search
top

Piketty-reeksen voor Nederland, 1965 (1952) – 2012.

In zijn bekende boek ‘Capital in the twenty-first century‘ (vertaald zou dat ‘Vermogen in de eenentwintigste eeuw’ moeten zijn!) presenteert Thomas Piketty nationale vermogensreeksen voor een aantal landen – maar niet voor Nederland. Uitgaande van beschikbare gegevens (waarbij vooral de aardgasgegevens een probleem waren, uiteindelijk zijn de aardgasopbrengsten gedeeld door de productie) heb ik vergelijkbare reeksen voor Nederland in elkaar geknutseld, die overigens grotendeels gebaseerd zijn op al bestaande reeksen voor ‘fixed assets’ van het CBS die teruggaan tot 1952 en die door het CBS voor het ‘Groningen Growth and Development Centre’ zijn gemaakt (en die op verzoek worden gestuurd, althans dat was in 2008 zo). Een nadere verklaring van de keuzes en methodes zal tot na de vakantie moeten wachten, hier de resultaten, die aangeven dat prijsontwikkelingen een groter deel van de stijging van de waarde van het nationale vermogen hebben bewerkstelligd dan volume-effecten. Wel moet worden genoemd dat het aantal woningen per capita in deze periode nogal fors gestegen is, wat naast de prijsontwikkelingen ook een reden is waarom het in woningen en grond onder woningen gevestigde kapitaal zo gestegen is. Ook de gemiddelde kwaliteit van de woning is in deze periode gestegen, hoewel dat moeilijk is te meten. Voor de definities van ‘kapitaal’ verwijs ik U naar het door Piketty getrouw gevolgde handboek voor de nationale rekeningen, de SNA 2008. Daarnaast mogen we niet ongelukkig zijn met de onderhandelingskwaliteiten die de heer R. Lubbers na de oliecrisis ten opzichte van de oliemaatschappijen etaleerde en die er voor zorgden dat tot 95% van de overwinsten aan de staat toevielen…. In deze berekeningen is de werkwijze van het CBS zo getrouw mogelijk gevolgd, in een publicatie hierover zal ik de waarde van de gasvoorraad ophogen om ook de extra belastinginkomsten (die 5% viel ook nog eens onder de belastingen…) van de staat hierin te disconteren. In eerste instantie is er echter voor gekozen de reeksen zo goed mogelijk bij de bestaande te doen aansluiten (met dank aan collega Frederik voor woningprijzen voor de periode 1965-1975).

Pikettyreeks

 

 

 

 

 

Kapitaal bestaat niet

Misschien wel in de eerste economie-les leert elke student dat er twee productiefactoren bestaan, te weten arbeid en kapitaal. Vooral het neoklassieke paradigma heeft een indrukwekkende productie-theorie opgebouwd op deze eenvoudige voorstelling. Uiteraard is de factor kapitaal een abstractie, want niemand heeft ooit “kapitaal” als arbeidsmiddel of als arbeidsvoorwerp gezien. Kapitaal is dan de samenvoeging van al die fysieke objecten tot een homogene massa, tot een geaggregeerd kapitaal. Het zal niet verbazen, dat een dergelijke homogenisering leidt tot allerlei conceptuele problemen. Halverwege de twintigste eeuw verzette de enige vrouwelijke econoom van naam, Joan Robinson, zich met kracht tegen de bruikbaarheid van dit kapitaal-begrip. De wiskundige perfectionering van haar bezwaren is in 1960 volbracht door Piero Sraffa, dank zij zijn klassieke boek Production of commodities by means of commodities.

Een cruciaal aspect van de neoklassieke productietheorie is de substitutie van productiefactoren. De schaarste van een productiefactor bepaalt zijn prijs. Als de prijs van een productiefactor stijgt, dan zullen de producenten overstappen naar een productietechniek, die minder gebruik maakt van die productiefactor. Dat is mogelijk, omdat er altijd meerdere productietechnieken beschikbaar zijn, die de diverse productiefactoren combineren in verschillende verhoudingen. Op het microeconomische niveau is veel te zeggen ten gunste van deze redenatie.

Evenwel het neoklassieke paradigma wil de microeconomische productie aggregeren tot een algemeen macroeconomisch evenwicht, en Sraffa laat zien dat daar het neoklassieke betoog faalt. Als kapitaal wordt gehomogeniseerd, dan wordt daarbij gebruik gemaakt van de productprijzen. En in die prijzen zijn weer de prijzen van alle productiefactoren verwerkt. De prijsstijging van één productiefactor verandert tevens de prijzen van de andere productiefactoren. En a priori is onmogelijk te voorspellen wat daarvan het resultaat zal zijn.

Sraffa heeft de macroeconomische situatie doorgerekend met een model, waarin de ondernemingen proberen om het kapitaalrendement maximaal te maken. Dat is niet helemaal hetzelfde als het neoklassieke paradigma, dat uitgaat van de maximalisatie van de winst, maar des al niettemin alleszins verdedigbaar. Sraffa ontdekt dat aldus bij een stijgend loonpeil de ondernemingen soms eerst zullen overstappen van techniek A naar techniek B, en vervolgens, wanneer het loonpeil doorstijgt, weer van techniek B naar techniek A. Dit verschijnsel, dat de terugkeer van de techniek wordt genoemd (in de Engelse taal reswitching) weerlegt het substitutie-denken van het neoklassieke paradigma.

De ontdekking van Sraffa heeft ruime bekendheid gekregen, ook in Nederland. De bekende econoom A. Heertje heeft er in 1973 zelfs een heel boek aan gewijd, Economie en technische ontwikkeling geheten. En in 1976 publiceert W. van Drimmelen over hetzelfde thema zijn proefschrift Meerwaarde en winst, dat dankzij SUN breed is verspreid. Indertijd verschijnen er in het Tijdschrift voor politieke ekonomie regelmatig artikelen over. Maar over het geheel genomen was de economische gemeenschap niet blij met de ontdekking, omdat zij immers de neoklassieke macroeconomie weerlegt. En die was tot dan toe een paradepaardje. Zo jubelt de bekende econoom J. Pen: “En in de derde plaats is de (neo)klassieke theorie, met haar geweldige formules, een mooi object voor studenten en andere leergierigen om eens flink de tanden in te zetten. Het is een stuk van de economie dat ons vertrouwen geeft in de ingeniositeit van de vakmensen, en dat is wat waard”.

De verzuchting van Pen laat iets zien van de behoudzucht, waarmee iedere intellectueel worstelt. Over de kritiek op het kapitaal-begrip schrijft hij: “Maar dan bestaat er ook geen arbeidsvolume en geen nationaal product en de hele macroeconomie kan worden afgeschaft. Dat bespaart veel moeite, maar bevredigt ons toch niet”. Kennelijk vindt Pen het beter om vast te houden aan het theoretisch ondeugdelijke begrip van het geaggregeerde kapitaal. De Noord-Amerikaanse econoom N.G. Mankiw verzwijgt in zijn boek macroeconomics (waaruit helaas nog steeds wordt onderwezen in sommige Nederlandse universiteiten) het probleem gemakshalve. En hij is niet de enige.

Zoals blijkt uit de verzuchtingen van Pen is hier niet meer sprake van een theoretische controverse. Sraffa heeft de strijd beslecht. Het negeren van zijn ontdekking komt voort uit persoonlijke gemakzucht en luiheid, en soms misschien ook uit ideologische motieven. Wie zoals uw columnist gelooft in wetenschappelijke zuiverheid (een tik overgehouden aan een studie natuurkunde) kan het maar moeilijk accepteren. Wellicht is de economie als menswetenschap toch subjectiever dan menigeen lief is. Doctrines en dogma’s zijn er taai en uiterst moeilijk te verdelgen.

De Piketty-waarde van een woning: verkoopprijs, herbouwprijs of balanswaarde?

Mede naar aanleiding van het boek van Piketty staat de vraag naar de hoogte en de verdeling van het vermogen weer centraal. ‘Weer’, want Piketty toont duidelijk aan dat ook negentiende-eeuwse economen hier veel aandacht voor hadden. Daarbij werd ook toen al ingegaan op financieel vermogen aan de ene kang en niet-financieel vemrogen (land, woningen, transportmiddelen enzovoorts) aan de andere kant. Dit laatste vermogen kan in waarde toenemen, ten opzichte van het inkomen, door prijseffecten en doordat er geïnvesteerd wordt in nieuwe kapitaalgoederen.

Het is echter problematisch om de prijseffecten van het niet financiële vermogen te schatten. Piketty (en Zucman, in dit geval, ‘single PDF document p. 18‘) menen echter dat dit op de zeer lange termijn (meer dan zestig tot zeventig jaar) niet zo erg is. Op de lange termijn bewegen de prijzen van goederen volgens hen namelijk naar de prijzen van consumptiegoederen toe. Ze stellen:

“Wherever savings come from, the key assumption behind the one-good model of wealth accumulationand the B = s/g formula is that there is no change in the relative price between capitaland consumption goods. This is a strong assumption. In practice, relative asset price effects often vastly dominate volume effects in the short run, and sometimes in the medium run as well. One key issue addressed in this paper is whether relative price e↵ects also matter for the analysis of long-run wealth accumulation.”

Waarbij de gegevens uitwijzen dat de relatieve prijs van ‘kapitaalgoederen’ (alles bij elkaar: land, vliegtuigen, woningen) zich relatief gezien niet afwijkend gedragen van de prijzen van consumptiegoederen. Ik betwijfel of dit voor Nederland ook zo is, althans wat betreft woningen. De waarde van woningen kan op verschillende manieren gemeten worden:

1) De marktwaarde. Maar niet alles wordt op een markt verhandeld. En niet alle kapitaalgoederen die op een markt verhandeld worden worden tegelijkertijd verkocht, zodat het niet bepaald gegeven is dat uw kapitaalgoed de prijs zal opbrengen die men ervoor betaald heeft of die men denkt te zullen kunnen krijgen. Denk aan de huiseigenaren die ‘onder water’ staan. Een data probleem: er moet eindelijk eens een goede woningprijsindex vanaf, zeg, 1550worden ontwikkeld, ik hou me aanbevolen.
2) De boekwaarde. Probleem hiermee is echter dat de initiële boekwaarde in het algemeen de aanschafprijs is, die ver in het verleden kan liggen en dus niet maatgevend is voor de huidige waarde.
3) De herbouwwaarde. Dit is, als u een eigen woning hebt, bijvoorbeeld van belang voor uw opstalverzekering.
4) De gekapitaliseerde waarde van toekomstige opbrengsten. Het grote probleem daarmee is dat de toekomst onzeker is, zoals ze bij Imtech en DSB ondertussen weten.

Voor Nederland geven gegevens betreffende bouwprijzen (óutputprijzen’), marktwaarde (verkoopprijzen) en de CBS kapitaalwaarde (vermoedelijk een aan het prijsniveau aangepaste soort van boekwaarde, ik moet dat nog natrekken, dank overigens aan het CBS voor het ospturen van de reeksen van na 1951) aan dat de bouw- zowel als de verkoopprijzen van woningen ook op de lange termijn sterker gestegen zijn dan de consumptieprijzen, waarbij de ‘boekwaarde’ in nominale prijzen zoals berekend door het CBS ook sterker toename.

Grafiek 1 laat zien dat de ‘outputprijzen'(bron: CBS) sterker toenamen dan het algemeen prijsniveau, juist op de zeer lange termijn. Caveat: de prijsgegevens voor 2014 betreffen enkel het eerste kwartaal. De outputprijzen zijn inclusief winstmarges en grondprijzen, de recente daling ligt vermoedelijk juist aan deze twee componenten (goed nieuws voor jong Nederland, overigens!). De lange termijn stijging ligt vermoedelijk aan de hoge looncomponent en de beperkte stijging van de arbeidsproductiviteit in de bouwnijverheid, samen met de grote vraag naar de ideale woning. Uiteraard zijn er kwaliteitsverbeteringen die het prijsniveau ook beïnvloeden – maar bijvoorbeeld de gemiddelde omvang van nieuwbouwwoningen is de laatste decennia aanzienlijk afgenomen, wat dit weer compenseert.

Grafiek 2 laat zien dat dat kapitaalwaarde van woningen, berekend door het CBS, nog sterker toename dan de outputprijzen.

En grafiek 3 laat zien dat op de kortere termijn de verkoopwaarde nog sterker toenam.

Een drievoudige stijging, dus.

Uiteraard laat een zeer lange gedefleerde prijsindex van woningen in Nederland, de Herengrachtindex, een golfbeweging van ongeveer 180 jaar zien. Terwijl collega Frederik heeft laten zien dat de zeepbel van rond 1980 dezelfde oorzaken had als de meest recente. Er is dus een ‘beweging naar het gemiddelde toe’ waar te nemen, zowel op de middellange termijn  als op de ultralange termijn’. Persoonlijk ben ik echter toch van mening dat veel van de relatieve prijsstijging van woningen in de periode tot, zeg, 1990, permanent zijn. Wat het idee van Piketty en Zucman ondergraaft. Maar je weet het nooit met dat soort zaken – er is al een metselrobot, wat de outputprijzen nog verder omlaag zou kunnen drijven.

OuputprijzenKapitaalwaardeverkoopwaarde

Dagblad Trouw: naief over overheidstekorten en -schuld in de Eurozone

Vandaag (24 juli) stond in Trouw een slecht artikel over de overheidsschulden en het overheidstekort in de Eurozone. Kennelijk heeft men de discussie van de afgelopen jaren niet goed gevolgd en de achterliggende gegevens niet goed bekeken. Het gaat niet enkel om overheidsschulden maar ook om de private schulden. En de verwevenheid daartussen. En als, zoals in Griekenland, de totale loonsom halveert, mede door bezuinigingen en de neerwaartse spiraal die daardoor veroorzaakt werd, dan leidt dat niet echt tot een snelle vermindering van het tekort…

Het artikel was gebaseerd op twee studies van Eurostat. Eén die laat zien dat het Eurozone-tekort in het eerste kwartaal van dit jaar wat lager was dan in het eerste kwartaal van vorig jaar en nu het niet dramatische niveau van 2,7% heeft bereikt (en dat niet eens gecorrigeerd voor de economische malaise van de afgelopen jaren). En één die de toename van schulden in beeld brengt – schulden die, zoals Nederland in 2008 laat zien, overigens ook kunnen toenemen als de overheid geen tekort heeft.

De toon van het artikel was meewarig, ‘Nou ja zeg: die tekorten en die schulden stijgen alweer, waarom doen we gewoon niet wat beter ons best!’. Maar landen hebben hun tekort maar ten dele zelf in de hand, zeker als het landen van de Eurozone zijn. Lees dit boek van Mario Draghi erop na. Landen functioneren als de facto financiële achterwacht voor de banken. Als de banken in de problemen komen – dan wordt de kas van de overheid aangesproken om dit probleem op te lossen. En juist de Troika beperkt de keuzevrijheid van landen om daarbij ook eens ‘nee’te eggen, tegen die banken. Zie ook deze studie over Griekenland, waar uit opgemaakt kan worden dat Griekenland in de vijf kwartalen 2012-IIItot en met 2014-III 24 miljard Euro aan de banken heeft moeten overmaken. Wat verreweg het grootste deel van de toename van de Griekse overheidsschuld in deze periode verklaart. Vergelijkbare ontwikkelingen hebben plaats gevonden in onder meer Ierland, Nederland en Duitsland, hoewel in Nederland en Duitsland met minder druk van de Troika. Daarnaast speelde in landen als Ierland en Spanje een rol dat de kapitaalstromen vanuit de rest van de EU opdroogden, waardoor de investeringen zeer fors daalden en er dus automatisch een groot overheidstekort ontstond – terwijl Ierland en Spanje tot die tijd juist forse overschotten op de overheidsrekening kenden! Ook is binnen Europa een tijd lang een bizar beleid gericht op hoge renteniveaus in de probleemlanden gevoerd, dit om de ‘discipline’ aldaar te bevorderen. En dat heeft dus niet echt geholpen, integendeel. De investeringen zijn enorm laag, de werkloosheid is historisch hoog en de tekorten zijn niet bepaald weggewerkt, mede door de economische krimp. Overigens geven de economische leerboekjes allemaal aan dat je, als de economie in elkaar stort – wat het geval was – de rente moet verlagen. Wat de ECB netjes gedaan heeft. Maar dat was dus niet genoeg. Mede door het gesteggel van de Eurolanden werkte deze lage rente, tot vreugde van de discipline-fanaten, niet door in lage rentes voor bedrijven, huishoudens en overheden. En daar plukken we nu, en nog vele jaren, de wrange vruchten van.

Waarom zou arbeid goedkoper moeten?

Sinds enkele jaren hoor je van links tot rechts, van werkgevers tot vakbonden, dat de arbeid goedkoper moet worden. Is dat begrijpelijk? Je eerste reactie is: daardoor zullen de winsten omhoog gaan. Bij nader inzien is die conclusie voorbarig, want de maatregel moet samengaan met hogere lasten voor het arbeidsloze inkomen – al is het afwachten of dat kan. De reden voor goedkope arbeid is, dat zij meer werkgelegenheid zou opleveren. Is dat waar?

In het model van een partiële arbeids markt klopt het, want een dalende product prijs vergroot de vraag (mits er behoefte bestaat). Echter partiële markten bestaan niet. Juist de arbeids markt is totaal verweven met de waren markten. Als de arbeid goedkoper wordt, dan zullen de prijzen van de goederen en diensten eveneens veranderen. In deze situatie is de uitwerking op de vraag naar arbeid ongewis. Het is goed mogelijk, dat allerlei machines nog meer in prijs zullen dalen dan de arbeid. Het gevolg is dan dat er een uitstoot van arbeid uit het productie proces zal zijn, dat wil zeggen, méér werkloosheid.

Ook is moeilijk te overzien welke sectoren er zullen profiteren, en welke sectoren zullen inkrimpen. Immers de resulterende prijs-bewegingen zijn uitermate complex, en worden bepaald op het economische macro-niveau.

Hoogstens zou kunnen worden tegen geworpen, dat de loonsverlaging direct optreedt, terwijl de prijs-veranderingen van producten en diensten met vertraging zullen volgen. Dus misschien zal er even meer werkgelegenheid zijn. Maar dat overtuigt niet echt, wanneer je zoekt naar duurzame oplossingen.

Een ander bezwaar tegen goedkope arbeid is de daardoor veroorzaakte wegval van koopkracht. De herverdeling is ongewis. Je kunt hopen dat dankzij de loondaling uitkerings gerechtigden een baan zullen vinden, wat extra koopkracht oplevert. Maar dat is niet zeker. Overigens wil men vooral snijden in de loon-belasting, en dat kost de werknemer natuurlijk geen koopkracht. Maar dan ontvangt de staat minder inkomsten, en dat kost ook werk. juist daarom zou de staat om inkomsten moeten gaan knokken met de factor kapitaal.

Mijn inschatting is dat de extra kapitaal belasting niet echt gaat lukken. Dan zal de politiek ongetwijfeld kiezen voor een hogere BTW, bijvoorbeeld op energie. Het resultaat zal zijn dat er weer een automatische stabilisator (de progressieve loon-belasting) zal zijn afgebouwd, waardoor de economie onevenwichtiger is geworden.

En goedkope arbeid betekent in dit geval minder loon-afdracht, waaronder wellicht minder premies voor de werknemers verzekeringen. Dan dreigen de werkloosheids uitkeringen, de bijstand en de AOW onbetaalbaar te worden. Nogmaals, de uitwerking van de lagere loon-belasting op de koopkracht verdeling is ingrijpend, en moeilijk te overzien. Er zou op allerlei manieren moeten worden gecompenseerd, en de vraag is of dat steeds zal lukken.

Sowieso is er een slimmer beleid denkbaar, namelijk de verhoging van de arbeids productiviteit. Immers ook dan wordt het inhuren van arbeid aantrekkelijker. Goedkopere arbeid is een weg omlaag naar het afvoer putje. Sommigen zeggen: goedkope arbeid maakt de ondernemers lui.

Nee, ik zie niks in dit beleid, wanneer inderdaad er geen reden is om meer werkgelegenheid te verwachten. Voorlopig is het louter een holle frase.

Page 5 of 108« First...34567...102030...Last »
top