search
top

Leve het BBP (of eigenlijk: de nationale rekeningen)

Het concept van het BBP (het Bruto Binnenlands Product) ligt onder vuur. Er is zelfs een parlementaire commissie die het onder de loep gaat nemen: is het wel een meting van ons welzijn, ons geluk of zelfs onze welvaart? Dat deze commissie dat nu gaat doen is merkwaardig: ze zijn erg laat. Eurostat publiceert al lang brede, multidimensionale maatstaven van welvaart en welzijn, die grotendeels gebaseerd zijn om het (althans buiten Nederland) bekende rapport over welvaarts- en welzijnsstatistieken van Sen, Fitoussi en Stiglitz. Het gaat dan bijvoorbeeld om ‘resource efficiency‘: gaan we wel zuinig om met onze grondstoffen (sinds het ineenzakken van de uiterst smerige bouwnijverheid na 2008: een stuk zuiniger!)? Of om statistieken over armoede (fors toegenomen in Griekenland en Spanje!).  Of om de multidimensonale meting van de kwaliteit van het leven. Enzovoorts. Ook het antwoord op de vraag van de commissie is duidelijk: het BBP is géén meting van ons welzijn of geluk. Maar moet het daarom worden afgeschaft. Laten we voordat we die vraag beantwoorden eerst kijken wat het wel is. En dan blijkt het BBP een soort émergent variable’ te zijn, deel van een groter geheel. En om het BBP naar waarde te schatten zullen we eerst dat grotere geheel, de nationale rekeningen, moeten begrijpen. Daarover hieronder meer. Terzijde: Henk de Vos wijst ons op een directere psychologische meting van ‘floreren’. Ik weet daar te weinig van om een oordeel te geven maar wil wel opmerken dat ook dit, net als de bovengenoemde Eurostat statistieken, een multidimensionale meting is. Wat wellicht samenhangt met het ‘vat vol tegenstrijdigheden’ in ons hoofd, dat zich hardnekkig onttrekt aan de utilitaristische eendimensionale pijn-plezier maatstaf waar veel economen zo dol op zijn.

Waar het om gaat: veel van de bovengenoemde welzijns- en milieugerichte statistieken blijken sterk samen te hangen met de nationale rekeningen of althans: met de ontwikkelingen van variabelen die met behulp van de nationale rekeningen consistent en coherent in beeld worden gebracht. De gegevens voor ‘resource efficiency’ komen 100% uit deze rekeningen, inclusief de relatie met de bouwnijverheid die via input-output analyse kan worden gelegd. Armoede blijkt sterk samen te hangen met werkloosheid (Spanje, Griekenland…) – een variabele die gemeten wordt, samen met gegevens over de werkgelegenheid en de beroepsbevolking gebruik makend van het kader van de nationale rekeningen. En ook een deel van de ‘kwaliteit van het leven’ statistieken zijn direct of indirect op de nationale rekeningen gebaseerd.

En ja, het BBP is onderdeel van deze rekeningen. Een cruciaal onderdeel zelfs. maar juist dat geeft aan dat we er niet vnaaf kunnen. Het BBP is heel wat minder willekeurig afgebakend dan vaak wordt verondersteld. Deels is dat omdat de monetaire economie, vanwege de aard van ons geld, een kringloop is. Het BBP is daarbij het driedimensionale kruispunt tussen inkomen, bestedingen en productie. Waarbij de moderne nationale rekeningen ook rekening houden met toeneming/afneming van schulden en vermogen en de aankoop van financiële papieren. Je kunt het BBP niet willekeurig aanpassen zonder in de problemen te komen met dat driedimensionale puzzeltje. De stukken moeten met elkaar kloppen. Een voorbeeld: onbetaalde arbeid van huisvrouwen en -mannen wordt niet meegenomen in het BBP – om de simpele reden dat deze arbeid niet betaald is. Dat is een keuze. Je kunt de andere keuze maken. Maar dan moet je niet alleen de productiemaatstaf ophogen maar ook de inkomensmaatstaf en de bestedingsmaatstaf. Wat betekent dat als ik een taart bak dit tegen een kunstmatige prijs moet worden gewaardeerd waarbij we ook een kunstmatige bestedingsstroom van de rest van het huishouden (of van de buren, als die op bezoek zijn) moeten imputeren in de reeksen. Zucht. Wat niet betekent dat huishoudelijke arbeid niet van belang is. Overigens wordt de kapitaalcomponent van huishoudelijke arbeid, de monetaire waarde van woondiensten van woningen, wel meegenomen in de rekeningen, inclusief een aantal toerekeningen voor ‘eigen woningen’.

Er zijn dus redenen om huishoudelijke arbeid niet mee te meten. Wat niet betekent dat het niet belangrijk is. Sterker nog: ik ben het geheel met Dr. Phil eens dat dit de belangrijkste arbeid is die er is. Ik heb dat zelfs gemeten. Wat bleek: Een eeuw geleden kon je beter een arme boreling in een koud, smerig en vochtig huisje zijn die borstvoeding kreeg dan een rijke boreling in een droog, schoon, warm huis die kunstvoeding kreeg. De eerste categorie had veel hogere kansen om te overleven. En was dus kennelijk gezonder – wat ook voor de rest van het leven van deze kinderen betekende dat ze, gemiddeld, sterker en gezonder zouden zijn dan de rijke kinderen die kunstvoeding hadden gehad. Zo werkt dat, bij mensen. Een slecht begin wordt nooit meer helemaal goedgemaakt (en dat begin vindt al plaats in de baarmoeder).

Waar het hier om gaat: ik heb dat alles in beeld gebracht op het fundament van metingen in het kader van een nationale rekeningen project. Waarbij ik koeienmelk overigens wel als productie heb gemeten, maar moedermelk niet. Dit leverde op dat er tot ongeveer 1880, een relatie was tussen de hoeveelheid voeding en de gezondheid. Na 1880 wordt dit verband minder. En na 1895 is het zelfs helemaal weg: de hoeveelheid voeding blijft gelijk. Desondanks verbetert de gezondheid van de Nederlanders dramatisch en daalt de zuigelingensterfte met sprongen. Wat, volgens mij, te maken had met de hogere reële lonen, die het mogelijk maakte dat veel vrouwen met zuigelingen in deze tijd van snelle verstedelijking en industrialisatie niet meer buitenshuis hoefden te werken – en dus borstvoeding konden geven (voor de counterfactual kunnen we naar Tilburg kijken, waar een late industrialisatie, lage lonen en grote armoede in deze periode juist tot meer buitenshuis werkende vrouwen en – in grote tegenstelling tot de rest van Nederland – tot een hogere zuigelingensterfte leidde). Lang verhaal kort: bent u nou echt van mening dat ik die moedermelk in geld had moeten omrekenen omdat dat een betere analyse mogelijk had gemaakt? Of is juist het niet omrekenen van moedermelk de juiste keuze, omdat dit een zuiverder afbakening tussen de monetaire en de niet-monetaire sector mogelijk maakt?! Niet helemaal terzijde: in een iets eerdere periode werd er vaak een min betaald, door rijke mensen, die een boreling borstvoeding gaf. In dat moet het inkomen van de min wel moeten worden meegerekend in de nationale rekeningen!

Een groot aantal van de gegevens die ik hierboven heb genoemd zijn direct ontleend aan het nationale rekeningen project voor de negentiende eeuw. De gegevens over de voeding van de Nederlander zijn grotendeels ontleend aan de voedsel en voerbalansen die ikzelf voor Nederland gemaakt heb in verband met mijn schatting van de landbouwproductie (zie de eerste link voor details). Denk daarbij ook aan de import en exportgegevens, standaard onderdeel van de nationale rekeningen. Gegevens over de reële lonen zijn ook afkomstig uit dat project. Hetzelfde kan gezegd worden over gegevens over de arbeidsmarkt (werkloosheid!) en investeringen, die het ons mogelijk maken te zeggen dat er een hoge groei plaats vond. Of voor de gegevens over het consumentenprijsniveau, nodig om de reële lonen te bepalen, dan wel het aandeel van voeding in de consumentenbestedingen. Een goede analyse van de ‘echte’ welvaart is kennelijk zeer gebaat bij dit soort gegevens!

De gegevens van de nationale rekeningen zijn dus van groot belang om ons welzijn en zelfs de kwaliteit van leven in beeld te brengen. En het bijzondere van die nationale rekeningen is dat productie, inkomen en bestedingen samen blijken te hangen, een samenhang die in beeld gebracht kan worden – via het BBP. Dat is de grote waarde van het BBP. Dat geeft aan dat je niet ‘ongestraft’ de inkomens of de bestedingen kunt verlagen, dit soort verlagingen heeft noodzakelijkerwijs repercussies, dan wel op de omvang dan wel op de samenstelling van de bestedingen en de productie en de inkomens. Griekenland is hiervan een voorbeeld. Er zijn geen andere ‘westerse’ landen bekend waar dusdanig is bezuinigd op de overheidsuitgaven (waarbij ik een verschuiving van overheidsuitgaven naar balanssteun voor banken ook als bezuiniging opvat, dit zijn namelijk geen bestedingen in de zin van het BBP en zulke verschuivingen leiden dus tot minder productie en inkomen (oeps, daar is die vermaledijde variabele weer)).

Al met al: het BBP meet niet of we gelukkig zijn. Of dat we met respect behandeld worden. Maar de nationale rekeningen geven wel een systematisch en coherent overzicht van de kringloop van bestedingen, inkomen en productie en dat zowel in nominale als in direct fysieke zin, inclusief gegevens over werkgelegenheid, werkloosheid zowel als schulden en vermogen. Wat de belangrijkste na-oorlogse prestatie van de macro-economie is. En vertel mij niet dat inkomen en werk en de verdeling daarvan niet belangrijk is. De 25%+ werkloosheid in Griekenland en (tot voor kort) Spanje (en als je goed naar de gegevens van brede werkloosheid, gemeten in het kader van het systeem van de nationale rekeningen kijkt: Italië) – een drama. Dat onder meer wordt gemeten via die nationale rekeningen. En zelfs via de ontwikkeling van het BBP: -25% of zo in Griekenland.  Maar ik geef het toe – de keuze voor nationale rekeningen is natuurlijk subjectief. De ECB heeft bijvoorbeeld een tijdlang, onder Trichet, een andere normatieve keuze gemaakt en vooral naar Eurozone-gegevens gekeken, en veel minder naar nationale gegevens. Maar of dat, achteraf, nou zo verstandig was…

Al met al: de commissie is opmerkelijk laat. En het BBP is wel degelijk belangrijk. Maar het is geen ééndimensionale variabele die een of andere zinloze monetaire pijn-plezier variabele in beeld brengt. Juist niet. Daar moet het dus niet om bekritiseerd worden.

Een ernstig geval van economisme: het marktfundamentalisme van de moderne macro-modellen

Is de kritiek op ‘economisme’ juist. Ehm… nee. De kritiek gaat niet ver genoeg. Het is met die economen erger dan u denkt. Neoklassieke macro-economische modellen veronachtzamen, onder andere, de overheidsproductie. Denk aan de diensten die wegen opleveren. Of aan grote delen van ons onderwijs en de gezondheidszorg. Alleen ‘marktproductie’ is, volgens deze modellen, ‘nuttig’ en dus waardevol. Een privé betaalde verpleegster? Waardevol! Een door de overheid betaalde verpleegster? Verspilling. Althans, volgens deze modellen.  Er valt te debatteren over de vraag of er niet meer privé-onderwijs moet komen in Nederland. Denk aan de LOI en dergelijke bedrijven. Maar het idee dat overheidsproductie niets van waarde toevoegt aan onze maatschappij – en dat is waar de modellen vanuit gaan, zie beneden – is bizar.

Ik moet in een blogpost zoals deze natuurlijk stellen dat ik dol ben op bedrijven. En ik kom ook bij veel bedrijven. Doezoo in Leens? Fenomenaal! Het weet als minidierentuin, ver van Jan en Alleman gelegen, op 300 vierkante meter bedrijfsruimte 40.000 bezoekers per jaar te trekken die ook nog eens allemaal enthousiast zijn (en, schatting, ongeveer 12,– per persoon uitgeven). Artis kan er een puntje aan zuigen. Het dressuurpaardentrainingsbedrijf van Matty Marissink, die op haar zeventiende begon in de paardenhandel? Fantastisch. Melkveehouder Anton Stokman met zijn hypermoderne VrijeKeuzeStal in Koudum? De toekomst! Let wel: ik ken al deze bedrijven, dit zijn geen gratuite opmerkingen. En de dynamiek van dit soort bedrijven vertaalt zich in de dynamiek van markten. Geweldig! Op deze ochtend, 5 september 2015, kun je voor 74,99 een Nokia Lumia 530 kopen bij de ALDI, supertechnologie vervaardigd oor bedrijven en verkocht op markten, waarbij de GPS technologie die in dit soort wondertjes verwerkt is natuurlijk ook gebruik maakt van techniek vervaardigd door de particuliere sector. Leve de markt! Toch?

Of: toch niet? Wacht even – die GPS satellieten, die zijn toch van de overheid? En de techniek die daarin gebruikt wordt (inclusief de relativiteitsformules van Einstein – ze gaan zo snel dat de Newtoniaanse formules niet nauwkeurig genoeg zijn) dat is toch ook grotendeels publiek bezit?

Inderdaad. Vergelijkbare opmerkingen kunnen worden gemaakt voor de wegen waarover de ALDI-vrachtwagens denderen, die U wellicht gebruikt om naar Doezoo te gaan en die door Matty Marissink worden gebruikt als ze, in Nederland of Duitsland, op zoek is naar jonge, talentvolle paarden. Overheidsproductie en marktproductie zijn vaak complementair.

Natuurlijk is dit niets nieuws. Maar: het zit niet in de neoklassieke macro-economische modellen. Voor wie het niet gelooft: Yasahura Iwate publiceerde in 2012 een (neoklassiek) model waarin hij, expliciet in afwijking van de standaardaanname dat overheidsbestedingen per definitie ‘wasteful’zijn, ervan uit gaat dat overheidsbestedingen (onderwijs…) nuttig kunnen zijn: Non-Wasteful Government Spending in an Estimated Open Economy DSGE Model:Two Fiscal Policy Puzzles Revisited . Nikolai Stähler and Carlos Thomas publiceerden in 2011 een paper met de titel FIMOD – A DSGE MODEL FOR FISCAL POLICY SIMULATIONS waarin ze, expliciet in afwijking van de standaardaanname, ervan uitgaan dat overheidsinvesteringen (dijken, wegen…) niet alleen op de korte termijn de werkgelegenheid opkrikken maar ook nog eens nuttig kunnen zijn… Onze eigen Joan Muysken, Tom van Veen en Stefan Kühn publiceerden in 2010 een artikel in het blad Metroeconomica met als titel: THE ADVERSE EFFECT OF GOVERNMENT SPENDING ON PRIVATE CONSUMPTION IN NEW KEYNESIAN MODELS. Uit de samenvatting:

Empirical evidence shows that government spending crowds in private consumption, a Keynesian phenomenon. The current, state of the art, New Keynesian models based on optimizing households and firms are not able to predict such a result. In this paper, we critically analyse fiscal policy in these models using a graphical framework as well as a formal model. Extensions aimed at generating crowding in, like useful government spending or rule of thumb consumers, turn out to be inappropriate. We argue that introducing productivity enhancing government spending could potentially lead to crowding in.”

Vertaald: “omdat overheidsuitgaven in de neoklassieke ‘Nieuw Keynesiaanse’ modellen per definitie een verspilling zijn leiden ze, modelmatig, tot lagere particuliere consumptie. Empirisch zien we dat niet. Wanneer je aanneemt dat het aanleggen van wegen of het geven van onderwijs de productiviteit kan doen toenemen dan kunnen de modellen wel verklaren waarom het aanleggen van wegen gepaard kan gaan met het kopen van spotgoedkope smartphones door de consument“. Gezond verstand? Natuurlijk. Maar ook een afwijking van het gangbare modelmatige denken van economen.

En er is meer. Economische statistici hebben binnen de nationale rekeningen het begrip ‘overheidsconsumptie’ ontwikkeld: het door huishoudens consumeren van door de overheid geproduceerde diensten. Omdat de grens tussen marktproductie en overheidsproductie in elk land weer anders (in Estland is het ophalen van vuilnis een marktactiviteit, bij ons is het een publieke activiteit) heeft dit de statistici van Eurostat genoopt tot het ontwikkelen van het begrip Actual Individual Consumption, waarbij hiervoor wordt gecorrigeerd.

Maar volgens de neoklassieke macro-econmische modellen is dit dus allemaal onzin. Wat door de overheid wordt geproduceerd is verspilling van tijd, geld en middelen. Per definitie. Weg met die dijken! Leve het New Orleans van voor Katrina! Of, om het nationaal te houden, het Friesland van voor 1533, toen, na de zoveelste vreselijke overstroming, de Habsburgse overheid ingreep, de eisen die aan de dijken werden gesteld opschroefde (ze werden gelijk gesteld aan de eisen van de dijken van Het Bildt dat in 1505 was ingepolderd, overigens privé gefinancierd en uitgevoerd door een familie van projectontwikkelaars) en waarbij, vooral, de financiering van de dijken werd geregeld. Waarmee we bij een constante in de Nederlandse geschiedenis zijn: in de loop van de eeuwen werden (na elke grote overstroming) de eisen die aan de dijken gesteld werden steeds strengen terwijl de financiering van de dijken op een politiek steeds hoger niveau kwam te liggen. Zonder die dijken zou ons land niet eens bestaan – een volgens de gangbare economische macro-modellen nutsmaximerende oplossing….. Serieus!

Maar gelukkig zijn er dus alternatieven. De alternatieve modellen en statistieken die in de tekst genoemd zijn gaan nog steeds uit van prijzen. En van de stroom van uitgaven. In die zin vallen ze nog steeds binnen het economistische kader. Dat mijn mooiste fietstocht in Friesland dit jaar was toen ik langs de buitenkant van de deltadijk van iets boven Harlingen naar Holwerd fietste zit er niet in – het gaat bij zo’n fietstocht niet om de stroom van de uitgaven maar om het gebruik van een duurzaam consumptiegoed (de fiets). Ook daar plakken economen een prijs op – een zogeheten schaduwprijs. Maar dat zijn, vind ik, geen echte prijzen. Echte prijzen zijn gekoppeld aan transacties en zijn, belangrijk, bekend voordat de transactie plaats vindt. En schaduwprijzen – voor zover ze al bestaan, want dat is vaak niet zo – zijn meestal niet vooraf bekend. Maar daarmee komen we pas echt in de discussie over ‘economisme’ terecht. Hier wil ik alleen stellen dat gezien het bestaan van alternatieven zelfs binnen het economistische kader met een te beperkt prijs-, consumptie- en productiebegrip wordt gewerkt. Althans: in de neoklassieke economie.

Terzijde – markten hebben ook hun opmerkelijke kanten. Een dressuurpaard opleiden betekent dat er drie jaar lang elke dag een uur gereden moet worden. Dat is duur. En één van de klanten van een ander dressuurpaardentrainingsbedrijf kwam dus met twee auto’s. Een auto met chauffeur en mevrouw. En een auto met de nanny en de kinderen. Zelfs dynamische markten zijn dynamisch binnen een maatschappelijke context – en de uitkomsten moeten daarmee rekening houdend beoordeeld worden.

Dijsselbloem: maak zwakke Griekse staat nog zwakker!

Heeft Jeroen Dijsselbloem als voorzitter van de Eurogroep een krachtige bijdrage geleverd aan het proces dat er al meer dan honderd jaar lang toe bijdraagt dat Griekenland een zwakke staat heeft? Een staat die gewantrouwd wordt door de bevolking en waarbij dit proces er ook toe geleid heeft dat er, in alle lage en gremia van de Griekse bevolking een ‘plunder de staat’ mentaliteit is ontstaan?

Griekenland heeft al lange tijd problemen met de schulden van de overheid. Keer op keer heeft dit er toe geleid dat de Griekse staat gedwongen werd de belangen van de crediteuren prioriteit te geven boven die van de Griekse bevolking of de Griekse staat. Wat er uiteraard niet toe heeft bijgedragen dat men positief tegen de staat aankijkt – sterker, het kan met dit proces te maken hebben dat ook Griekse belangengroepen – de oligarchen en scheepsmagnaten, die ten dele zelfs in de grondwet vastgelegde belastingvrijstellingen hebben, een deel van de vakbonden – een ‘plunder de staat’ mentaliteit hadden. Lenen om belastingvrijstellingen te financieren of de lonen 15% te verhogen (zie ook hier, p. 3, 2007 Q2)? Geen probleem. En zo ook Dijsselbloem: een staat dwingen te lenen om de rente op oude leningen te kunnen betalen terwijl een ieder weet dat de leningen nu al onhoudbaar zijn? Geen probleem. Dijsselbloem is deel van het probleem. En geen deel van de oplossing.

Dit gedrag van de crediteuren heeft, na 2007 (toen de lonen scherp verlaagd werden) uiteraard geleid tot de diepste economische crisis in een ‘westers’ land van na de Tweede Wereldoorlog – zie de genoemde bron voor de lengt een diepte van die crisis. Willen we ooit wat met die Grieken dan zal het land een sterke staat nodig hebben, die gedragen wordt door de bevolking. De huidige farce van bankensluitingen en dergelijke draagt daar uiteraard niet aan bij.

Notities bij ‘Waarom de Nederlandse huizenzeepbel geen zeepbel mag heten’

Ewoud Engelen heeft een mooi stuk geschreven over de angstwekkende pogingen van een deel van het Nederlandse bankwezen om het leencircus weer in gang te trekken. Voor alle duidelijkheid: ik ben niet tegen lenen en niet tegen schulden. Krediet is zelfs het levensbloed van de handel! Maar ik ben wel tegen teveel van het goede. En zeker als dat goede eigenlijk slecht is: leningen en schulden niet dienen om de handel te bevorderen of om investeringen te financieren maar slechts om bestaande woningen, of aandelen, aan te schaffen. Daarom hieronder een aantal bronnen die aangeven dat Ewoud Engelen gelijk heeft – en dat er momenteel teveel is van het slechte.

Laten we in dit bronnenoverzicht beginnen bij De Nederlandse Bank, die elke maand weer laat zien dat de Nederlandse huishoudens nauwelijks hebben afgelost van de hoogste hypotheekschuld per hoofd van de bevolking ter wereld. Engelen heeft dus een punt als hij stelt dat er sinds 2008 geen spat gedaan is om deze situatie te verbeteren (integendeel: de schulden zijn na 2008 nog verder gestegen). Grafiekje:

Hypotheekschulden

Na De Nederlandsche Bank de Bank of England, de Engelse centrale bank. Deze heeft onlangs een studie uitgebracht die – wat overigens niets nieuws is, het is bijvoorbeeld de methodische basis van de geldstatistiek – het in moderne westerse landen niet de overheid is die geld schept – maar dat 97% van het geld geschapen wordt door de private banken, als ze geld uitlenen (waar ze natuurlijk wel iemand voor nodig hebben die wil lenen). Engelen heeft dus een punt als hij klaagt over het wat al te makkelijk verdiende rente-inkomen van de banken (dat nog makkelijker wordt verdiend wanneer de ECB de rente verlaagt – dit is niet de rente die u betaalt, maar de rente die de banken betalen als ze bij de ECB lenen!). Overigens krijg je dus wel een probleem als al die hypotheken worden afgelost – dan verdwijnt er ook veel geld uit de economie!

Economieboeken geven altijd de indruk dat banken vooral geld uitlenen voor productieve investeringen. FOUT! Ze lenen vooral geld uit aan mensen die een huisje willen kopen. Citaat: “The Global Crisis prompted Lord Adair Turner to ask if the growth of the financial sector has been socially useful, catalysing an ongoing debate. This column turns to economic history to investigate whether the financial sector is too big. New long-run, disaggregated data on banks’ balance sheets show that mortgage lending by banks has been the driving force behind the financialisation of advanced economies. Real estate lending booms are chiefly responsible for financial crises and weak recoveries.” Engelen heeft dus een punt als hij stelt dat we voorzichtig moeten zijn met de hefboomfactor (Nederlands voor ‘leveraging’) wanneer we met hypothecaire leningen aan de gang zijn en al helemaal met negatieve hefbomen… Giftig spul!

Hyptheekverstrekking hoeft niet slecht te zijn. Het kan verantwoord. Jesse Frederik laat zien dat de huizenzeepbel rond 1980 pas goed op gang kwam nadat de kredietverstrekking was gedereguleerd. Kennelijk kun je niet op de banken zelf rekenen, als je ze op het spek bindt (duhhh…). Engelen heeft dus een punt als hij stelt dat er eerder meer dan minder restricties moeten komen. Terzijde: omdat de inflatie toen wat hoger was dan nu was het voor huishoudens na enkele jaren veel eenvoudiger om van restschulden af te komen dan nu. omdat de inkomens stegen.

Waarbij het opmerkelijk is dat zaken als deregulering van het uitlenen van geld of Minsky momenten niet in de door hem genoemde modellen van de Nederlandse woningmarkt zitten. Engelen heeft dus een punt als hij deze modellen dist.

Overigens is mijn idee dat ook een 90% LTV ratio (de relatie tussen de waarde van een huis en de woning) niet voldoende is om de hypotheekmarkt te reguleren. Ook dan is er nog een positieve feedback tussen woningprijzen en het te lenen bedrag, terwijl dit een negatieve feedback moet worden. Volgens de BIS is het enige middel dat echt werkt de aloude Georgistische landbelasting (oeps, een soort erfpacht…). Overigens hebben de kabinetten Drees dit soort middelen wel toegepast, bijvoorbeeld bij de landprijsbeheersing. Weet iemand overigens of Winsemius de oude (Nederlands minister in de jaren vijftig en decennia lang onbezoldigd hoofdadviseur van de overheid van Singapore) een Georgist was – ik heb sterk het idee van wel maar kan dit niet hard maken”. Engelen heeft dus geet als hij zou denken dat 90% LTV genoeg zou zijn.

Samenvattend – Ewoud Engelen heeft een afgewogen, gematigd, redelijk en feitelijk goed onderbouwd stuk geschreven. Chapeu. Hij is niet de radikaal. De radikalen, dat zijn de bankiers die het hypotheekcircus weer willen laten beginnen.

Geldschepping als exorbitant privilege – in meervoud.

Er is een discussie gaande over geldschepping en de banken. Eindelijk. In de discussie mis ik echter het besef van de hoge mate waarin de overheid de banken op verschillende manieren ondersteunt en beschermt en geldschepping door de banken niet alleen mogelijk maakt maar zelfs actief bevordert. Vandaar het onderstaande verhaal.

Zoals bekend kunnen banken, samen met mensen en bedrijven die lenen, uit het niets geld scheppen. Daar is niets vreemds aan. Zoals de econoom Minsky ooit zei: “everyone can create money, the problem is to get it accepted”. Dat is geen flauwe soundbite maar een wijze opmerking. Geldschepping (eigenlijk: schepping van koopkracht) is cruciaal in een markteconomie. Wanneer u een credit card gebruikt, of rood komt te staan op uw betaalrekening, dan bent u samen met de bank geldscheppend bezig. Sterker nog: wanneer een bedrijf ‘op rekening’ iets koopt dan is er sprake van geldschepping. De verkoper accepteert de door het bedrijf uitgegeven schuld – een crediteurenpost op de balans van het kopende bedrijf, een debiteurenpost op de balans van het verkopende bedrijf – als betaling. Waarbij de crux van de zaak is dat dit een wettige betaling is: goederen krijgen een andere eigenaar, diensten worden geleverd. Er is echt betaald: schuld als betaalmiddel. En er is sprake van schepping van monetaire waarde: de debiteurenpost staat niet voor niets aan de activakant van de balans. Bij elke crediteuren/debiteurenpost is eigenlijk sprake geweest van schepping van betaalkracht, uit het niets. Of eigenlijk: op basis van vertrouwen. Als u, zoals ik, wel eens bedrijfsboekhoudingen bekijkt dan weet u hoe belangrijk dit soort koopkracht scheppend vertrouwen is, voor onze economie. En dat dit soort transacties al eeuwen ons marktsysteem mogelijk maken. ‘Vroeger’ was het grootste deel van ons geldsysteem niet zozeer op goud als wel op krediet gebaseerd! Natuurlijk, de debiteurenschuld moet worden afbetaald – maar dat is een nieuwe, afzonderlijke transacties. Iets vergelijkbaars gebeurt als u een credit card van een bank gebruikt. De winkel vertrouwt de bank, er ontstaat een crediteurenpost op uw balans (u moet de bank ooit terug betalen) en een debiteurenpost bij de bank. Maar bij banken is er iets speciaals. U koopt geen goederen bij de bank en krijgt geen dienst geleverd door de bank – maar u krijgt betaalbewijzen: Euro’s. Die u direct overdraagt aan de winkelier. Eigenlijk draagt de winkelier het debiteurenrisico, dat vroeger door hem werd gedragen (denk aan de opschrijfboekjes die in Friesland hier en daar nog steeds bestaan!) over aan de bank! De winkelier krijgt de betaalbewijzen – de Euro’s waarmee in eerste instantie enkel de schuld bij de bank kan worden gedelgd maar die, dankzij een viervoudige overheidsgarantie, ook kunnen dienen om andere schulden te betalen, zodat de winkelier ze accepteert. Waar bestaat deze overheidsgarantie uit?

1) De overheid accepteert het bankengeld als middel waarmee u belasting kunt betalen. Dat is niet vanzelfsprekend. De overheid zou ook enkel papiergeld als belastingbetaalmiddel kunnen accepteren – wat de overheid een enorme winst zou opleveren, omdat iedereen bankgeld tegen papiergeld zou moeten inwisselen. Maar dat doet de overheid, opmerkelijk genoeg, niet. Dit maakt het aantrekkelijk dit soort geld te hebben.
2) Sterker: de overheid gunt deze geldscheppingswinst (seigniorage) aan de banken, die dit opstrijken in de vorm van rente over de leningen, waarbij, opmerkelijk genoeg, de overheid deze monopoliewinst niet afroomt.
3) De overheid garandeert verder een 1:1 omwisselkoers tussen bankgeld en overheidsgeld zoals bankbiljetten en munten. Anders gesteld: u kunt kunt het geld dat u op uw bankrekening hebt staan altijd inwisselen tegen biljetten, tegen een gegarandeerde koers. En dat is niet vanzelfsprekend, zoals de huidige ontwikkelingen in Griekenland en eerder die in Cyprus lieten zien. Deze omwisselgarantie maakt het veilig dit geld te hebben.
4) De overheid garandeert daarbij, impliciet, ook dat de Euro van de ene bank tegen dezelfde gegarandeerde koers inwisselbaar is tegen Euro’s die door andere banken worden uitgegeven – banken hoeven hun eigen merk niet op het door hun geschapen geld te zetten. Vanzelfsprekend? Nee, zie het vorige punt. Een credit card van een Griekse bank is, voor een winkelier, nog net zo goed als die van de ABN-AMRO. Dit maakt het makkelijk dit geld te hebben.
5) De centrale bank is deel van de overheid. En de Europese centrale bank streeft een ‘M-3’ geldgroei van 4,5% na. M-3 geld bestaat echter grotendeels uit door banken geschapen geld, de overheid steunt dus actief de geldschepping (en daarmee de winstgevendheid) van de banken.  Terzijde – juist in de hogere regionen van het bankwezen, inclusief de centrale bank, zijn voor zover ik weet veel ‘marktdenkers’ te vinden, mensen die vinden dat de overheid zich zoveel mogelijk moet terugtrekken wat betreft directe invloed op de beslissingen van marktpartijen. Maar de eigen toko mag kennelijk wel profiteren van directe overheidsinvloed! Maar waar het hier om gaat: de overheid stelt alles in het werk om de geldcreatie van de banken op peil te houden, een daling van de geldhoeveelheid (en daarmee van de schuldenlast van huishoudens en bedrijven) wordt actief tegengegaan. Overigens doet de Nederlandse overheid hier met de hypotheekrenteaftrek nog een schep bovenop.

Daarnaast grijpt de overheid in als het, ondanks alle goede zorgen, toch nog misgaat, zoals dat in Ierland het geval was. Op een gegeven moment was daar sprake van geldgroei van ongeveer 30% per jaar, die enkel diende om de woningprijzen op te blazen. En dat ging uiteindelijk mis. De belastingbetalers konden toen, onder druk van Brussel, niet alleen opdraaien voor hun eigen schulden – maar ook voor die van de banken. Zeer heet van de naald: via Twitter verneem ik net dan ‘Brussel’ problemen heeft met ‘indirecte overheidssteun’ aan aan nationale hypotheekinstelling in Nederland, die gefinancierd wordt met overheidsobligaties. Hetzelfde Brussel dat dus via de Troika Ierland en Griekenland onder zware druk zette om de pensioenen te verlagen omdat de banken gesteund moesten worden…

De banken worden dus op vele manieren gesteund door de overheid. Moet de overheid daarmee ophouden? Wat mij betreft niet. De garanties mogen best blijven. Echter, wel moet de overheid de winsten van de banken afromen (helaas, pas als het eigen vermogen van de ABN-AMRO en dergelijke bedrijven even hoog is als, bijvoorbeeld, dat van de Triodos bank), de inkomens van deze de facto staatsbedrijven koppelen aan de Balkenende norm en het verstrekken van hypotheken voor bestaande woningen moet worden overgeheveld van de banken naar de pensioenfondsen. Dat betekent natuurlijk wel dat de banken veel kleiner zullen worden dan ze nu zijn en dat het rendement op eigen vermogen zal dalen. Wat precies de bedoeling is.

 

Page 2 of 10812345...102030...Last »
top