbelasting in die munt een parallelle munt invoeren, geschikt voor het betalen van belasting en overheidsdiensten, waarmee die extra docenten worden betaald en die doordat hij geschikt is voor de belastingen omwisselbaar is in de Euro. En zo kun je nog wel een tijdje doorgaan. Maar het oplossen van de ene onevenwichtigheid met een andere, zoals nu – dan moeten we die Euro maar afschaffen.

HET BUREAU

Het hoge woord is eruit. Er is een nieuwe CPB-directeur. Laura van der Geest, afkomstig van het ministerie van Financiën, gaat de komende jaren leiding geven aan het planbureau. Het begrotingsbeleid van de huidige regering, waar Van der Geest als ambtenaar aan mee mocht sleutelen, is ze hoogstwaarschijnlijk een stuk vriendelijker gezind dan haar voorganger was. De gematigde kritiek van Coen Teulings op het bezuinigingsbeleid van de regering lijkt daarmee vakkundig kaltgestellt.

Uit de kritische commentaren op de benoeming krijg je echter de indruk dat het onder sint Teulings de academicus allemaal hosanna was. Onzin. Het CPB blunderde de afgelopen jaren flink. In 2008 beweerde het nog dat de Nederlandse woningmarkt helemaal niet overgewaardeerd was. Waarna de woningprijzen spontaan met 20 procent kelderden. In 2009 moest het CPB zijn econometrische model overboord gooien om nog tot enigszins realistische groeiramingen te komen. En voor dit jaar voorspelde het CPB 7,25 procent werkloosheid, terwijl de teller in maart al op 8,1 procent stond.

Het gaat niet slechts om het poppetje aan de top. Het CPB wordt gezien als een bron van neutrale wetenschappelijke adviezen. Dat is precies het probleem. Wie de geschiedenis van het CPB erop naslaat, ziet dat wat wetenschap heet door de jaren heen flink verandert. En niet altijd ten goede.

‘Een apparaat van planning’

‘Het inzicht is langzamerhand algemeen geworden dat het tot de taak der Regeering behoort, den omvang van de algemeene economische activiteit te beïnvloeden, opdat niet, als in den periode na 1929, een belangrijk deel der nationale hulpbronnen ongebruikt blijft’, schreef Jan Tinbergen, de eerste CPB-directeur, al in de Tweede Wereldoorlog. Om dit te waarborgen was volgens hem een ‘apparaat van statistische waarneming, van analyse van den toestand en van planning der te nemen maatregelen vereischt’. Met andere woorden: een centraal planbureau.

De regering-Colijn voerde in de jaren dertig een snoeihard bezuinigings­beleid. In protestantse en liberale kringen was de consensus dat de overheid weinig tot niks kon doen om het economisch tij te keren. ‘Slechts een opmerkelijk gebrek aan inzicht of wel een verachtelijke demagogie kunnen er toe drijven enigen Nederlandse regeerder te verwijten dat de economische toestand niet snel genoeg verbetert,’ legde Colijn uit. Het was dit sentiment waar Tinbergen tegen ageerde.

Midden in de Colijn-depressie had Tinbergen in het Plan van de Arbeid (1935) geopperd om een Centraal Conjunctuurbureau op te richten. Dit economisch bureau moest op basis van wetenschappelijk onderzoek advies geven aan overheid en belangenorganisaties. ‘Objectievere methoden van onderzoek’ zouden er volgens Tinbergen voor zorgen dat dogmatisme een minder grote rol zou gaan spelen in beleidsdiscussies. Dat was broodnodig in een tijd waarin politieke partijen, gevangen in de verzuiling, niet eens dezelfde taal spraken.

Keynes is dood

De eerste CPB-modellen zagen het probleem veelal aan de vraagzijde van de economie. Onderbesteding en overbesteding waren de voornaamste oorzaken van werkloosheid en inflatie. Bij te hoge werkloosheid moest de overheid gas geven, terwijl ze bij te hoge inflatie op de rem moest staan. Het naoorlogse keynesianisme was geboren.

Dit veranderde toen bleek dat de CPB-modellen de combinatie van oplopende inflatie en werkloosheid in de jaren zeventig niet konden verklaren. Waar werkloosheid voorheen met name werd verklaard door bestedingseffecten zou het CPB dit voortaan voornamelijk doen aan de hand van ‘structurele factoren’. Een invloedrijk CPB-onderzoek identificeerde te hoge lonen als de aanstichter van de oplopende werkloosheid in de jaren zeventig. ‘Aanzienlijke loonmatiging in de komende jaren’ was volgens de auteurs nodig om de werkgelegenheid weer op peil te brengen. Loonmatiging werd in het nieuwe CPB-model een recept voor werkgelegenheidsgroei. Het CPB legde daarmee de basis voor het akkoord van Wassenaar (1982), waarin bonden en werkgevers akkoord gingen met loonmatiging in ruil voor werktijdverkorting.

De economische theorieën waar Tinbergen tegen had geageerd kwamen zo, in een nieuw jasje, weer terug in de jaren zeventig en tachtig. De jaren dertig waren vergeten, actieve recessie­bestrijding was een vies woord geworden. En dat is eigenlijk nog steeds het geval. Laten we niet vergeten dat Teulings in 2010 nog vrolijk pleitte voor bezuinigingen en een nieuw akkoord van Wassenaar. Dat is de nodige stappen verwijderd van een actieve crisispolitiek à la Tinbergen.

Tinbergen was dan ook te naïef. Vol van naoorlogs optimisme dacht hij dat CPB-economen, als een soort sociaal ingenieurs, de economische cyclus glad konden strijken. Dat de gereedschapskist van het CPB zo zou veranderen, kon Tinbergen niet bevroeden. De rot zit dan ook dieper dan een politieke benoeming. Het CPB als instituut is al lang het spoor van Tinbergen bijster geraakt.

* * *

Deze column verscheen eerder in de Groene Amsterdammer en op Follow the Money.

De ‘rue des Mises’, Villers-Marmery.

Elk jaar gaan Carola en ik een aantal dagen wandelen. Vorig jaar had het niet mooier kunnen zijn. We liepen van Bazancourt, in de buurt van Reims, naar Chalons-sur-Marne. De leeuweriken zongen. Het koolzaad bloeide. De bijen – nou ja, geen bijen dus, wel veel lege bijenkasten. Het was zonnig maar niet te warm en niet te koud. En we hadden een uurtje nodig om van Beine-Nauroy naar de ‘Voie de la Liberté’ te lopen. Waarbij we een stuk land passeerden waar, bijna honderd jaar geleden en gerekend over een breedte van 40 kilometer, 500.000 jonge mannen waren gesneuveld.

Dat is 12 per strekkende meter.

En in dienst van de staat.

‘s-Avonds doezelde ik weg op de camping in Val-de-Vesle. En schrok op van het krassen van de eksters. Ik zweer het je: nergens krassen de eksters zo staccato als in Val-de-Vesle, nu nog, honderd jaar later.

De volgende dag liepen we door het  volstrekt onopmerkelijke plaatsje Villers-Marmery – ware het niet dat er bij schuren en wijngaarden overal bordjes met namen als ‘Henessy’ en ‘Veuve Cliquot’  stonden. En juist daar stond ook dat bordje: ‘Rue des Mises’.

Figuur 1. De ‘killing fields’ bij Reims, waar honderd jaar geleden 500.000 jonge mannen sneuvelden. Op de achtergrond de ‘Montagne de Reims’, waar koningen en generaals vanuit de ‘Moulin du Reims’ met de modernste optische middelen de slachterij konden volgen.

003

Echt, te vinden op Google Maps. Gezien het meervoud was deze weg natuurlijk niet vernoemd naar de bekende Oostenrijkse econoom Ludwig von Mises. Maar het doet je stil staan bij waar de  haat en negativiteit van veel economen, zoals Mises en ook Friedrich von Hayek, tegen de staat vandaan komt. Ik begrijp die aversie. Ze werden volwassen tijdens een wrede, zinloze, industriële oorlog. Een oorlog waarin het afmaken van je tegenstander geen handwerk meer was – maar hoogtechnologische massaproductie. Een oorlog waarin de leiders de grondstof hiervoor maar al te graag naar het front stuurden. Een oorlog die een eind maakte aan het geprivilegieerde bestaan van mensen als Hayek en Mises als leden van de elite van een autocratische, supra-nationale staat, Oostenrijk-Hongarije, met markten – inclusief arbeidsmarkten – waar de overheid zich niet mee bemoeide. Die wereld was verdwenen, door de oorlog. Mede door de democratisering na de oorlog. Ook in het overwinnende Engeland – lees het eerste deel van de autobiografie van Churchill. Hayek schrapte zelfs het adellijke ‘von’ uit zijn naam. Het hele werk van Hayek en Mises van na de eerste wereldoorlog valt inhoudelijk te begrijpen als een poging de situatie van hun jeugd te herstellen. Terug naar de elites. Minder democratie. Werkloosheid lost zich ‘vanzelf’ wel op. Meer macht voor de eigenaars. Geen staatsschulden, dus de uitkeringen moeten omlaag. Waar hebben we dat, de laatste jaren, toch vaker gehoord?

De staat is, ontegenzeggelijk, gevaarlijk. Maar misschien is juist dat het belangrijkste argument voor democratie en een hoge staatsschuld.

 

Schulden, aflossen en het Friedman/Fisher probleem met de geldvoorraad

I know of no severe depression, in any country or any time, that was not accompanied by a sharp decline in the stock of money and equally of no sharp decline in the stock of money that was not accompanied by a severe depression.”

Milton Friedman

Leeswijzer: bevindt Nederland zich in een situatie van schulddeflatie? Als u daarin geïnteresseerd bent, lees dan enkel de laatste paragraaf. De rest is theorie.

1. Geld speelt een rol. De bekende libertaire econoom Milton Friedman is vooral beroemd vanwege zijn werk met Anna Schwartz, over de geschiedenis van het geld in de VS. Uit dit werk wordt duidelijk dat de crisis van de jaren dertig gepaard ging met een sterke afname van de geldhoeveelheid. Dit was, zoals uit het citaat hierboven blijkt, geen unieke situatie. Deze situatie is zelfs kenmerkend voor economische crises in systemen die werken met ‘fiduciar geld’, zoals het onze. Dit werkt nog steeds zo. De geldhoeveelheid in bijvoorbeeld Ierland en Griekenland is de afgelopen jaren sterk afgenomen. En dan hebben we het over percentages van rond de 30%, ongeveer net zoveel als de afname van de geldhoeveelheid in de VS, tijdens (daar istie weer) de Grote Depressie. De vraag is hoe dit veroorzaakt werd en in hoeverre dit een rol speelde bij het extreme karakter van de Grote Depressie. Friedman zelf stelde dat het de centrale bank was die deze daling veroorzaakte: “The Federal Reserve definitely caused the Great Depression by contracting the amount of money in circulation by one-third from 1929 to 1933“. Als de centrale bank beleid zou voeren middels een lage rente dan zou er min of meer vanzelf weer meer geld in de economie zou komen en dan was het probleem grotendeels voorbij. Niet iedereen was en is dat met hem eens. Irving Fisher keek daar destijds met goede reden op een andere manier tegenaan. Hij bekeek dit namelijk, anders dan Friedman die eigenlijk enkel een soort ‘enkelvoudige’ boekhouding hanteerde, vanuit het in een macroperspectief correcte systeem van ‘viervoudige boekhouding’. Overigens bleek recentelijk dat de stijging van de geldhoeveelheid in de VS na 1933 vooral veroorzaakt werd door extra leningen en bestedingen van de overheid, maar dat terzijde. Om dit alles uit te leggen moeten we eerst ingaan op wat geld is.

2. Wat is geld? De vraag lijkt simpel – maar over het antwoord zijn boeken vol geschreven. Dat komt omdat de rol van geld van het ene op het andere manier kan veranderen – en omdat er verschillende waardepapieren zijn die in meerdere of mindere en veranderende mate ‘geldachtig’ zijn.  Momenteel is er bijvoorbeeld een sterke stroom waarneembaar van langere termijn spaartegoeden naar betaalrekeningen en contant geld, in de EZ. Maar dit is nog geen antwoord op de vraag. De vraag is: “wat stroom er”? En het antwoord hierop is, in ons geldsysteem, duidelijk. Het zijn eenheden bankkrediet. Die door de staat worden geaccepteerd als middel om uw belastingschuld te betalen. En die door organisaties en bedrijven geaccepteerd worden als betaalmiddel – als middel om schulden te delgen. Zoals een rekening bij de tandarts, of collegegeld. Of een betaling in de winkel (zeer kortstondige schuld, maar toch). Dit bankkrediet ontstaat doordat iemand leent, bij de bank. U sluit een hypotheek af, voor 200.000,–, en de bank creëert dat geld, uit het niets. Of nou ja, niet helemaal uit het niets. Het wordt geschapen op basis van uw belofte terug te betalen en de veronderstelde toekomstige executiewaarde van het huis dat u ermee wil kopen. En op basis van de belofte van de overheid dat dit geld gebruikt kan worden voor belastingbetalingen. En op basis van de door de overheid uitgegeven bankvergunning: niet alle financiële instellingen mogen namelijk op deze manier geld scheppen. Geld is dus krediet, van de bank, met overheidsgarantie. Dat, belangrijk, allerwegen geaccepteerd wordt als betaalmiddel.

3. Het idee van geldschepping staat ook centraal in het meten van de geldhoeveelheid, zoals de ECB dat doet. Het bovenstaande idee is geen revolutionair, opwindend, kritisch, heterodox dilettantenidee. Integendeel. Het is een saai en nogal ingewikkeld geoperationaliseerd idee dat de ‘bean counters’, de oftewel de cententellers (beeldspraak in het Nederlands is vaak commerciëler van aard dan in het engels, vanwege onze langere commerciële geschiedenis) van de ECB nodig hebben om de geldhoeveelheid te meten, waarbij de complexiteit nog groter wordt omdat het ook nog gekoppeld is aan de boekhoudkundige indelingen van de nationale rekeningen. Wat, terzijde, betekent dat we een in principe compleet geoperationaliseerd en gemeten systeem van zowel de monetaire als de reële stromen en voorraden van de economie hebben. Elke maand publiceert de ECB als onderdeel daarvan een voorraadstatistiek van de geldhoeveelheid, met de netto geldstromen die de voorraad deden veranderen. Die monetaire statistiek is in hoge mate gebaseerd op het idee zoals dat hierboven is weergegeven. Voor meer achtergrond hierover: kijk hier. En maand op maand op maand maakt de ECB bekend dat de maatschappelijke geldhoeveelheid momenteel erg langzaam stijgt – het groeitempo is met afstand het laagste van de laatste 34 jaar (zie de link). Die ‘M-3’ geldhoeveelheid is gebaseerd op een duidelijke definitie. Contant geld hoort erbij, net zo goed als geld dat minder dan twee jaar vast staat op spaarrekeningen. Geld dat langer vaststaat wordt echter niet meer bij deze ‘maatschappelijke geldhoeveelheid’ gerekend. Uit deze statistiek wordt onder andere duidelijk dat de maatschappelijke geldhoeveelheid voor een zeer aanzienlijk deel gebaseerd is op verstrekt hypothecair krediet zowel als op krediet aan bedrijven. Ongeveer de helft van het totaal van de maatschappelijke geldhoeveelheid  plus het ‘financiële kapitaal’ (geld dat onder andere is vastgelegd in lagere termijn spaartegoeden) is gebaseerd op deze twee vormen van krediet.

4. Wat gebeurt er met de geldhoeveelheid als mensen en bedrijven leningen gaan terugbetalen? Lenen leidt tot geldcreatie – en afbetalen leidt dus tot gelddestructie. Althans, als u bij een geldscheppende bank afbetaalt. Dat is die daling van de geldhoeveelheid van Friedman. In Ierland en Griekenland ligt het anders – daar stroomt het geld ook weg. Wat het probleem erger maakt, want bij afbetaling verdwijnt er niet alleen geld maar ook schulden – anders dan bij wegstromen van het geld. Als u van een pensioenfonds geleend heeft dan blijft dat geld echter bestaan wanneer u aflost. Het betrof namelijk geen nieuw geschapen geld maar aan het fonds overgedragen besparingen. En het fonds zal dit zo snel mogelijk opnieuw beleggen. Actief. Als u bij een geldscheppende bank een lening afbetaald dan is dit anders. De lening wordt afgeboekt – en het geld verdwijnt, ‘into thin air’. De bank zal, normaliter, de nu weer betere kapitaalratio gebruiken als basis om nieuw geld uit te lenen. Enigermate passief, want er moet wel vraag zijn. Maar dat ligt nu, door onzekerheid, druk om de kapitaalratio’s te verhogen en nog een aantal redenen wat moeilijker. Het geld verdwijnt dus gewoon, er komt geen nieuw geld/krediet voor in de plaats.

5. Het verschil tussen de ‘enkelvoudige’ boekhouding van Milton Friedman’s en en het ‘viervoudige boekhouden’ van Irving Fisher. En dit is het punt waarop Friedman de mist in ging. Hij zag de geldhoeveelheid als bepaald door de centrale bank. Quod non. De geldhoeveelheid wordt niet bepaald door de centrale bank maar door de private sector, de centrale bank kan alleen maar proberen daar invloed op uit te oefenen – maar kan zelf geen geld scheppen (wel bankreserves, maar die komen, overdrachtelijk, het gebouw van de ECB niet uit. Je kunt er nog geen brood mee kopen). En bij die geldcreatie spelen de (verwachtingen over) de balansposten van de private sectoren (activa en passiva van lener en uitlener, vier posten dus) een cruciale rol. Dat zag Irving Fisher uitstekend. Hij stelde, redenerend vanuit die balansposten, dat in een situatie als die van de Grote Depressie aflossen omdat je ‘onder water staat’ tot een zichzelf versterkend neerwaarts proces kon leiden, waarbij de aflossingen via prijseffecten niet zozeer tot een daling van het waterpeil (de schuld) als wel tot het dieper wegzakken in het slik van de schuldenaren leidt.

En een lage rente leidt in zo’n situatie niet ‘automatisch’ tot meer leningen en meer geld.

Ik heb de m.i. correcte Wikipedia-samenvatting (01/05/2012) hier weergegeven, met mijn commentaar erbij over onze huidige situatie.

According to Fisher, the bursting of the credit bubble unleashes a series of effects that have serious negative impact on the real economy:

1. Debt liquidation and distress selling. Het terughalen van leningen uit Zuid Europa door banken en het vooral in Spanje uit huis zetten van eigenaren (terwijl er ongeveer 1 miljoen huizen leeg staan)
2. Contraction of the money supply as bank loans are paid off. Bedrijven betalen momenteel netto leningen af, zie de ECB statistiek
3. A fall in the level of asset prices. Woningprijzen dalen sterk, in veel EZ landen
4. A still greater fall in the net worth of businesses, precipitating bankruptcies. Momenteel vooral bij de banken het geval, zie echter ook het zeer grote aantal faillissementen
5. A fall in profits. Nog niet overal aan de gang
6. A reduction in output, in trade and in employment. Buiten Duitsland overal het geval
7. Pessimism and loss of confidence. Het uiteenvallen van de Euro wordt gezien als een reële mogelijkheid
8. Hoarding of money. Zie boven, over de vlucht in liquiditeit.
9. A fall in nominal interest rates and a rise in deflation-adjusted interest rates. In ieder geval de consumentenprijsinflatie is het afgelopen jaar veel sterker gedaald dan de ECB-beleidsrente, hetzelfde geldt voor de BBP-inflatie en de rente gedurende de afgelopen vijf jaar

 

De diagnose lijkt duidelijk. Aflossen van leningen aan geldscheppende banken is dus niet alleen problematisch omdat het de bestedingen tijdelijk direct onder druk zet – maar ook omdat de geldvoorraad zelf daalt, wat een langere termijn negatief effect op de bestedingen heeft. En dat is dus wat nu ook aan de hand is. De vraag is: hoe houden we de geldvoorraad op peil, in de Eurozone en vooral ook in de individuele landen van de Eurozone. Voor een diepgravende recente analyse van deze situatie (hoewel de fragmentatie van de EZ nog te weinig aandacht krijgt)  wordt u verwezen naar Koo, die stelt dat alleen de overheid hiertoe in staat is.

 

Page 21 of 108« First...10...1920212223...304050...Last »
top